RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11358780 \ MB VERZ 24-1424
beschikkingsnummer : 20072416074560639600 / 4728168
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Verloop van de procedure
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: zich met een hond op een openbare plaats bevinden zonder dat de hond is aangelijnd op 20 juli 2024 om 16:07 uur op de Ulvenhoutselaan te Breda
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. De bewering dat de overtreding in de Ulvenhoutselaan heeft plaatsgevonden is feitelijk onjuist. Betrokkene is in het aangrenzende Markdal geweest. De boete is dus op onjuiste feiten gebaseerd. Daarnaast vindt betrokkene dat onvoldoende wordt uitgegaan van de redelijkheid. Gezien de temperatuur op die dag vindt betrokkene het binnen redelijke normen vallen om zijn hond te laten zwemmen. Des temeer omdat de omgeving van Breda bijzonder weinig losloopgebieden kent waar honden gebruik kunnen maken van een zwemmogelijkheid. Dat de hond daarbij artrose heeft en geen lange stukken kan verplaatsen, draagt bij aan het feit dat de gebeurtenis volgens betrokkene binnen redelijke normen valt. De hond is aangelijnd geweest tijdens iedere verplaatsing die zich heeft plaatsgevonden.
Namens het college is ter zitting verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Daartoe is het volgende aangevoerd. Het is niet toegestaan om de hond onaangelijnd op de kant te laten lopen of liggen wegens mogelijke gevaren, waaronder het wegrennen door de hond en het gevaar dat daardoor voor andere dieren wordt veroorzaakt.
Overwegingen
De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dat wordt door betrokkene ook niet ontkend.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geen reden waarom de boete niet opgelegd had mogen worden. Daarbij ziet de kantonrechter ook geen reden voor een matiging. De hond had ook aangelijnd kunnen zwemmen, dan wel meteen na het zwemmen aangelijnd kunnen worden. De gedraging komt voor eigen rekening en risico.
De boete is dus terecht opgelegd.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: