RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11511610 \ MB VERZ 25-124
beschikkingsnummer : 18092414023160634300 / 4923264
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. I.N.D.J. Rissema (Bezwaartegenverkeersboetes.nl)
Verloop van de procedure
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: bromfiets zodanig op of aan de openbare weg laten staan dat er schade gevaar of hinder ontstaat op 18 september 2024 om 14:02 uur op de Gravinnen van Nassauboulevard te Breda.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van de gestelde overtreding. Het voertuig van betrokkene stond immers niet hinderlijk geparkeerd. Voorts valt niet in te zien waarom het boetebedrag, in afwijking van de verordening (waarin een bedrag van € 150,00 is opgenomen), is vastgesteld op € 100,00. De wet biedt daarvoor geen grondslag (artikel 154b, zesde lid, Gemw). Nu de boete derhalve op een onjuist bedrag is vastgesteld, dient deze te worden vernietigd. Het bedrag kan bovendien niet alsnog worden verhoogd naar het juiste tarief, nu dat in strijd zou komen met het verbod van reformatio in peius.
Namens het college is ter zitting verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Daartoe is het volgende aangevoerd. Betrokkene stond pal, hinderlijk, naast een blindengeleidestrook. De boete is op voorhand al gematigd naar € 100,- met het oog op een toekomstige wijziging in de regelgeving waardoor dit soort boetes omlaag gaan naar dit bedrag. Het gaat niet om een aanpassing, maar een matiging in het voordeel van betrokkene.
Overwegingen
De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
De kantonrechter ziet in hetgeen door gemachtigde is aangevoerd geen reden waarom de boete niet had mogen worden opgelegd. Duidelijk zichtbaar is dat betrokkene hinderlijk heeft geparkeerd, zeer dicht naast de blindengeleidestrook, waardoor de gedraging kan worden vastgesteld. Voorts is in het voordeel van betrokkene een lager boetebedrag gehanteerd. De kantonrechter ziet verder ook geen reden om de boete te matigen.
De boete is dus terecht opgelegd. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond;
‒ wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: