Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-013573-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1. in de periode van 12 oktober 2025 tot en met 12 januari 2026 [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;2. op 21 september 2025 heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij haar heeft mishandeld;
3. in de periode van 7 tot en met 9 november 2025 [slachtoffer] heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd, heeft gepoogd zwaar te mishandelen en meermaals heeft mishandeld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten. De bedreiging kan niet worden bewezen omdat de opgenomen citaten in de tenlastelegging niet overeenkomen met de letterlijke tekst zoals te lezen in de foto’s van de whatsappgesprekken. Daarnaast hebben verschillende ten laste gelegde woorden een figuurlijke betekenis en zijn deze enkel een uiting van frustratie. Verder zijn de verklaringen van [slachtoffer] niet betrouwbaar en zijn deze onvoldoende duidelijk en gedetailleerd. Er zijn geen directe getuigen van de vermeende mishandelingen en de poging tot zware mishandeling. Hierdoor is onvoldoende komen vast te staan wat er is gebeurd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Voor een veroordeling vanwege een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar zouden kunnen worden mishandeld.
Verdachte heeft [slachtoffer] op verschillende momenten, namelijk op 12 oktober 2025 en 12 januari 2026, berichten toegestuurd via whatsapp en snapchat. Van deze berichten zijn screenshots gemaakt. De teksten die onder de eerste vier gedachtestreepjes zijn ten laste gelegd zijn aan die screenshots ontleend en hebben zonder meer een bedreigende inhoud. Daar komt bij dat, zoals de rechtbank hierna zal vaststellen, verdachte [slachtoffer] op 21 september 2025 letsel heeft toegebracht. Gelet op de inhoud van genoemde teksten en de mishandeling die daarvoor had plaatsgehad, kon bij [slachtoffer] de redelijke vrees ontstaan dat zij haar leven zou kunnen verliezen of zwaar zou kunnen worden mishandeld. Nu ook bedreiging met bewoordingen ‘van gelijke dreigende aard of strekking’ ten laste is gelegd, is voor de bewezenverklaring niet vereist dat de ten laste gelegde woorden exact overeenkomen met teksten die verdachte [slachtoffer] heeft toegestuurd. De rechtbank acht niet alle bewoordingen van dien aard dat de redelijke vrees kon ontstaan dat [slachtoffer] het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden toegebracht. In zoverre zal de rechtbank verdachte vrijspreken.
Feit 2
Een begeleider van [woongroep] , de woongroep waar [slachtoffer] verblijft, heeft aangifte gedaan. Hieruit blijkt dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij door een man met een fles op haar rechteronderbeen was geslagen. Hierdoor had zij een snee opgelopen in haar onderbeen. Deze is bij de huisartsenpost gehecht. [slachtoffer] heeft deze aangifte bevestigd en heeft verklaard dat verdachte haar met de fles heeft geslagen. De verklaring van [slachtoffer] oordeelt de rechtbank voldoende betrouwbaar om deze tot het bewijs te bezigen, ook al verwijst zij naar de aangifte die [woongroep] eerder heeft gedaan. Deze wordt ondersteund door de foto’s van het letsel. Ook wordt haar verklaring ondersteund door een verklaring van de [getuige] , tegen wie zij direct na het incident heeft verklaard dat zij met een fles tegen haar been was geslagen. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer] van de trap is gevallen wordt op geen enkele wijze ondersteund door het dossier. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen met een fles tegen haar been.
Hoewel verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem uitgeoefende geweld, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, het eenmalig slaan met een fles op het been, geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank kan niet vaststellen met welke fles er is geslagen, wat de staat was van deze fles en met welke kracht er is geslagen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte de kans op zwaar lichamelijke letsel op dat moment bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen bewijs dat verdachte opzet had op zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer] door haar te slaan met een fles tegen haar been, wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij in het weekend van 7 tot en met 9 november 2025 naar het huis van verdachte is gegaan. Op vrijdagavond reed zij met verdachte een rondje in zijn auto. Verdachte zat op de bestuurdersstoel. De stemming van verdachte veranderde en hij sloeg [slachtoffer] in het gezicht en daarna een aantal keer met zijn vuisten op haar gezicht en tegen haar lichaam. Ook heeft hij haar in de woning geslagen. Op zaterdagavond heeft hij haar opnieuw met kracht geslagen en geschopt.
De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de medische rapportage van 13 november 2025. Hieruit blijkt dat zij een hematoom onder haar linkeroog heeft en meerdere blauwe plekken heeft bij haar rechterknie en/of bovenbeen. Ook bevat het dossier verschillende foto’s waarop dit letsel te zien is. Daarnaast vindt de verklaring steun in de verklaring van de [getuige] waaruit blijkt – kort gezegd – dat [slachtoffer] op haar blote voeten naar haar oma en opa was gevlucht en erg emotioneel was en niet goed uit haar woorden kwam toen zij terug was op de woongroep. Verdachte heeft verklaard dat het letsel door [slachtoffer] zelf is veroorzaakt. Voor dit scenario biedt het dossier geen aanknopingspunten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] en acht de mishandeling, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1in de periode van 12 oktober 2025 tot en met 12 januari 2026 te [plaats] , gemeente Middelburg en/of Terneuzen, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] via een of meer (Whatsapp)berichten dreigend de woorden toe te voegen:- "Ik schiet gewoon heel die kankerpand plat" en - "Ik ga jou echt steken" en - "Tanden ga je kwijtraken" en/ - "Ik steek of ik schiet" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2op 21 september 2025 te [plaats] , gemeente Middelburg, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met een glazen fles op/tegen het been te slaan.
3in de periode van 7 tot en met 9 november 2025 in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]- meermalen, (met kracht) (met gebalde vuist) tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en- (met kracht) tegen het lichaam heeft geschopt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hij vordert daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen en de dadelijk uitvoerbaarheid hiervan. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 120 uren.
Het standpunt van de verdediging
In geval van een bewezenverklaring verzoekt de verdediging een straf conform de eis van de officier van justitie op te leggen. De verdediging merkt op dat verdachte vanwege een vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis vier dagen in detentie heeft gezeten, terwijl de vordering uiteindelijk niet is behandeld. De verdediging verzoekt deze dagen te betrekken bij de aftrek van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging en de mishandeling, meermaals gepleegd, van [slachtoffer] . Verdachte had een relatie met [slachtoffer] , die ten tijde van de relatie zestien jaar was en woonachtig op een woongroep. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij door zijn handelen een uiterst onveilige situatie gecreëerd voor zowel [slachtoffer] als voor de gehele woongroep. Bovendien neemt verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen.
Uit het strafblad van verdachte van 30 september 2026 blijkt dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Hierdoor is er sprake van recidive, wat de rechtbank in strafverzwarende zin meeweegt. Ook liep verdachte nog in een proeftijd wegens een veroordeling voor mishandeling. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is, aangezien verdachte op 22 september 2026 is veroordeeld door de politierechter.
De rechtbank heeft acht geslagen op het psychologisch rapport van 1 mei 2026. Uit dit rapport blijkt dat verdachte een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol heeft. Daarnaast heeft hij beperkte emotieregulatievaardigheden. Onder invloed van alcohol en in een situatie waarin verdachte boos is, schieten deze vaardigheden tekort waardoor hij agressief kan reageren. De stoornissen van verdachte hebben doorgewerkt tijdens de delicten en hebben hem belemmerd in zijn keuzevrijheid. De psycholoog adviseert de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies van 18 september 2026, waaruit blijkt dat de reclassering een patroon van geweldsdelicten ziet. Op de leefgebieden ziet de reclassering overwegend instabiliteit en is er sprake van middelenproblematiek. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld, waarbij de grootste risico’s de problematische afhankelijkheidsrelatie met aangeefster, zijn middelengebruik en het psychosociaal functioneren zijn. Tijdens het schorsingstoezicht is verdachte voor begeleiding aangemeld bij MJD en voor behandeling bij FZZ. Verdachte komt de afspraken goed na en accepteert de hulpverlening. De reclassering acht het noodzakelijk om deze hulpverlening voort te zetten. De elektronische monitoring is wat de reclassering betreft niet langer nodig. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: de meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster, beheersing van het middelengebruik en ambulante begeleiding.
De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de reclassering over en maakt deze tot de hare.
Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. Daarbij acht de rechtbank een voorwaardelijk deel van belang, als stok achter de deur maar ook om het opleggen van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken. De rechtbank acht het noodzakelijk om de reeds ingezette behandeling en begeleiding te laten voortduren en legt de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op.
De rechtbank is van oordeel dat een langere proeftijd dan geëist door de officier van justitie noodzakelijk is. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld en heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in onderhavige strafzaak contact gezocht met [slachtoffer] . Er lijkt bij verdachte sprake te zijn van een bepaalde hardnekkigheid in verkeerd gedrag. Daarbij heeft de psycholoog ook in overweging gegeven om de proeftijd langer te laten duren zodat de begeleiding en het toezicht zo lang als mogelijk doorlopen.
Door de verdediging is naar voren gebracht dat verdachte vanwege de vordering tot opheffing van de schorsing een aantal dagen in voorarrest heeft gezeten, terwijl de behandeling van deze vordering niet heeft plaatsgevonden en verdachte is heengezonden. De rechtbank rekent de vier dagen dat verdachte in hechtenis heeft gezeten mee als tijd die bij de uitvoering van die straf geheel in mindering moet worden gebracht.
De rechtbank acht het niet opportuun om verdachte opnieuw te detineren, vanwege het positieve verloop van het (schorsings)toezicht. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 78 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] wordt bevolen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Het beslag
Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte. Deze voorwerpen zijn niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en zijn onder verdachte in beslag genomen. Hoewel deze vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave aan verdachte.
8. De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft een immateriële schadevergoeding van € 3.500,- gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer] door de mishandelingen lichamelijk letsel heeft opgelopen aan haar been en er sprake is van een blijvend litteken. Ook heeft zij letsel opgelopen aan haar gezicht, hals en knieën. De toelichting met betrekking tot het lichamelijk letsel is door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Nu sprake is van lichamelijk letsel doet zich een geval voor waarin recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de gestelde en niet weersproken gevolgen daarvan en voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 1.500,- billijk.
Voor zover de vordering ziet op schade als gevolg van een aantasting in haar persoon op andere wijze zal [slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Uit de toelichting en bijbehorende stukken kan niet zonder meer worden afgeleid dat, afgezien van het voornoemde letsel, sprake is van psychisch letsel. Mede in het licht daarvan, is door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist dat [slachtoffer] de gestelde schade heeft geleden. Ter beoordeling van dit deel van de vordering is nader debat nodig en eventuele bewijsvoering waarvoor dit strafgeding zich niet leent. Dit deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 15 oktober 2025, de datum tussen de eerste mishandeling en de laatste mishandeling van [slachtoffer] .
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde onder feit 2;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermaals gepleegd
feit 2 subsidiair: mishandeling
feit 3: mishandeling, meermaals gepleegd
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen, waarvan 78 (achtenzeventig) voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door FZZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoek met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2009;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd;
* dat verdachte zich laat begeleiden door MJD of een soortgelijke instelling voor het oplossen van praktische problemen zoals het vinden van een dagbesteding of het regelen van zijn financiën;
- bepaalt dat van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.500,-, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* 1 STK Telefoontoestel * 1 STK Telefoontoestel
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, en mr. G.H. Nomes en mr. L.W. Louwerse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 oktober 2026.
De oudste en jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 oktober 2025 tot en met 12 januari 2026 te [plaats] , gemeente Middelburg en/of Terneuzen, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] en/of [woongroep] via een of meer (Whatsapp)bericht(en) dreigend de woorden toe te voegen:- "Ik schiet gewoon heel die kankerpand plat" en/of- "Ik ga jou echt steken" en/of- "Tanden ga je kwijtraken" en/of- "Ik steek of ik schiet" en/of- "Ik ga jou echt pijn doen" en/of- "Ik brand heel die kk tent plat daar" en/of- "Ik ga jou echt stoten" en/ofdoor die [slachtoffer] via een of meer (spraak)bericht(en) dreigend de woorden toe te voegen:- "Ik neuk jou en ik neuk hem ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] , gemeente Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een glazen fles en/of puntig voorwerp op/tegen het been heeft geslagen/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] , gemeente Middelburg, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een glazen fles en/of puntig voorwerp op/tegen het been te slaan;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 9 november 2025 te Middelburg, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]- meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met gebalde vuist) in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan/stompen/stoten en/of- meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met geschoeide voet) tegen/op het lichaam heeft geschopt en/of getrapt;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )