Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-227617-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
raadsman mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal .
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 01 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, waardoor [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is overleden. Subsidiair is dit ten laste gelegd als dood door schuld, terwijl het feit wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een integrale vrijspraak. Ten eerste was er geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het teweegbrengen van de explosie. Bovendien was er geen levensgevaar te duchten. Tot slot was er geen sprake van roekeloosheid of grovelijk handelen door verdachte, waardoor dood door schuld eveneens niet bewezen kan worden.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Als hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting het volgende vast.
Verdachte en het slachtoffer waren op 13 juli 2024 aan het werk in een loods in [plaats] . Op camerabeelden is te zien dat verdachte rond 7:52 uur een aantal voorwerpen in een ijzeren buis laat vallen, wat later 10 schiethamerpatronen (verder te noemen patronen) blijken te zijn. Deze patronen worden gebruikt in een machine om met druk cijfers en letters in balken te stampen. Verdachte houdt vervolgens de buis in de vlam van een brander. Verdachte draagt hierbij geen beschermende kleding. Na een korte tijd komen de patronen tot ontploffing en springen er vonken uit de buis. Op enig moment duikt verdachte weg, omdat de vonken in zijn richting komen. Hierna zet verdachte de brander uit.
Omstreeks 8:50 uur draait verdachte deze buis om op zijn werkbank, waarna er patronen uit de buis op de werkbank vallen. Verdachte stopt deze patronen vervolgens terug in de buis. Om 9:22 uur last verdachte de bovenkant van de buis gedeeltelijk dicht. Om 11:18 uur pakt verdachte de buis weer op en loopt hiermee naar de andere kant van de werkbank. Verdachte houdt de buis hierbij op zijn kop en schudt ermee. Niet is te zien dat er iets uit de buis valt. Vervolgens schudt verdachte nogmaals met de buis en houdt hij zijn hand op de bovenkant. Te zien is dat er dan patronen uit de buis komen, die hij er vervolgens terug in stopt. Er zitten op dat moment 20 patronen in de deels afgesloten ijzeren buis.
Omstreeks 11:51 uur schuift verdachte de spullen op zijn werkbank opzij. Verdachte trekt vervolgens een beschermende werkjas en handschoenen aan en zet een laskap op. Verdachte steekt het lasapparaat aan, waarna er een grote vlam uit het mondstuk komt. Het slachtoffer is op dit moment aan het werk bij zijn eigen werkbank. Verdachte verwarmt de buis met de vlam. Het slachtoffer komt naar de werkbank van verdachte gelopen en pakt iets van de werkbank van verdachte. Hij blijft hier even staan. Op dat moment komen er rookpluimen uit de buis, waarna er een explosie plaatsvindt. Het slachtoffer wordt geraakt door meerdere hete metaalscherven in de buik en valt na enkele passen op de grond. Het slachtoffer overlijdt ter plaatse aan een inwendige bloeding in de buik.
Over de vloer in de omgeving waar de explosie plaatsvond liggen er verspreid uitgebarsten patronen, metalenscherven, losse hulsjes en brokstukken uit de muur.
Voorwaardelijk opzet
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van vol opzet op het teweegbrengen van een ontploffing. Opzet kan echter ook bestaan in de vorm van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg (in dit geval de ontploffing) zal intreden. Vooropgesteld wordt dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Hierbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat op de verpakking van de schiethamerpatronen uitdrukkelijk in tekst (E-Explosif) én in symbool wordt gewaarschuwd voor explosiegevaar. Gelet alleen al op deze uitdrukkelijke veiligheidswaarschuwing, acht de rechtbank de aanmerkelijke kans op een ontploffing aanwezig. Hierbij weegt de rechtbank mee dat verdachte al meer dan 15 jaar bij het bedrijf werkt en tijdens werkzaamheden vaker gebruik maakt van deze patronen die hij dan zelf in de verpakking uit de voorraadkast haalt. Overigens heeft naar algemene ervaringsregels te gelden dat het vullen van een metalen buis met ongeveer 20 schiethamerpatronen, het (deels) dichtlassen van die metalen buis en deze vervolgens gedurende meerdere seconden te verhitten met een gasbrander, de aanmerkelijke kans op een ontploffing oplevert.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Verdachte heeft eerder die ochtend zelf de effecten waargenomen en ervaren van het verhitten van meerdere patronen in een open metalen buis. De verdachte zag dat er kleine vonken uit de buis sprongen, ook in de richting van verdachte zelf. Uit de camerabeelden blijkt dat, zelfs nadat verdachte is opgehouden met het verwarmen van de buis, er nog een vonk uit de buis springt waarvoor hij moet wegduiken. Desondanks vult hij later die ochtend de metalen buis met een dubbele hoeveelheid aan patronen en last hij de bovenkant van de buis deels dicht. Hij verandert daarmee op dat moment twee essentiële elementen: hij versmalt de opening van de metalen buis én hij verdubbelt de hoeveelheid patronen. Dat de druk in de buis daardoor toeneemt is, zeker voor verdachte die al jaren in de metaalbewerking als lasser werkzaam is, een evident gevolg. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachte (in tegenstelling tot zijn handelingen met patronen en de buis eerder die ochtend) deze keer besluit om beschermende kleding aan te trekken, alsmede zijn verklaring ter zitting dat het de bedoeling was dat het de tweede keer heftiger zou worden en langer zou duren. Het handelen van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm dan ook zozeer gericht geweest op het ontstaan van een ontploffing dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop ook heeft aanvaard.
Van contra-indicaties voor die bewuste aanvaarding is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, ondanks dat door de verdediging is aangevoerd dat verdachte zijn eigen leven niet bewust op het spel zou zetten.
Levensgevaar
Uit vaste jurisprudentie volgt dat het opzet als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet zijn gericht op het teweegbrengen van de ontploffing en niet op het veroorzaken van levensgevaar voor een ander. De omstandigheid dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of gemeen gevaar voor goederen te duchten is door de ontploffing, is onttrokken aan het opzetvereiste. Het is niet van belang dat degene die de ontploffing veroorzaakt dat gevaar niet heeft voorzien. Het is voldoende dat het bedoelde gevaar naar objectieve maatstaven aanwezig is en dat het gevaar in het algemeen voorzienbaar is op het moment van het veroorzaken van de ontploffing.
Gelet op de handelingen van verdachte was zijn enige doel om een ontploffing te veroorzaken, ongeacht de voorzienbare gevolgen die hij daarmee veroorzaakte. Tijdens die handelingen stond noch zijn eigen leven, noch het leven van anderen voorop.
Uit het forensisch onderzoek op de plaats delict is onder andere gebleken dat op 8 tot 10 meter van de werkbank een gat in de muur zat van ongeveer 25 bij 20 centimeter. De kracht van de ontploffing is dan ook zeer groot geweest. Bij een ontploffing met deze mate van kracht in een afgesloten loods waar meerdere mensen aan het werk waren, bestaat het gevaar dat mensen dodelijk worden geraakt. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt met het overlijden van het slachtoffer.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een deels dichtgemaakte buis gevuld met patronen te verwarmen, waardoor het slachtoffer is overleden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 juli 2024 te [plaats] ,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door een met patronen gevulde deels dichtgemaakte buis te verwarmen,
terwijl daarvan levensgevaar voor een ander, te weten [slachtoffer] , te duchten was
en het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 361 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank de verzochte integrale vrijspraak niet volgt, verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden, schuldgevoelens en gevolgen voor verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is, mede gelet op het tijdsverloop, niet passend. De verdediging verzoekt een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met de maximale taakstraf op te leggen aan verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing als gevolg waarvan zijn collega is overleden. Verdachte kreeg op zijn werk het idee om zelf vuurwerk te maken door een deels afgesloten buis met 20 patronen te verhitten. Bij deze ontploffing die daardoor ontstond, werd zijn collega dodelijk verwond. Verdachte heeft zich met zijn handelen niks aangetrokken van de veiligheidsvoorschriften en voor iedereen die in de loods werkzaam was onaanvaardbare risico’s in het leven geroepen. De gevolgen van het handelen van verdachte zijn onomkeerbaar en onherstelbaar. Het overlijden van het slachtoffer is voor de partner en familie van het slachtoffer een grote schok en zorgt voor immens verdriet. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit en het onomkeerbare gevolg, zou oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats kunnen zijn.
De rechtbank zal daar echter niet toe overgaan. De verdachte heeft zich zeer schuldbewust getoond en ook de nabestaanden hebben desgevraagd laten weten dat zij, ondanks hun verdriet, niet de wens hebben dat aan verdachte een straf wordt opgelegd. Verder weegt de rechtbank mee dat verdachte hulp heeft gezocht om alle gebeurtenissen te verwerken en dat het bewezenverklaarde feit ook verstrekkende gevolgen heeft gehad voor zijn privéleven. Daarnaast zal verdachte moeten leven met de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor de dood van zijn collega. Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad, dat zij neutraal meeweegt.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer duurt dan de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de overtreden normschending en het ernstige gevolg recht moet worden gedaan door oplegging van een hoge voorwaardelijke gevangenisstraf en zij acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 361 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaar passend daarvoor. Verdachte is momenteel ook werkzaam als lasser, waardoor de rechtbank een langere proeftijd dan door de officier van justitie gevorderd passend en geboden acht. Hierbij is tevens rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden.
De rechtbank zal vanuit het oogpunt van vergelding en om recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde de verdachte de maximale taakstraf opleggen van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een
ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 361 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en mr. P.E. van Althuis en mr. A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult en mr. R.E.A. van Laarhoven, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te [plaats] ,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door een met patronen gevulde dichtgemaakte buis te verwarmen,
terwijl daarvan levensgevaar voor een ander, te weten [slachtoffer] , te duchten was
en het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
( art 157 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te [plaats] ,
roekeloos,
dan wel grovelijk,
in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onoplettend,
een ontploffing teweeg heeft gebracht
door een met patronen gevulde dichtgemaakte buis te verwarmen,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden,
terwijl het misdrijf werd gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep;
(Artikel 307 jo 309 Wetboek van Strafrecht)
( art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht )