RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/442173 / JE RK 25-2061
Datum uitspraak: 5 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[het nog ongeboren kind] ,
hierna te noemen het thans nog ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informante aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
locatie Eindhoven,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 21 november 2025, ontvangen op 21 november 2025;
de oproeping van de griffier van deze rechtbank van de moeder in de Staatscourant van 27 november 2025;
het e-mailbericht van [hulpverlening] van 2 december 2025;
het gespreksverslag van de Raad van het plaatsgevonden telefonisch contact met de moeder op 1 december 2025, ingediend op 2 december 2025;
het bericht van de GI van 2 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is, met voorafgaand bericht, niet op de zitting verschenen.
2. De feiten
De moeder is zwanger van het thans nog ongeboren kind. De verwachte geboortedatum is [datum] 2026.
De vader van het thans nog ongeboren kind is onbekend.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt het thans nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
4. De standpunten
De Raad heeft, in aanvulling op het verzoekschrift, ter zitting naar voren gebracht dat ten tijde van de melding bij de Raad begin november 2025 sprake was van een zeer zorgelijke situatie. De moeder was niet verschenen op de laatste afspraak in het ziekenhuis, terwijl uit controles is gebleken dat er bij het thans nog ongeboren kind sprake is van een medische complicatie, namelijk een afwijking van de aorta. De moeder is daarvoor doorverwezen naar het academisch ziekenhuis en belangrijk is dan ook dat de zwangerschap gecontroleerd verloopt. Daarnaast was onbekend waar de moeder verbleef. Zij stond niet in contact met de betrokken hulpverlening, waaronder onder andere Medisch Maatschappelijk Werk en Traverse, en evenmin met de jeugdzorgwerker van [dochter] , de andere dochter van de moeder. Ook voor de Raad was de moeder, ondanks diverse contactpogingen, nagenoeg niet bereikbaar en wilde zij geen dan wel slechts minimale informatie geven over hoe het met haar en het thans ongeboren kind ging. Inmiddels lijkt de situatie iets te zijn verbeterd. De moeder heeft [hulpverlening] benaderd voor hulpverlening die inmiddels betrokken is bij de moeder, is op 28 november 2025 verschenen op haar afspraak in het ziekenhuis en heeft op 1 december 2025 op eigen initiatief contact opgenomen met de Raad. Er heeft een uitgebreid gesprek tussen de Raad en de moeder plaatsgevonden waarin de moeder informatie heeft gegeven over haar situatie en haar zwangerschap. Dit is een positieve ontwikkeling, maar betekent niet dat er geen zorgen meer over de moeder en het thans nog ongeboren kind zijn. De moeder verblijft op dit moment op een adres waar de moeder stelt inmiddels veilig te zijn, maar waar eerder een melding van huiselijk geweld, gepleegd door de bewoner van dit adres richting de moeder, bij Veilig Thuis is gedaan. Daarnaast is onduidelijk in hoeverre de moeder beschikt over noodzakelijke spullen voor het thans nog ongeboren kind. Verder zijn er zorgen over het belaste verleden van de moeder, waarbij sprake is geweest van huiselijk en seksueel geweld, mogelijk middelengebruik door de moeder tijdens de zwangerschap alsook de mogelijkheid van de moeder om de zorg en opvoeding van het thans nog ongeboren kind te dragen. De moeder heeft acht kinderen van verschillende vaders, die elders wonen. Gelet op dit alles bestaat er volgens de Raad een ernstig vermoeden dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor het thans nog ongeboren kind weg te nemen.
De GI heeft tijdens de zitting aangevoerd dat zij achter het verzoek van de Raad staat. Weliswaar is sprake van een positieve ontwikkeling, maar er zijn nog diverse zorgen over de moeder en de opvoedsituatie van het thans nog ongeboren kind. De GI deelt de zorgen van de Raad. Een voorlopige ondertoezichtstelling is nodig om de situatie te stabiliseren en het welzijn en de veiligheid van de moeder en het thans nog ongeboren kind te waarborgen. De GI is bereid om de verzochte maatregel uit te voeren. De jeugdzorgwerker die betrokken is bij de moeder en [dochter] , zal ook worden aangesteld voor de moeder en het thans nog ongeboren kind.
5. De beoordeling
De kinderrechter merkt, met toepassing van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de ongeboren vrucht van de moeder als reeds geboren aan, nu zijn belang zulks vordert gelet op hetgeen hieromtrent uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:257, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een GI indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond zoals bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht stelt de kinderrechter vast dat op het moment dat de Raad betrokken raakte, te weten begin november 2025, er sprake was van zeer grote zorgen over de moeder en de opvoedsituatie van het thans nog ongeboren kind. Op dit moment is sprake van een positieve ontwikkeling. Zo is de moeder weer in beeld, komt zij haar afspraken in het ziekenhuis na en staat zij in contact met de hulpverlening. Dit stemt de kinderrechter positief. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de huidige positieve ontwikkeling nog maar (zeer) pril is, en dat - zoals uiteengezet door de Raad - er nog steeds zorgen zijn op verschillende gebieden. Deze zorgen zijn zodanig dat voldaan wordt aan de grond voor een voorlopige ondertoezichtstelling. Een regievoerder vanuit een gedwongen kader is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor het thans nog ongeboren kind weg te nemen, de zorgen op te pakken en om de juiste hulpverlening - in samenwerking met de reeds betrokken hulpverlening - in te zetten en/of zeker te stellen. Het welzijn en de veiligheid van de moeder en het thans nog ongeboren kind staan voorop, en belangrijk is dat hier goed zicht op wordt gehouden en, indien nodig, acties op worden ondernomen om dit te waarborgen.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de Raad om het thans nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden dan ook worden toegewezen. Daarbij overweegt de kinderrechter dat de situatie van het thans nog ongeboren kind, mede nu bij dit kindje sprake is van een medische complicatie, zeer kwetsbaar is. Van belang is dan ook dat de zwangerschap van de moeder gecontroleerd verloopt, en dat de moeder haar afspraken in het ziekenhuis goed nakomt. De Raad zal in de komende periode nader onderzoek doen naar de gestelde zorgen en de vraag of een verdere ondertoezichtstelling van het thans nog ongeboren kind aan de orde moet zijn.
Het verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling zal worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening open staat dan cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig.
6. De beslissing
De kinderrechter:
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
stelt het thans nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht van de GI met ingang van 5 december 2025 tot 5 maart 2025.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Van der Brug als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.