Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-111372-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. B.E.M. van Andel en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht gericht op de in-/uitvoer, bewerking en/of vervaardiging van cocaïne en/of (met)amfetamine.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de in-/uitvoer en productie in verdovende middelen zoals ten laste is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van verdovende middelen. Verdachte heeft op verzoek van een bekende met zijn auto chemicaliën vervoerd, maar hij dacht dat het schoonmaakmiddel voor metaal was. Verdachte had geen opzet op voorbereidingshandelingen voor de in-/uitvoer en handel in verdovende middelen. Bovendien kan er uit het dossier onvoldoende worden afgeleid dat sprake is van medeplegen van voorbereidingshandelingen aan de zijde van verdachte. Verdachte heeft geholpen met het tillen van de jerrycans, maar dit moet enkel worden gezien enkel als sociaal wenselijk gedrag. Dit is onvoldoende om tot medeplegen van voorbereidingshandelingen te komen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 13 april 2026 omstreeks 18:35 uur werd naar aanleiding van een ANPR-hit (Automatic Number Plate Recognition) op een Skoda Octavia met het Zwitsers [kenteken 1] , ten behoeve van een controle, dat voertuig waarin verdachte reed gecontroleerd. Het voertuig reed op de A16 ter hoogte van Zevenbergschen Hoek richting de Belgische grens. Naar aanleiding van deze melding in verband met ondermijnende criminaliteit werd het voertuig door de politie op de Backer en Ruebweg te Prinsenbeek staande gehouden. Vervolgens trof de politie in het voertuig van verdachte 17 jerrycans van 20 liter aan, voorzien van etiketten met aanduidingen van (giftige) chemische stoffen. Volgens de geraadpleegde eenheidscoördinator Synthetische drugs werd de aangetroffen combinatie van chemicaliën alleen gebruikt voor een cocaïnewasserij.
Verdachte verklaarde dat hij zojuist van een locatie aan [adres 1] in [plaats] kwam. De politie stelde vervolgens een onderzoek in naar die locatie. Op camerabeelden van een camera gericht op het terrein aan [adres 2] in [plaats], is te zien dat de bestuurder van de Skoda Octavia op 13 april 2026 het binnenterrein oprijdt. Op dat terrein staat dan ook een witte Opel Combo met [kenteken 2] . Op de beelden is te zien dat verdachte en de bestuurder van de witte Opel Combo samen witte en blauwe jerrycans uit [garagebox] halen en deze in beide voertuigen laden. Bij het daaropvolgende onderzoek werd op 14 april 2026 in de loods een grote hoeveelheid chemicaliën (ruim 2000 liter) aangetroffen. Naast het voertuig van verdachte zijn ook in de laadruimte van de witte Opel Combo chemicaliën aangetroffen.
LFO
Uit het onderzoek van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) blijkt dat de aangetroffen goederen en chemicaliën typisch zijn voor locaties waar synthetische drugs en/of precursoren vervaardigd worden. De aangetroffen chemicaliën zijn alle chemicaliën welke gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs.
De combinatie van deze chemicaliën met de diverse mislabelde jerrycans maakt dat deze stoffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bedoeld zijn om gebruikt te gaan worden bij de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs en/of cocaïne.
NFI
Uit het rapport van het NFI blijkt verder dat de onderzochte materialen die zijn aangetroffen in de auto op de Backer en Ruebweg te Prinsenbeek, in de loods aan de [adres 2] te [plaats] en in de Opel Combo geparkeerd op het [straat] te [plaats], gebruikt worden bij de vervaardiging en/of bewerking van diverse drugs. Zwavelzuur wordt ook gebruikt bij de vervaardiging van drugsprecursoren. De combinatie van dichloormethaan, ethylacetaat, tolueen, aceton, MEK, IRA, zwavelzuur, ammonia en methanol wordt gebruikt bij de bewerking van cocaïne.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij een dag voor zijn rit naar Nederland telefonisch door een kennis genaamd [naam] was gevraagd om goederen in [plaats] op te halen en deze naar een andere, nog door te geven, locatie te vervoeren. Hiervoor zou hij € 500,- ontvangen. Volgens verdachte bevatten de jerrycans in zijn auto oplosmiddelen die worden gebruikt voor het schoonmaken van bouwmaterialen en gebruikte metalen. Hij heeft verklaard niet te hebben geweten dat de stoffen bestemd waren voor illegale activiteiten.
Opzet en wetenschap
Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap van en de beschikkingsmacht over de aangetroffen goederen en chemicaliën had. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.
Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een persoon wordt geacht wetenschap te hebben van de in zijn voertuig aanwezige goederen, tenzij er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit voortvloeit dat dit in dit specifieke geval anders is. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de jerrycans in het voertuig waarin hij reed en daarover kon beschikken, Uit de camerabeelden blijkt immers dat verdachte zelf de jerrycans in zijn voertuig heeft geladen en de chemicaliën heeft vervoerd.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij dacht oplosmiddelen en schoonmaakmiddelen op te halen en te vervoeren, niet aannemelijk gelet op de aard en de hoeveelheid chemicaliën in zijn auto, de voor de verdachte zichtbare voorraad van ruim 2000 liter chemicaliën in de loods waar hij een selectie van jerrycans meenam, de etiketten op de jerrycans waaruit blijkt dat het giftige chemicaliën betroffen en de vergoeding die hij voor het vervoer zou ontvangen. Hiermee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze bestemd waren voor het produceren van harddrugs, volgens de deskundigen ook het voornaamste doel voor deze combinatie van goederen. Voorts is de verklaring van verdachte niet geloofwaardig voor wat betreft het verzoek dat hij zegt te hebben gekregen van een kennis. Verdachte verklaart dat hij de goederen moest ophalen in [plaats] en later het adres zou krijgen waar hij ze naartoe moest brengen. Verdachte zegt dat hij al richting België reed terwijl hij nog niet had doorgekregen waar hij de goederen moest afleveren. Hij zegt daar niet op te hebben gewacht en heeft België als bestemming ingevoerd. De rechtbank houdt het er voor dat zijn bestemming België was.
Voorbereidingshandelingen
De vraag is vervolgens of verdachte met deze goederen voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de productie van amfetamine en/of cocaïne, waaronder de in - en/of uitvoer daarvan. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval was. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld, volgt dat de in zijn auto en loods aangetroffen goederen geschikt waren voor de productie van synthetische drugs. Het aantreffen van de bovengenoemde grote hoeveelheid chemicaliën kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij dienden als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.
Medeplegen
De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van medeplegen. Door als vervoerder van de chemicaliën te fungeren, heeft verdachte een actieve en essentiële bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen. De rechtbank stelt vast dat verdachte met een medeverdachte in de loods is gezien. Hij heeft nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte door gezamenlijk de chemicaliën in te laden en deze vervolgens te vervoeren. De opslag en het vervoer van deze chemicaliën vormen een belangrijke schakel in de illegale keten die gericht is op de verwerking van harddrugs. Zonder opslagplek of het vervoer kunnen de drugs niet worden geproduceerd. Het handelen van verdachte kan worden beschouwd als een materiële bijdrage van voldoende gewicht om als medeplegen te kunnen kwalificeren.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de bewerking van cocaïne en/of het vervaardigen van (met)amfetamine, zoals hieronder onder 4.4 weergegeven.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 april 2026 te [plaats] en te Prinsenbeek, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van een of meer hoeveelheden van materialen bevattende cocaïne en/of (met)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededaders opzettelijk- een ruimte ter beschikking gesteld, waar grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen opgeslagen staan en- grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een geldboete ter hoogte van € 20.000,-.
Daarnaast heeft zij op grond van artikel 13d van de Opiumwet gevorderd verdachte te veroordelen tot vergoeding van de kosten gemaakt voor het opruimen en vernietigen van de in beslag genomen goederen in de auto van verdachte, te weten een bedrag van € 2.404,35.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de gevorderde maatregel kostenverhaal stelt hij dat vanwege het ontbreken van de hoofdelijkheid er geen ruimte meer is om verdachte deze maatregel op te leggen als de medeverdachte ook moet betalen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs of bewerking van cocaïne. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gespeeld in een vroeg stadium van de productie of bewerking van deze drugs. Desalniettemin is het handelen van verdachte te kwalificeren als essentieel voor het vervaardigen of bewerken ervan. Ondanks het feit dat verdachte door het vervoeren van de chemicaliën een ondersteunende rol heeft gehad, vormt hij tegelijkertijd een onmisbare schakel in de productie en de uiteindelijke verkoop en het gebruik van verdovende middelen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Voor de productie van synthetische drugs wordt immers gebruik gemaakt van chemische grondstoffen, die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. Verder leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op en gaat de handel in drugs gepaard gaat met andere, ernstige vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.
Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet in het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 september 2026 dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles overwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Voor het opleggen van een voorwaardelijke straf ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank ziet, gelet op de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet, het feit dat het nu om een eenmalige gebeurtenis gaat en verdachte hier kennelijk geen geld aan heeft overgehouden, geen aanleiding om een geldboete op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de auto van verdachte waren namelijk goederen en stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en er zijn kosten gemaakt voor de afvoer ter vernietiging. De kosten voor het afvoeren en vernietigen van de hoeveelheid chemicaliën die verdachte bij zich had, bedragen volgens het Rapport maatregel kostenverhaal in totaal € 2.404,35. De rechtbank stelt vast dat de kosten zijn gemaakt en voldaan en bovendien zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. De rechtbank zal het bedrag zoals door de officier van justitie gevorderd daarom toewijzen en legt aan verdachte op de maatregel kostenverhaal voor een bedrag van € 2.404,35.
Op grond van het bepaalde in artikel 13d, lid 3 van de Opiumwet jo. artikel 36e lid 11, van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 96 dagen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet op.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 13d van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde hetvolgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt aan verdachte de verplichting op tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en stelt het te betalen bedrag van die kosten vast op een bedrag van € 2.404,35 (tweeduizend vierhonderdvier euro en vijfendertig eurocent);
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 96 (zesennegentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. M.E.I. Beudeker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 21 oktober 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 13 april 2026 te [plaats] en/of te Prinsenbeek, gemeente Breda,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan een of meer hoeveelhe(id(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne en/of (met)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk- een ruimte ter beschikking, waar grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen opgeslagen staan en/of- grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad.( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 11b lid 1 Opiumwet, art 2 ahf/ond D Opiumwet )