ECLI:NL:RBZWB:2025:9811

ECLI:NL:RBZWB:2025:9811

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-01-2025
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer C/02/423840 / Ha za 24-342
Rechtsgebied Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Auteursrecht, slaafse nabootsing, onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/423840 / HA ZA 24-342

Vonnis van 29 januari 2025

in de zaak van

[producent A] B.V.,

te [plaats 1] ,

eisende partij in de hoofdzaak en het incident,

hierna te noemen: [producent A] ,

advocaat: mr. E.J. Louwers,

tegen

[persoon 1] , H.O.D.N. [producent B],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak en verweerder in het incident,

hierna te noemen: [producent B] ,

advocaat: mr. N. Disveld.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 september 2024 en de daarin genoemde stukken;

- de akte uitlating producties gedaagde tevens houdende akte correctie en overlegging aanvullende producties (15-23) eiseres;

- de akte overlegging aanvullende productie (10) ten behoeve van mondelinge behandeling 18 december 2024 van [producent B] ;

- de akte overlegging aanvullende productie (11) ten behoeve van mondelinge behandeling 18 december 2024 van [producent B] ;

- de akte overlegging aanvullende productie (24) van [producent A] ;

- de spreekaantekeningen van beide partijen;

- de mondelinge behandeling van 18 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald in de hoofdzaak en het incident.

2. De feiten

[producent A] houdt zich onder meer bezig met de productie en verhandeling van loop-/oprijplaten. Zij heeft in 2002 een vouwbare loop-/oprijplaat ontwikkeld en op de markt gebracht. Het vouwbare systeem in die oprijplaat betreft een schuifsysteem.

In 2014 is een aangepaste (doorontwikkelde) vouwbare oprijplaat met een kantelbaar klepprofiel ontwikkeld. Het schuifsysteem is hierbij omgezet in een systeem met een zelfdragende scharnierconstructie.

[producent A] heeft een vouwbare loop-/oprijplaat met scharnierconstructie (hierna aangeduid als ‘oprijplaat’) op de markt gebracht.

[producent B] houdt zich bezig met het vervoeren en opbouwen van evenementen door heel Europa. [producent B] was voorheen afnemer van [producent A] , onder andere van oprijplaten voor haar klanten. [producent B] levert nu eigen oprijplaten aan haar klanten.

Op 19 juli 2022 heeft de advocaat van [producent A] een brief gestuurd naar [producent B] . [producent A] stelt hierin dat [producent B] inbreuk maakt op haar auteursrecht door vrijwel identieke oprijplaten aan te bieden aan onder meer klanten van [producent A] . Ook stelt [producent A] dat [producent B] onrechtmatig handelt, onder meer door de oprijplaten van [producent A] (‘slaafs’) na te bootsen. [producent A] sommeert [producent B] kort gezegd om het inbreukmakend handelen te staken, met bijkomende eisen.

De advocaat van [producent B] stuurt op 8 augustus 2022 een schriftelijke reactie. Hierin betwist [producent B] inbreuk te maken op het gestelde auteursrecht van [producent A] . [producent A] claimt bescherming voor niet-creatieve en functionele elementen die buiten de reikwijdte van het auteursrecht vallen. Daarnaast is de totaalindruk van de oprijplaten verschillend. Ook betwist [producent B] dat sprake is van ‘slaafse nabootsing’ of anderszins onrechtmatig handelen. De oprijplaten van [producent A] hebben geen eigen gezicht op de markt en er is geen sprake van verwarringsgevaar.

[producent A] volhardt in haar brief van 14 december 2022 in haar eerdere sommatie aan [producent B] .

3. Het geschil

In de hoofdzaak en in het incident

[producent A] vordert in de hoofdzaak samengevat dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat [producent B] :

a. inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [producent A] ;

b. zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofde slaafse nabootsing;

c. zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige vergelijkende of misleidende reclame;

d. anderszins onrechtmatig heeft gehandeld

II. [producent B] beveelt om (onder andere) het produceren, aanbieden e.d. alsmede het doen van misleidende c.q. onrechmatige uitingen te staken en gestaakt te houden;

III. [producent B] beveelt om alle bestelde en al geleverde inbreukmakende oprijplaten (onder andere) bij afnemers terug te halen en hen te informeren dat deze inbreuk maken op de rechten van [producent A] ;

IV. [producent B] beveelt om de in voorraad zijnde en de teruggehaalde exemplaren van de inbreukmakende oprijplaten te vernietigen;

V. [producent B] beveelt om alle reclame-uitingen ten aanzien van de inbreukmakende oprijplaten te staken en gestaakt te houden;

VI. [producent B] beveelt om op de websites van [producent B] een rectificatie op te nemen;

VII. [producent B] te veroordelen om als voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 50.000 aan [producent A] te betalen;

VIII. [producent B] veroordeelt tot betaling van een dwangsom bij iedere overtreding van punt I tot en met VII;

IX. [producent B] veroordeelt in de kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv;

X. Verklaart voor recht dat [producent B] gehouden is om de door [producent A] gemaakte en nog gemaakte kosten voor vaststelling en begroting van de schade te betalen;

XI. [producent B] veroordeelt in de nakosten.

Dit is een vereenvoudigde weergave van de vorderingen, die in de dagvaarding uitvoerig zijn omschreven.

In het incident vordert [producent A] dat de rechtbank, totdat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak, bij wijze van voorlopige voorziening:

I. [producent B] beveelt om (onder andere) het produceren, aanbieden e.d. alsmede het doen van misleidende c.q. onrechtmatige uitingen te staken en gestaakt te houden;

II. [producent B] beveelt om aan de advocaten van [producent A] opgave te doen van het totaal aantal inbreukmakende oprijplaten dat [producent B] heeft geproduceerd en/of ingekocht, alsmede opgave te doen van een aantal andere omschreven gegevens, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [producent B] in de proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv.

Ook dit is een vereenvoudigde weergave van de vorderingen, die in de dagvaarding uitvoerig zijn omschreven.

[producent B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [producent A] in de hoofdzaak en in het incident, met veroordeling van [producent A] in de proceskosten conform artikel 1019h Rv van beide procedures.

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4. De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident

Auteursrechtelijke bescherming: juridisch kader

[producent A] beroept zich op bescherming van het auteursrecht. Op grond van artikel 1 Aw is het auteursrecht het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen. [producent B] betwist dat het om een auteursrechtelijk beschermd werk gaat.

De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Auteursrechtelijke bescherming rust op werken van letterkunde, wetenschap of kunst in de zin van artikel 10 lid 1 Auteurswet 1912, waaronder, onder 11, werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid. Dat werkbegrip moet worden uitgelegd in overeenstemming met dat van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29/EG.

Het Europese Hof van Justitie stelt twee voorwaarden aan een werk, namelijk het moet

i) nauwkeurig en objectief identificeerbaar en ii) oorspronkelijk zijn, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de maker, de zogenoemde werktoets. Deze maatstaf geldt ook voor gebruiksvoorwerpen, zoals hier aan de orde.

Auteursrechtelijke bescherming: voldoende nauwkeurig en objectief identificeerbaar

Bij de eerste voorwaarde gaat het om rechtszekerheid. De rechter en concurrenten moeten duidelijk en nauwkeurig kunnen vaststellen waarvoor auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen.

[producent A] stelt dat zij een oprijplaat zowel met als zonder kantelbaar klepprofiel op de markt brengt. Volgens [producent A] is het kantelbaar klepprofiel een optie die zij aan klanten aanbiedt. Hieronder staat een afbeelding van een oprijplaat van [producent A] \onder (links) en met (rechts) kantelbaar klepprofiel:

Tussen partijen staat vast, dat [producent B] geen oprijplaten met kantelbaar klepprofiel aan haar klanten levert. Hieronder een afbeelding van de oprijplaat van [producent B] :

[producent B] betwist dat [producent A] oprijplaten zonder kantelbaar klepprofiel op de markt brengt; het zou gaan om een gefingeerde oprijplaat, om een gefingeerde en voor [producent A] gunstige vergelijking met de oprijplaat van [producent B] te kunnen maken. Of [producent A] de oprijplaat zonder klepprofiel ook op de markt brengt, is echter niet van belang bij de vraag of zij voor deze oprijplaat ook het auteursrecht claimt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat [producent A] auteursrechtelijke bescherming inroept voor de beide hier afgebeelde typen opvouwbare oprijplaten, dus met en zonder kantelbaar klepprofiel. [producent B] betwist verder nog dat die duidelijkheid er is, omdat [producent A] oprijplaten in verschillende maten kan leveren. Dat is echter voor deze procedure niet van belang. [producent A] heeft zijn vorderingen alleen gebaseerd op die twee genoemde uitvoeringen, die wat hun formaat betreft niet wezenlijk verschillen van de oprijplaten die [producent B] aanbiedt.

Auteursrechtelijke bescherming: oorspronkelijkheid in relatie tot vrije en creatieve keuzen

Wat de oorspronkelijkheid betreft, is het zowel noodzakelijk als voldoende dat het voorwerp een intellectuele schepping van de maker is die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door zijn vrije creatieve keuzen bij de totstandkoming ervan. De rechter moet nagaan of de maker van het product door de keuze van de verschijningsvorm ervan zijn creatieve vermogen op originele wijze tot uitdrukking heeft gebracht door vrije en creatieve keuzen te maken en het product zodanig heeft vormgegeven dat het zijn persoonlijkheid weerspiegelt. Daarbij moet de rechter rekening houden met alle relevante elementen van de zaak zoals deze bestonden op het tijdstip waarop het voorwerp werd ontworpen, ongeacht de factoren die na de creatie van het product en los ervan zijn ontstaan. Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat de ruimte dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden zodanig zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker die een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren. Ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen kan een (oorspronkelijk) werk zijn, als het maar zo is dat de verzameling/selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt. Daarbuiten valt in elk geval al dat wat een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarin geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.

Beoordeling oorspronkelijkheid van de oprijplaat van [producent A]

[producent A] wijst de volgende elementen van de oprijplaat aan die volgens haar maken dat sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk:

a. het patroon van het profiel;

b. plaatsing, vormgeving, materiaalafwerking en afmetingen van de handgrepen;

c. plaatsing, vormgeving, materiaalafwerking en afmetingen van het scharnier;

d. het kantelbaar klepprofiel (ook al is dat volgens [producent A] een optie op de oprijplaat)

e. de combinatie van het geheel.

[producent B] heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens [producent B] kan de oprijplaat geen auteursrechtelijk beschermd werk zijn. Er is daarvan pas sprake bij vrije en creatieve keuzes van de maker. Het gaat hier om een geheel technisch of functioneel bepaald product waaraan geen creatieve keuzes te pas zijn gekomen. Dit geldt voor alle door [producent A] genoemde trekken, die daarom niet door het auteursrecht beschermd worden. Voor zover toch nog ruimte bestaat om creatieve keuzes te maken, geldt dat de gekozen vormgeving banaal of triviaal is. Ook dergelijke elementen zijn van het auteursrecht uitgesloten. Dat geldt ook voor een combinatie van deze elementen.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Het patroon van het profiel. Op de zitting heeft [producent A] gezegd dat het profiel wordt gemaakt met een mal van een fabriek die hij tegen betaling mag gebruiken. Daarmee is duidelijk dat [producent A] geen auteursrecht kan hebben op dit profiel. Zij kan zich er niet op beroepen dat dit voor haar een auteursrechtelijk beschermd element is.

De handgrepen. De rechtbank vindt dat [producent A] niet voldoende uiteen heeft gezet dat hierbij sprake is geweest van creatieve keuzes waarin de persoonlijkheid van de maker tot uitdrukking komt, (terwijl dit - gezien haar stelplicht - wel op haar weg had gelegen). Tegenover de summiere stelling van [producent A] staat de gemotiveerde betwisting door [producent B] . Volgens [producent B] is de plaats van de handgrepen functioneel bepaald, namelijk in het midden zodat het gewicht evenredig wordt verdeeld. De vormgeving is gebogen omdat dit nu eenmaal prettig in de hand ligt en eenvoudig gehanteerd kan worden. De afmetingen van de handgrepen zijn niet opvallend groot of klein. Het is niet duidelijk wat [producent A] met materiaalafwerking bedoelt, het materiaal is volgens [producent B] in elk geval van aluminium om de oprijplaat zo licht en handzaam mogelijk te houden. De rechtbank kan de betwisting van [producent B] goed volgen. [producent A] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht om te kunnen concluderen dat niettemin sprake is van een vrije en creatieve keuze. De handgrepen kwalificeren niet als auteursrechtelijk beschermd element.

Het scharnier. Ook hiervoor geldt dat [producent A] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. [producent B] heeft het volgende aangevoerd. Het scharnier is in het midden geplaatst zodat de opvouwbare delen even lang zijn. Een scharnier moet nu eenmaal worden bevestigd aan de delen. Voor een oprijplaat is het van belang dat een scharnier kan worden geborgd in open stand zodat het niet inklapt. Het scharnier is niet opvallend groot of klein en de materiaalafwerking is niet toegelicht. Het scharnier is een technisch of functioneel bepaald onderdeel van de oprijplaat, en van een creatieve keuze is niet gebleken. Ook hier kan de rechtbank de betwisting van [producent B] goed kan volgen. [producent A] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht om te kunnen concluderen dat niettemin sprake is van een vrije en creatieve keuze. Het scharnier kwalificeert niet als auteursrechtelijk beschermd element.

Het kantelbaar klepprofiel. [producent A] heeft gesteld dat deze als optie wordt aangeboden. [producent B] heeft aangevoerd dat het hierbij eveneens gaat om een functioneel bepaald element, omdat zo gemakkelijk een opgang wordt verkregen en de oprijplaat daardoor ook geschikt is voor kleinere wielen. Daar is door [producent A] onvoldoende tegenin gebracht. De rechtbank vindt dat het kantelbaar klepprofiel niet geldt als auteursrechtelijk beschermd element.

De combinatie van het geheel. Volgens [producent A] levert de verzameling van de hiervoor genoemde niet auteursrechtelijk beschermde elementen toch een auteursrechtelijk werk op. Het is echter niet duidelijk welke beschermingswaardige creativiteit [producent A] heeft toegepast om met de combinatie van deze niet auteursrechtelijk beschermde elementen een (wel) auteursrechtelijk beschermd werk te creëren. Zij heeft niet voldoende onderbouwd op grond waarvan de combinatie van de onbeschermde elementen de persoonlijke visie van de maker tot uiting komt. Op grond van de door partijen overgelegde afbeeldingen staat voldoende vast dat er veel oprijplaten op de markt worden aangeboden. Hieronder bevindt zich ook een opvouwbare oprijplaat en een oprijplaat met (zwarte) handvatten. Onvoldoende blijkt daaruit dat de oprijplaten van [producent A] zich daarvan wezenlijk onderscheiden. Er zal altijd wel ergens een verschil zijn te bespeuren, maar het moet hier gaan om een wezenlijk verschil, waaruit dus de persoonlijke visie van de maker naar voren komt. Daarvan is hier geen sprake.

Conclusie auteursrechtelijke bescherming

De conclusie is dat de oprijplaten van [producent A] onvoldoende oorspronkelijk zijn en daarom niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Gevolg hiervan is dat de rechtbank geen oordeel hoeft te geven over de vraag of [producent A] auteursrechthebbende is op de voorwerpen.

Grondslag ongeoorloofde nabootsing

[producent A] heeft ook een beroep gedaan op ongeoorloofde nabootsing van haar oprijplaten door [producent B] . De oprijplaten van [producent A] zijn sinds 2016 op de markt en zeer goed verkocht aan grote partijen in Nederland en in België. Tot het moment van namaak door [producent B] bestonden geen andere, vergelijkbare opvouwbare oprijplaten. Door het op de markt brengen van (bijna) exacte reproducties van de oprijplaten veroorzaakt [producent B] verwarringsgevaar. Het ontbreken van een type- en/of naamplaatje op de inbreukmakende oprijplaten werkt verwarring verder in de hand.

Volgens [producent B] is nabootsing als hoofdregel geoorloofd. Alleen onder bijkomende omstandigheden mag dat niet. Een van de voorwaarden voor een geslaagd beroep op slaafse nabootsing is dat een voorwerp een eigen gezicht heeft op de markt. Daarvan is geen sprake. [producent A] heeft geen bewijs dan wel onderbouwing gegeven dat haar oprijplaten een eigen gezicht hebben op de markt en daarmee niet voldaan aan haar stelplicht. [producent B] heeft foto’s van diverse oprijplaten van derde partijen ingediend. Hieruit blijkt dat de oprijplaten van [producent A] geen eigen gezicht hebben in de markt, en mocht dat anders zijn dan is dat eigen gezicht verwaterd.

Toetsingskader slaafse nabootsing

Uitgangspunt is dat het iedereen in beginsel vrijstaat een stoffelijk product na te bootsen als dat product niet (langer) wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom. Dit lijdt uitzondering, wanneer door die nabootsing verwarring bij het relevante publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te voorkomen dat door de (soort)gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring bij het relevante publiek ontstaat. In dat geval is nabootsing – het gaat dan om zogenoemde slaafse nabootsing – een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden opgekomen.

Eigen gezicht op de markt

Van verwarring kan pas sprake zijn als het desbetreffende product een ‘eigen gezicht’ (of: onderscheidend vermogen) heeft op de relevante markt, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt (ook wel het vormgevingserfgoed of ‘Umfeld’ genoemd). Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de marktsituatie ten tijde van de aanvang van het verschijnen van de nabootsingen. De mate waarin dat product zich dient te onderscheiden van die gelijksoortige producten om een gevaar voor verwarring te kunnen doen ontstaan, hangt onder meer af van de aard en de hoeveelheid gelijksoortige producten die zich op dat moment op de desbetreffende markt bevinden. Hierbij geldt dat vormgeving die in hoge mate technisch, door functionele eisen, bepaald is, niet kan bijdragen aan een eigen gezicht in de markt van het product.

Hierbij is van belang welke oprijplaten [producent A] op de markt heeft gebracht ten tijde van het verschijnen van de oprijplaten van [producent B] in juli 2022. [producent B] wijst erop, dat de website van [producent A] vermeldt dat alle oprijplaten voorzien zijn van een kantelbaar klepprofiel. Afbeeldingen op de website bevatten alleen oprijplaten met kantelbaar klepprofiel. Bovendien heeft [producent A] een afbeelding van een oprijplaat met kantelbaar klepprofiel in het geding gebracht. Hiernaar verwijst zij (als productie 3 bij dagvaarding) ter aanduiding van de oprijplaat waarvoor bescherming wordt gevorderd. In de vergelijking van de oprijplaten gebruikt [producent A] volgens [producent B] ten onrechte de oprijplaat zonder klepprofiel, die zij in werkelijkheid niet aan klanten aanbiedt.

Volgens [producent A] is de vermelding op de website een vergissing. Het is een wat te stellige tekst in de promotie van een optionele toevoeging. Inmiddels heeft zij de tekst aangepast. Bovendien heeft [producent B] in een e-mail van 31 januari 2017 specifiek gevraagd om een oprijplaat met beweegbare flappen. In een e-mail van 13 december 2017 vraagt [producent B] wat de kosten zijn om van standaardramps vouwramps te maken als deze geschikt zijn (een ‘ramp’ is een ander woord voor oprijplaat). Daaruit volgt dat de oprijplaten niet standaard met klepprofiel geleverd worden.

De rechtbank stelt vast op de website van [producent A] op 27 augustus 2024 de volgende tekst stond:

“Klepprofiel

Alle Ramps zijn voorzien van een klepprofiel aan de onderzijde. Dit kantelbare profiel maakt een ideale hoek tot de ondergrond zodat men een gemakkelijke opgang verkrijgt. Zodoende is de Ramp ook geschikt voor kleinere wielen.”

Deze tekst is duidelijk: ‘alle’ ramps zijn voorzien van een klepprofiel en daarmee adverteert [producent A] voor haar klanten. Op de afbeeldingen op de website en de door haar overgelegde productie 3 zijn alleen oprijplaten met een klepprofiel te zien. Dat geldt ook voor de tekeningen die [producent A] als productie 19A heeft ingebracht. Dat [producent A] ook oprijplaten zonder klepprofiel levert heeft zij na deze betwisting van [producent B] niet voldoende onderbouwd. Van [producent A] had verwacht mogen worden met concrete gegevens te onderbouwen dat deze oprijplaten wel degelijk bestaan en aan klanten worden geleverd. Dat heeft zij niet gedaan. De verwijzing naar twee e-mails in 2017 zijn daarvoor onvoldoende omdat dit niets zegt over de situatie in 2022. De rechtbank moet daarom uitgaan van het feit dat [producent A] alleen de oprijplaat met kantelbaar klepprofiel op de markt brengt.

[producent A] heeft niet naar behoren gesteld, dat deze oprijplaat zich onderscheidt van andere gelijksoortige oprijplaten op de markt op het moment dat de oprijplaat van [producent B] op de markt is verschenen. Zij volstaat in de dagvaarding met een summiere stelling die niet is onderbouwd. Vervolgens reageert zij op een gemotiveerde betwisting door [producent B] die zelf afbeeldingen van oprijplaten in het geding heeft gebracht. Dit is echter niet voldoende omdat op [producent A] de stelplicht (en bewijslast) rust. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [producent B] heeft [producent A] onvoldoende onderbouwd dat zij een eigen gezicht heeft op de markt van oprijplaten. Van het meest in het oog springende element, het profiel, staat vast dat dit een standaard profiel is dat op de markt kan worden ingekocht en functioneel is bepaald. Ook voor het scharnier en handgrepen geldt dat dit zij in hoge mate functioneel zijn bepaald, zoals hiervoor bij de beoordeling van het beroep op het auteursrecht overwogen. Omdat [producent A] onvoldoende heeft onderbouwd dat haar oprijplaat een eigen gezicht op de markt heeft valt niet in te zien op welke wijze nodeloze verwarring zou kunnen ontstaan bij het relevante publiek. Dit geldt eens te meer omdat [producent B] alleen oprijplaten zonder kantelbaar klepprofiel levert. Het beroep op ongeoorloofde nabootsing moet om die reden worden afgewezen.

Ongeoorloofde vergelijkende of misleidende reclame

[producent A] stelt dat [producent B] zich schuldig maakt aan vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a BW. [producent B] vergelijkt haar oprijplaat met die van [producent A] door in een Whatsapp-bericht mede te delen dat deze oprijplaten zijn ‘zoals jij ze kent’. Dit is echter onjuist. De prijslijst van [producent B] toonde foto’s van de werkplaats en oprijplaten van [producent A] . Bovendien is de kwaliteit van de oprijplaten van [producent B] inferieur aan die van [producent A] . [producent A] betwijfelt of de oprijplaten van [producent B] wel geschikt zijn voor de aangeduide draagkracht van aanvankelijk 750 kg en nu 500 kg. Bij schade ontstaat het gevaar dat afnemers ook geen vertrouwen meer hebben in de oprijplaten van [producent A] . [producent B] onttrekt zich daarbij aan haar verantwoordelijkheid door geen type- of naamplaatje aan te brengen op haar oprijplaten. [producent B] maakt haar beweringen niet hard en [producent A] heeft inmiddels zelf vastgesteld dat die claims naar allen waarschijnlijkheid onjuist zijn. Voor zover er geen sprake is van ongeoorloofde vergelijkende reclame, is sprake van ontoelaatbare misleidende reclameuitingen door [producent B] .

[producent B] betwist dat sprake is van ongeoorloofde en misleidende reclame. Er is geen sprake van een vergelijking met de producten van [producent A] . Het Whatsapp bericht betreft een gesprek van [persoon 1] met de heer [persoon 2] , een medewerker van het [bedrijf] dat is gespecialiseerd in transport en logistiek in de evenementenbranche. Dit bedrijf maakt voor haar dienstverlening op grote schaal gebruik van talloze oprijplaten, waaronder ook allerhande opvouwbare exemplaren. Met de oprijplaten ‘zoals jij ze kent’ wordt bedoeld dat het gaat om opvouwbare oprijplaten. Niet was bedoeld om te stellen dat de oprijplaten van [producent B] dezelfde zouden zijn als die van [producent A] . Dit kan ook niet uit het gesprek worden afgeleid, de naam van [producent A] is daarin niet genoemd.

[producent B] heeft in het verleden aan een klant die aangaf de oude oprijplaat van [producent A] te willen kopen, een prijslijst gestuurd met daarin een foto van de oprijplaat van [producent A] . Dit ongelukkige voorval is na de eerste sommatiebrief van [producent A] rechtgezet en [producent B] heeft daarna geen afbeeldingen van [producent A] gebruikt.

[producent B] betwist dat haar oprijplaten inferieur zouden zijn en wijst erop dat ook [producent A] oprijplaten aanbiedt die zijn voorzien van een gele sticker met een maximumdraagvermogen van 500 kg.

De rechtbank is van oordeel dat [producent A] haar stellingen na de gemotiveerde betwisting door [producent B] onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. In het Whatsapp-bericht wordt de naam van [producent A] niet genoemd. Eenmalig heeft [producent B] een onjuiste foto gebruikt. Er kan niet worden vastgesteld dat de oprijplaten van [producent B] inferieur zijn ten opzichte van die van [producent A] . Dat het een keer is voorgekomen dat de oprijplaat is gebroken, zoals [producent A] nog aanvullend heeft gesteld, is daarvoor niet voldoende. Er staat niet vast met welk gewicht de oprijplaat is belast en ook afgezien hiervan geldt dat een eenmalig incident niet doorslaggevend is.

Conclusie ongeoorloofde vergelijkende of misleidende reclame

De conclusie is dat geen sprake is van ongeoorloofde vergelijkende of misleidende reclame.

Overig onrechtmatig handelen

Volgens [producent A] maakt [producent B] zich schuldig aan bedrog en oneerlijke handelspraktijken. [producent B] haakt onrechtmatig aan bij de bekendheid, naam en de positie die [producent A] in de kleine en specialistische markt heeft verworven, en maakt in vergaande mate gebruik of misbruik van het door [producent A] opgebouwde bedrijfsdebiet en de daartoe gedane investeringen met betrekking tot de ontwikkeling, productie en marketing van haar oprijplaten.

[producent B] betwist dit en voert aan dat iedere onderbouwing daarvoor ontbreekt. [producent A] wil simpelweg geen enkele concurrentie dulden.

De rechtbank is van oordeel dat de algemene stellingen van [producent A] onvoldoende zijn om daaruit te kunnen afleiden dat [producent B] onrechtmatig jegens haar handelt. Het enkele feit dat [producent B] concurreert met [producent A] is niet onrechtmatig.

Algehele conclusie in de hoofdzaak en in het incident

Uit de voorgaande beoordelingen volgt dat de vorderingen van [producent A] zullen worden afgewezen, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

Proceskosten

[producent A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Conform de stellingen van [producent B] in de spreekaantekeningen kwalificeert zowel de hoofdzaak als het incident als ‘normaal’ in de zin van de IE-indicatietarieven voor de toepassing van artikel 1019h Rv. Het toepasselijke tarief wordt voor 60% toegerekend aan de grondslag inbreuk op auteursrecht en voor 40% aan de overige grondslagen. Dit betekent dat het salaris advocaat volgens het IE-indicatietarief wordt vastgesteld op € 10.500 in de hoofdzaak en € 1.500 in het incident.

Het salaris advocaat voor de overige grondslagen wordt vastgesteld op € 728,40 (€ 1214 x 1,5 pt x 40%) in de hoofdzaak en op € 368,40 (€ 614 x 1,5 pt x 40%) in het incident. Hierbij is de mondelinge behandeling voor de helft toegerekend aan de hoofdzaak en voor de helft aan het incident.

De kosten in de hoofdzaak worden daarom als volgt begroot:

- salaris advocaat € 10.500,00 (IE-indicatietarief bodemzaken, normaal, 60%)

- salaris advocaat € 728,40 (liquidatietarief)

- griffierecht € 320,00

- nakosten € 178,00 (plus verhoging als in het dictum vermeld)

Totaal € 11.726,40

De kosten het incident worden daarom als volgt begroot:

- salaris advocaat € 1.500,00 (IE-indicatietarief incident, normaal, 60%)

- salaris advocaat € 368,40 (liquidatietarief)

Totaal € 1.868,40

Bij elkaar opgeteld een bedrag van € 13.594,80.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak en in het incident

wijst de vorderingen van [producent A] af,

veroordeelt [producent A] in de proceskosten van € 13.594,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [producent A] niet tijdig aan de kostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [producent A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?