RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12366040 \ VV EXPL 26-66
Vonnis in kort geding van 5 oktober 2026
in de zaak van
WOONSTICHTING LAND VAN ALTENA,
te Nieuwendijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Land van Altena,
gemachtigde: mr. R. Boekhoff,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. B.H.A. Augustin, Augustine Advocatuur,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
3. [gedaagde 3],
te [woonplaats] ,4. [gedaagde 4],
te [woonplaats] ,5. [gedaagde 5],
te [woonplaats] ,6. [gedaagde 6],
te [woonplaats] ,7. [gedaagde 7],
te [woonplaats] ,
8. [gedaagde 8] en [gedaagde 9],
te [woonplaats] ,9. [gedaagde 10] en [gedaagde 11] ,
te [woonplaats] ,
gedaagden 2 tot en met 9 vertegenwoordigd door [gedaagde 1] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] .
1. De zaak in het kort
Land van Altena verhuurt woningen aan [gedaagde partijen] Zij wenst renovatie- en onderhoudswerkzaamheden te laten plaatsvinden en heeft daartoe een voorstel aan [gedaagde partijen] gedaan. Haar stelling is dat meer dan 70% van de huurders met het voorstel heeft ingestemd. [gedaagde partijen] betwisten dat meer dan 70% van de huurders heeft ingestemd. Een deel van de huurders doet een beroep op dwaling en trekt daarom de eerder verleende toestemming in. Hierdoor is volgens [gedaagde partijen] geen sprake meer van instemming door 70% van de huurders. Omdat [gedaagde partijen] geen medewerking verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden zoals in het voorstel genoemd, vordert Land van Altena dat zij hun medewerking verlenen op straffe van een dwangsom en voor het geval zij niet vrijwillig hun medewerking verlenen vordert zij tijdelijke ontruiming van de woningen voor de duur van de werkzaamheden voor zover noodzakelijk. De kantonrechter wijst de vorderingen toe en ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van [gedaagde partijen] , waarvan de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft besloten om alleen de brief van 5 november 2025 toe te laten- de mondelinge behandeling van 21 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van Land van Altena- de pleitnota van [gedaagde partijen] .
Door [gedaagde partijen] is op 2 oktober 2026 een e-mailbericht aan de griffie gestuurd waarin zij inhoudelijk ingaan op de zaak. Omdat aan het eind van de zitting op 21 september 2026 het onderzoek is gesloten neemt de kantonrechter dit e-mailbericht niet mee bij de beoordeling van de zaak.
3. De feiten
Land van Altena verhuurt aan [gedaagde partijen] woningen staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adressen] . De gehuurde woningen maken deel uit van een complex van dertig woningen, verdeeld over een zestal woonblokken en staan bij Land van Altena als één technisch wooncomplex geregistreerd.
De woningen zijn gebouwd in 1967 en behoeven dringend groot onderhoud en verbetering. Land van Altena heeft [gedaagde partijen] bevraagd middels vragenlijsten (brief van
23 mei 2024) en telefonisch door een onafhankelijk onderzoeksbureau (brief van 13 januari 2025). Bij brief van 21 mei 2025 zijn [gedaagde partijen] op de hoogte gebracht van de belangrijkste onderhouds- en verbeterpunten.
In september 2025 is een brief aan [gedaagde partijen] gestuurd waarin de bewoners zijn geïnformeerd over het voornemen tot plaatsing van een nieuw energiezuinig ventilatiesysteem (balansventilatie met warmteterugwinning (WTW)) en zijn zij uitgenodigd een modelwoning te bezoeken. Ook is vermeld dat Land van Altena de bewoners persoonlijk zal bezoeken in september en oktober 2025 om de onderhouds- en renovatieplannen te presenteren en toe te lichten.
[gedaagde partijen] hebben bij de huisbezoeken een brochure ontvangen met informatie over de voorgenomen onderhouds- en renovatiewerkzaamheden.
Na het huisbezoek hebben de meeste van de bewoners gekozen om direct hun akkoord te geven op de uitvoering van de werkzaamheden. Sommige bewoners hebben hun akkoord enige tijd later gegeven. In totaal hebben 27 van de dertig bewoners hun toestemming gegeven. Twee bewoners, [gedaagde 1] en [gedaagde 8] hebben aangegeven wel akkoord te zijn met de uitvoering van de werkzaamheden, maar niet met de plaatsing van de WTW-installatie en bijbehorende werkzaamheden. Omdat de huurovereenkomst met één bewoner is beëindigd per 1 april 2026, is zijn toestemming niet meegenomen. Land van Altena is daarom uitgegaan van een akkoord van 27 van de 29 bewoners.
Bij brief van 29 oktober 2025 dan wel 5 november 2025 heeft Land van Altena aan [gedaagde partijen] laten weten dat meer dan 70% van de bewoners akkoord is met het voorstel en dat de werkzaamheden door zullen gaan. In de brief is ook vermeld: “(…) Bent u het niet eens met dit besluit, dan kunt u binnen 8 weken na ontvangst van dit bericht naar de rechter gaan. U zult dan moeten aantonen dat ons voorstel onredelijk is. (…)”
[gedaagde partijen] zijn niet naar de rechter gegaan om het voorstel op zijn redelijkheid te laten toetsen.
Land van Altena heeft [gedaagde partijen] bij brieven van 17 december 2025, 8 januari 2025, 21 januari 2026 en 5 februari 2026 op de hoogte gehouden van de voortgang en uitvoering van de werkzaamheden.
Land van Altena heeft gesprekken gevoerd met [gedaagde 1] en [gedaagde 8] om tot een vergelijk te komen. Zij hebben geen overeenstemming bereikt.
Bij brief van 4 augustus 2026 zijn voornoemde huurders gesommeerd uiterlijk 12 augustus 2026 hun schriftelijk hun onvoorwaardelijke en volledige medewerking te bevestigen aan de uitvoering aan alle onderhouds- en renovatiewerkzaamheden.
[gedaagde 1] heeft bij e-mailbericht van 10 augustus 2026 kenbaar gemaakt dat hij (en twintig andere huurders) geen medewerking (meer) willen verlenen aan de uitvoering van de onderhouds- en herstelwerkzaamheden. In deze brief is door [gedaagde partijen] een beroep gedaan op dwaling vanwege schending van de informatieplicht en het ontbreken van een redelijke bedenktijd.
Bij brief van 17 augustus 2026 heeft Land van Altena aan alle huurders (die niet akkoord waren en/of hun handtekening hadden gezet op de lijst behorend bij het
e-mailbericht van 10 augustus 2026) een reactie gestuurd en gevraagd uiterlijk 21 augustus 2026 een verklaring in te dienen dat zij onvoorwaardelijk mee zullen werken aan de uitvoering van de onderhouds- en renovatiewerkzaamheden.
[gedaagde partijen] hebben hier geen gehoor aan gegeven.
4. Het geschil
Land van Altena vordert - samengevat – [gedaagde partijen] te veroordelen om uitvoering aan de werkzaamheden in de woningen zoals vermeld in de bewonersbrochure “Bouwstroomwoningen” te gehengen en te gedogen en alle noodzakelijke medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom, en wanneer aan het voorgaande niet wordt voldaan [gedaagde partijen] te veroordelen de woning tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden en voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze werkzaamheden, te ontruimen, met veroordeling van [gedaagde partijen] in de proceskosten.
Land van Altena legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Ten aanzien van gedaagden sub 1 ( [gedaagde 1] ) en sub 8 ( [gedaagde 8] en [gedaagde 9] ) stelt Land van Altena dat zij verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de door Land van Altena gewenste onderhouds- en renovatiewerkzaamheden, nu meer dan 70% van de bewoners met het voorstel heeft ingestemd. Het betreffen deels dringende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:220 lid 1 BW en deels renovatievoorstellen als bedoeld in artikel 7:220 lid 2 en 3 BW. Weliswaar hebben zij niet ingestemd met voornoemde werkzaamheden, echter is de bezwaartermijn van acht weken ruimschoots verstreken en daarmee wordt het voorstel van Land van Altena vermoed redelijk te zijn. Ten aanzien van gedaagden 2 tot en met 7 en 9 stelt Land van Altena dat zij schriftelijk hebben ingestemd met het door Land van Altena gedane onderhouds- en renovatievoorstel. Hiermee is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen welke strekt tot nakoming. Het beroep van deze gedaagden op dwaling kan niet slagen. Gedaagde hebben voldoende de tijd gehad vragen te stellen en zijn niet onder druk gezet om te tekenen. Land van Altena heeft geen informatie achtergehouden. Het beroep op dwaling moet ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht nu gedaagden pas een beroep op dwaling hebben gedaan twee weken voor de aanvang van de werkzaamheden.
[gedaagde partijen] voeren verweer. [gedaagde partijen] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Land van Altena, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Land van Altena, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Land van Altena in de kosten van deze procedure.
[gedaagde partijen] voeren het volgende aan. Kort gezegd stellen [gedaagde partijen] dat de vorderingen in deze procedure niet toewijsbaar zijn omdat Land van Altena onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt: dat sprake is van een spoedeisend belang, dat ieder onderdeel van het gevorderde pakket een dringende werkzaamheid is, dan wel berust op een redelijk renovatievoorstel, dat de wettelijke 70%-regeling op de juiste wijze en voor het juiste bouwkundige complex is toegepast en dat de door [gedaagde partijen] gestelde gebreken in de informatievoorziening en hun beroep op dwaling voorshands ongegrond zijn. Daarnaast doen [gedaagde partijen] een beroep op schending van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) en stellen zij dat er onregelmatigheden zijn in de subsidieaanvraag en dat hun privacy is geschonden. Tot slot voeren zij aan dat de vordering tot tijdelijke ontruiming onvoldoende bepaald is en dat bij een eventuele uitvoering van de werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden met hun belangen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Land van Altena daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen
Spoedeisend belang
Hoewel [gedaagde partijen] dat betwisten, heeft Land van Altena naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Land van Altena heeft onweersproken gesteld dat al is gestart met de werkzaamheden. Door de weigering van [gedaagde partijen] om mee te werken is het niet mogelijk om in alle woningen tegelijkertijd de werkzaamheden te verrichten. Dit leidt tot kostenstijgingen. De schade bedraagt op dit moment € 60.000. Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat Land van Altena een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
Beoordelingskader
Een huurder moet de verhuurder de gelegenheid geven om dringende werkzaamheden uit te voeren als die werkzaamheden tijdens de huurtijd moeten worden uitgevoerd (artikel 7:220 lid 1 BW). Dringende werkzaamheden zijn niet alleen reparaties, maar ook werkzaamheden die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Een huurder moet de verhuurder ook gelegenheid geven om het gehuurde te renoveren als de verhuurder daartoe een redelijk voorstel doet (artikel 7:220 lid 2 BW). Een renovatievoorstel wordt vermoed redelijk te zijn als 70% van de huurders van een wooncomplex heeft ingestemd met de renovatieplannen en door huurders geen beslissing van de kantonrechter is gevorderd over de redelijkheid van het voorstel binnen acht weken.
Geen schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv)
[gedaagde partijen] voeren aan dat sprake is van schendingen van de waarheidsplicht. Zij voeren daartoe aan dat productie 11 bij dagvaarding, een brief gedateerd op 29 oktober 2025, op meerdere punten afwijkt van de brief die op 5 november 2025 door [gedaagde 1] is ontvangen. Daarnaast voeren [gedaagde partijen] aan dat de sommatiebrief van 4 augustus 2026 pagina’s mist waardoor geen volledig en controleerbaar bewijs voorligt van een voorafgaande ingebrekestelling. Ook heeft Land van Altena stelselmatig wettelijk verplichte kernrapporten achtergehouden en is er een onvolledige weergave van de onderlinge correspondentie gegeven.
De kantonrechter is met Land van Altena van oordeel dat de waarheidsplicht niet is geschonden. Weliswaar is ter zitting vast komen te staan dat door Land van Altena een brief van 29 oktober 2025 is overgelegd in plaats van de brief van 5 november 2025, tegelijkertijd is gebleken dat de inhoud van deze brief en de brief van 5 november 2025 nagenoeg gelijkluidend is. Enkel de datum wijkt af en een e-mailadres lijkt niet op de brief van 29 oktober 2025 te staan wat wel op de brief van 5 november 2025 stond. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt het voorgaande niet dat sprake is van een schending van de waarheidsplicht. De kantonrechter heeft geen aanwijzingen dat door Land van Altena bewust een afwijkende brief is overgelegd. Ten aanzien van de sommatiebrief van 4 augustus 2026 overweegt de kantonrechter dat de rechtbank wel de volledige brief heeft ontvangen. De kantonrechter is dus niet verkeerd voorgelicht. Wat betreft het achterhouden van wettelijk verplichte kernrapporten overweegt de kantonrechter dat Land van Altena deze stukken niet hoeft te verstrekken. Bovendien is onduidelijk gebleven welke belangen [gedaagde partijen] hierbij hebben. Dat geldt ook voor de stelling van [gedaagde partijen] dat Land van Altena de onderlinge correspondentie onvolledig heeft overgelegd. Land van Altena mag een selectie maken van de over te leggen stukken. Door stukken niet te overleggen is in dit geval niet een onjuist beeld gegeven.
70% van de huurders heeft met het voorstel van Land van Altena ingestemd
[gedaagde partijen] betwisten dat de 70% drempel, zoals genoemd in artikel 7:220 lid 3 BW, is gehaald. Zij voeren daartoe aan dat reeds gerenoveerde ( [adres 1] ) dan wel leegstaande woningen ( [adres 2] ) ten onrechte meetellen, dat huurcontracten ontbreken (van de 29 woningen zijn slechts elf huurcontracten overgelegd) waardoor niet gecontroleerd kan worden of een medehuurder had moeten meetekenen en dat sprake is van ontbrekende handtekeningen van medehuurders.
Ter zitting heeft Land van Altena toegelicht waarom [adres 2] en [adres 1] in haar ogen terecht zijn meegeteld. Zo heeft zij toegelicht dat de huurder van [adres 2] , wat nu de modelwoning is, heeft ingestemd met het voorstel om de werkzaamheden uit te laten voeren. Ten aanzien van [adres 1] heeft Land van Altena toegelicht dat de huurster in oktober 2025 heeft ingestemd met het voorstel. Later heeft zij de huur opgezegd en is ze verhuisd. Omdat de woning leegstond en de aannemer een proef wilde maken met de kozijnen mocht dat in deze woning gebeuren. Tegelijkertijd moest dan ook het WTW-systeem worden aangesloten, om dit goed te kunnen testen. De nieuwe huurder heeft vervolgens ook ingestemd met het voorstel van Land van Altena en is niet veel later ook verhuisd. De huidige huurder heeft ook ingestemd met het voorstel.
De hierboven vermelde nadere toelichting van Land van Altena ter zitting is niet weersproken door [gedaagde partijen] De kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat werkzaamheden al deels zijn uitgevoerd niet betekent dat deze woningen niet meer mee mogen tellen. De voormalige huurders hebben immers ook voorafgaand aan de werkzaamheden hun toestemming gegeven. Het standpunt van [gedaagde partijen] op dit punt slaagt dan ook niet.
Land van Altena betwist dat medehuurders mee moeten tekenen, dit is enkel nodig bij beëindiging van de huurovereenkomst. Zij voert aan dat in het geval huurders gehuwd zijn, aangenomen mag worden dat huurders het voorstel onderling bespreken en zij dan samen instemmen of niet instemmen.
De kantonrechter overweegt dat niet is gesteld dat huurders zijn meegerekend als huurders die instemming hebben verleend, terwijl de medehuurder geen instemming had willen verlenen, behalve waar het gaat om [adres 3] . Door Land van Altena is toegelicht dat de vrouw toestemming heeft gegeven, dat de partner het hier aanvankelijk niet mee eens was, maar dat hij zijn vrouw niet tegen wilde spreken. De kantonrechter leidt hieruit af dat de man zich uiteindelijk bij de instemming neer heeft gelegd en dat door de bewoners van [adres 3] dus gezamenlijk is ingestemd met het voorstel.
Door [gedaagde partijen] is benoemd dat in één van de woningen de medehuurster er feitelijk niet woont, maar in het buitenland verblijft. Door haar is niet ingestemd met het voorstel. Ook voor gedaagden 8 en 9 geldt dat de medehuurder niet heeft ingestemd, zo stellen [gedaagde partijen] De kantonrechter oordeelt dat niet is gesteld of gebleken dat voornoemde medehuurders het niet eens waren met het verlenen van instemming door de huurder. Land van Altena heeft daarom terecht aangenomen dat de huurders hebben ingestemd met het renovatievoorstel.
De kantonrechter concludeert dan ook dat er geen fouten zijn gemaakt bij het tellen van de instemming van de huurders met het renovatievoorstel en dat de drempel van 70% is gehaald, zoals neergelegd in artikel 7:220 lid 3 BW.
Geen sprake van dwaling
Voor de vraag of sprake is van dwaling moet de kantonrechter – kort gezegd – beoordelen of Land van Altena nagelaten heeft bepaalde informatie te verstrekken of dat zij een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven voorafgaand aan de verleende instemming met het voorstel, terwijl gedaagden 2 tot en met 7 en 9 niet hadden ingestemd met het voorstel bij een juiste voorstelling van zaken (artikel 7:228 lid 1 sub b BW), dan wel moet de kantonrechter beoordelen of partijen van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (artikel 7:228 lid 1 sub c BW).
[gedaagde partijen] voeren aan dat de eerder door gedaagden 2 tot en met 7 en 9 verstrekte instemmingen vernietigbaar zijn op grond van dwaling (artikel 6:228 BW). Ter onderbouwing van hun standpunt voeren zij aan dat sprake is van een schending van de mededelingsplicht door Land van Altena ten aanzien van asbestonderzoek en dat essentiële informatie over het energieverbruik van het WTW-systeem ontbreekt. Daarnaast voeren zij aan dat sprake is van een gezamenlijke onjuiste veronderstelling omtrent de bouwkundige gelijkvormigheid van de woningen.
De kantonrechter oordeelt dat het beroep op dwaling niet slaagt en legt hierna uit waarom.
Asbestonderzoek
Allereerst wijzen [gedaagde partijen] erop dat het asbestonderzoek pas plaatsvindt nadat de instemmingsronde is aangevangen en er bij het geven van toestemming in oktober 2025 dus nog niet bekend was of asbest in de woningen aanwezig is. In de brochure “Bouwstroomwoningen” van Land van Altena is vermeld “7. Asbestsanering
We onderzoeken de woningen op asbest. Als er asbest aanwezig is dat niet veilig kan blijven zitten, verwijderen we dit op een veilige en verantwoorde manier. Dit noemen we asbestsanering. Op dit moment weten we nog niet of er asbest in de woningen zit die gesaneerd moet worden. Dit onderzoeken we nog.”
De kantonrechter oordeelt dat door Land van Altena geen onjuiste mededeling is gedaan op dit punt. Dat het asbestonderzoek pas wordt gedaan nadat huurders hebben ingestemd met het voorstel maakt niet dat door hen is gedwaald. Zij zijn immers met de brochure hierover correct geïnformeerd. Bovendien is er geen verplichting voor Land van Altena om voorafgaand aan het verlenen van instemming te onderzoeken of asbest in de woningen aanwezig is die niet veilig kan worden verwijderd.
Het ontbreken van essentiële informatie over het energieverbruik van het WTW-systeem
[gedaagde partijen] voeren vervolgens aan dat het WTW-systeem een continu werkend, elektrisch apparaat is dat wordt aangesloten op het private energiecontract van de individuele bewoner. Door Land van Altena is geen concrete verbruiksberekening per woning overgelegd of gedeeld voorafgaand aan de instemming. Hierdoor zijn voor hen de financiële gevolgen voor hun eigen energierekening niet inzichtelijk gemaakt. De kantonrechter merkt op dat in de brochure “Bouwstroomwoningen” kort is ingegaan op het energieverbruik. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van huurders gelegen om hierover zelf meer informatie in te winnen als zij daar behoefte aan hadden voordat zij hun instemming gaven aan het voorstel. Nu de huurders dit niet hebben gedaan neemt de kantonrechter aan dat zij dit destijds kennelijk niet nodig vonden.
Gezamenlijke onjuiste veronderstelling omtrent de bouwkundige gelijkvormigheid van de woningen.
[gedaagde partijen] stellen dat bepaalde woningen een tussenmuur missen tussen de keuken en de woonkamer, terwijl het standaardontwerp daar wel van uitgaat. De woningen zijn dus niet bouwkundig identiek aan elkaar. [gedaagde partijen] hebben niet gesteld voor welke huurders dit zou gelden. Dit punt is onvoldoende geconcretiseerd en kan daarom niet tot een geslaagd beroep op dwaling leiden.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat de verweren van [gedaagde partijen] niet slagen. De kantonrechter oordeelt dat het onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van dwaling. Dit betekent dat de instemmingen van gedaagden 2 tot en met 7 en 9 niet vernietigbaar zijn wegens dwaling. De conclusie luidt dan ook dat meer dan 70% van de bewoners van het complex heeft ingestemd met het voorstel van Land van Altena. Door [gedaagde partijen] is niet binnen acht weken een procedure gestart om het voorstel van Land van Altena op zijn redelijkheid te laten toetsen. Daarmee is de redelijkheid van het voorstel van Land van Altena vast komen te staan. Dit maakt dat de kantonrechter niet toekomt aan een belangenafweging. De vordering van Land van Altena om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de werkzaamheden zoals beschreven en opgesomd in de bewonersbrochure “Bouwstroomwoningen” zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen zoals in de beslissing is bepaald.
Alle overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking meer, nu deze niet relevant zijn voor de beoordeling en niet leiden tot een ander oordeel.
Gevorderde tijdelijke ontruiming
[gedaagde partijen] stellen dat de gevorderde tijdelijke ontruiming disproportioneel is en onvoldoende bepaald. De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 7:220 BW biedt een grondslag om huurders te verplichten om mee te werken aan renovatiewerkzaamheden. Voor zover ontruiming noodzakelijk is om huurders te laten voldoen aan deze verplichting, geeft artikel 558 Rv daarvoor een grondslag. Hoewel [gedaagde partijen] stellen dat onduidelijk is om welke werkzaamheden het gaat, oordeelt de kantonrechter dat dit voldoende duidelijk is, nu deze werkzaamheden volgen uit de brochure “Bouwstroomwoningen”. Daarmee zijn de werkzaamheden voldoende bepaald. [gedaagde partijen] stellen dat de vordering tot tijdelijke ontruiming niet is onderbouwd met onder meer: een concreet uitvoeringsschema per woning, de maximale duur en een regeling voor herstel van schade, maar naar het oordeel van de kantonrechter is dat ook niet nodig. De vordering tot tijdelijke ontruiming is ook niet disproportioneel. [gedaagde partijen] hebben namelijk de mogelijkheid om hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden. Pas als zij niet vrijwillig hun medewerking verlenen, heeft Land van Altena de mogelijkheid om de woning te ontruimen voor zover nodig en voor de duur van de werkzaamheden. De kantonrechter zal niet bepalen dat dit ter uitsluitende beoordeling van Land van Altena is, omdat hiermee een te vergaande bevoegdheid aan één van de partijen zou worden verleend. Deze vordering zal daarom worden toegewezen zoals in de beslissing is bepaald.
Proceskosten
[gedaagde partijen] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Land van Altena worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
163,79
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.311,79
6. De beslissing
De kantonrechter
[gedaagde partijen] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis, de uitvoering van de werkzaamheden in de woning en/of bijbehorende onroerende aanhorigheden aan de [adres 4] ( [gedaagde 1] ), [adres 5] ( [gedaagde 2] ), [adres 6] ( [gedaagde 3] ), [adres 7] ( [gedaagde 4] ), [adres 8] ( [gedaagde 5] ), [adres 9] ( [gedaagde 6] ), [adres 10] ( [gedaagde 7] ), [adres 11] ( [gedaagde 8] en [gedaagde 9] ) en [adres 12] ( [gedaagde 10] en [gedaagde 11] ) te [woonplaats] , [gemeente] , zoals beschreven en opgesomd in de in de procedure ingebracht bewonersbrochure “Bouwstroomwoningen", te gehengen en te gedogen en daaraan alle noodzakelijk medewerking te verlenen, waaronder de door Land van Altena met de uitvoering van de werkzaamheden belaste perso(o)n(nen) toe te laten voor de uitvoering van de werkzaamheden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag of gedeelte daarvan (met een maximum van € 5.000,00), indien [gedaagde partijen] deze medewerking niet verlenen,
[gedaagde partijen] te veroordelen - wanneer zij niet vrijwillig aan de hiervoor onder 6.1 ogenomen veroordeling voldoen – de woning en/of de onroerende aanhorigheden aan de [adres 4] ( [gedaagde 1] ), [adres 5] ( [gedaagde 2] ), [adres 6] ( [gedaagde 3] ), [adres 7] ( [gedaagde 4] ), [adres 8] ( [gedaagde 5] ), [adres 9] ( [gedaagde 6] ), [adres 10] ( [gedaagde 7] ), [adres 11] ( [gedaagde 8] en [gedaagde 9] ) en [adres 12] ( [gedaagde 10] en [gedaagde 11] ) te [woonplaats] , [gemeente] , met al de personen die daarin zijdens [gedaagde partijen] verblijven, tijdelijk, dat wil zeggen voor de duur van de werkzaamheden, en voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden te ontruimen, zodat Land van Altena alle werkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met de in de bewonersbrochure “Bouwstroomwoningen” omschreven werkzaamheden, te realiseren en kan doen uitvoeren, een en ander te bewerkstelligen door de gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het bepaalde in de artikel 558 sub b jo. 556 lid 1 jo. 557 Rv,
veroordeelt [gedaagde partijen] in de proceskosten van € 1.311,79, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.