ECLI:NL:RBZWB:2026:10218

ECLI:NL:RBZWB:2026:10218

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 02-111556-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs of bewerking van cocaïne. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 197 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar, in combinatie met een taakstraf van 240 uur. Daarnaast wordt de maatregel kostenverhaal opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-111556-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] ,

raadsvrouw mr. R. van den Hemel, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. B.E.M. van Andel en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht gericht op de in-/uitvoer, bewerking en/of vervaardiging van cocaïne en/of (met)amfetamine.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de in-/uitvoer en productie in verdovende middelen zoals ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van verdovende middelen. Verdachte heeft slechts zijn loods ter beschikking gesteld voor een vriend voor opslag van diens spullen. Toen verdachte zag dat het geen gewone spullen waren die werden gebracht maar chemicaliën heeft hij getracht van die spullen af te komen. Hij heeft daarbij een aantal jerrycans in zijn auto vervoerd. Verdachte had echter niet het vereiste opzet op voorbereidingshandelingen of bevordering daarvan en heeft ook met niemand samengewerkt.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op 13 april 2026 omstreeks 18:35 uur werd naar aanleiding van een ANPR-hit (Automatic Number Plate Recognition) in verband met ondermijnende criminaliteit, op de A16 een Skoda Octavia met het Zwitsers [kenteken 1] , gecontroleerd. Het voertuig reed op de A16 richting de Belgische grens. In het voertuig werden 17 jerrycans van 20 liter met chemicaliën aangetroffen. De bestuurder, medeverdachte, verklaarde dat hij kort daarvoor van een locatie aan [adres 2] in [plaats] kwam. Naar aanleiding hiervan stelde de politie een onderzoek in naar die locatie.

Uit de beelden van een camera gericht op het terrein aan [adres 3] in [plaats] , is te zien dat de bestuurder van de Skoda Octavia het binnenterrein oprijdt. Op dat terrein staat ook een witte Opel Combo met [kenteken 2] , die aan verdachte toebehoorde. Op de beelden is verder te zien dat verdachte samen met de bestuurder van de Skoda Octavia, medeverdachte, witte en blauwe jerrycans uit de [garagebox] haalt en deze in beide voertuigen inlaadt. Verdachte is huurder van deze loods.

De loods werd vervolgens op 14 april 2026 door de politie betreden ter inbeslagname. In de loods werd een grote hoeveelheid chemicaliën (ruim 2000 liter) en drugsgerelateerde goederen aangetroffen. Ook in de laadruimte van de auto van verdachte, geparkeerd bij zijn woning in [plaats] , zijn verschillende drugsgerelateerde goederen en chemicaliën aangetroffen.

LFO

Uit het onderzoek van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) blijkt dat de aangetroffen goederen en chemicaliën typisch zijn voor locaties waar synthetische drugs en/of precursoren vervaardigd worden. De aangetroffen chemicaliën zijn alle chemicaliën welke gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs.

De combinatie van deze chemicaliën met de diverse mislabelde jerrycans maakt dat deze stoffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bedoeld zijn om gebruikt te gaan worden bij de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs en/of cocaïne.

NFI

Uit het rapport van het NFI blijkt verder dat de onderzochte materialen die zijn aangetroffen bij medeverdachte in de auto op de Backer en Ruebweg te Prinsenbeek, in de loods van verdachte aan de [adres 3] te [plaats] en in de auto van verdachte geparkeerd op [straat] te [plaats] , gebruikt worden bij de vervaardiging en/of bewerking van diverse drugs. Zwavelzuur wordt ook gebruikt bij de vervaardiging van drugsprecursoren. De combinatie van dichloormethaan, ethylacetaat, tolueen, aceton, MEK, IRA, zwavelzuur, ammonia en methanol wordt gebruikt bij de bewerking van cocaïne.

Opzet en wetenschap

Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in de artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap van en de beschikkingsmacht over de aangetroffen goederen en chemicaliën had. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.

De rechtbank stelt vast dat de goederen en chemicaliën zijn aangetroffen in een loods die verdachte huurde. Als uitgangspunt geldt dat verdachte wordt geacht te weten wat er in zijn loods aanwezig is. Verdachte heeft verklaard dat hij een vriend toestemming had gegeven om tegen een vergoeding gewone spullen in de loods op te slaan. Toen de pallets met chemicaliën werden bezorgd, dacht hij meteen, in eigen woorden, dat het foute boel was. Verdachte zegt vanaf dat moment getracht te hebben van die spullen af te komen. Verdachte heeft wel toegelaten dat de pallets met chemicaliën in zijn loods werden geplaatst en daar hebben zij vanaf het moment van bezorgen op 9 april 2026 tot de dag van onderhavig feit en de ontdekking op 13 april 2026 gestaan. Hij zegt dat hij wilde dat de pallets met chemicaliën uit zijn loods werden weggehaald, maar dat hij door niet met naam genoemde personen werd bedreigd. Verdachte heeft hiervan echter geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt waardoor de politie de door hem geschetste gang van zaken niet heeft kunnen verifiëren. De rechtbank laat in het midden of verdachte voor de aankomst van de pallets met chemicaliën hiervan op de hoogte is geweest en of hij bedreigd werd. Dit maakt het feit dat hij chemicaliën in zijn loods opgeslagen had staan, niet anders.

Voorbereidingshandelingen

De vraag is vervolgens of verdachte met deze goederen voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de productie van amfetamine waaronder de in - en/of uitvoer daarvan. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval was. Uit hetgeen hiervoor is beschreven volgt dat de in de loods, zijn auto en de auto van de medeverdachte aangetroffen chemicaliën, geschikt waren voor de productie van synthetische drugs. Het aantreffen van de bovengenoemde grote hoeveelheid chemicaliën kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij dienden als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Door deze chemicaliën in zijn loods op te slaan, een deel aan medeverdachte mee te geven en ook een gedeelte daarvan in zijn eigen auto te vervoeren, heeft verdachte voorbereidingshandelingen getroffen in de zin van de Opiumwet. De opslag en het daarna verspreiden zijn noodzakelijke tussenstappen in de keten voor de productie en het bewerken van harddrugs. Door zijn handelen heeft verdachte hier aan bijgedragen.

Medeplegen

De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van medeplegen. De chemicaliën zijn door een ander bezorgd bij de loods en vervolgens in de loods van verdachte opgeslagen. Verdachte heeft vier dagen later een hoeveelheid hiervan aan medeverdachte meegegeven. Hij heeft aldus nauw en bewust samengewerkt met in ieder geval de medeverdachte. De opslag en het vervoer van deze chemicaliën vormen een belangrijke schakel in de illegale keten die gericht is op de verwerking van harddrugs. Zonder opslagplek of het vervoer kunnen de drugs niet worden geproduceerd. Het handelen van verdachte kan daarom worden beschouwd als een materiële bijdrage van voldoende gewicht om als medeplegen te kunnen kwalificeren.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de in- en/of uitvoer, bewerking van cocaïne en/of het vervaardigen van (met)amfetamine, zoals hieronder onder 4.4 weergegeven.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 april 2026 te [plaats] en te Prinsenbeek, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van een of meer hoeveelheden van materialen bevattende cocaïne en/of (met)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen - stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededaders opzettelijk- een ruimte ter beschikking gesteld, waar grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen opgeslagen staan en- grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, in combinatie met een geldboete ter hoogte van € 20.000,-.

Daarnaast heeft zij op grond van artikel 13d van de Opiumwet gevorderd verdachte te veroordelen tot vergoeding van de kosten gemaakt voor het opruimen en vernietigen van de

in beslag genomen goederen in de loods en auto van verdachte, te weten een bedrag van

€ 16.437,83.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring in de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de context waarbinnen dit alles is gebeurd en de bedreigende situatie waarbij verdachte voor een voldongen feit stond en er geen sprake is van recidive. Ten aanzien van de gevorderde geldboete en de maatregel kostenverhaal stelt zij dat deze niet moet worden opgelegd, omdat het in geval van verdachte niet passend is en hij het niet kan betalen.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs of bewerking van cocaïne. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gespeeld in een vroeg stadium van de productie van deze drugs. Desalniettemin is het handelen van verdachte te kwalificeren als essentieel voor het vervaardigen of bewerken ervan. Ondanks het feit dat verdachte een ondersteunende rol heeft gehad, vormt hij tegelijkertijd een onmisbare schakel in de productie en de uiteindelijke verkoop en het gebruik van verdovende middelen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Voor de productie van synthetische drugs wordt immers gebruik gemaakt van chemische grondstoffen, die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. Verder leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Tot slot gaat de handel in drugs gepaard gaat met andere, ernstige vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft in het uittreksel uit de justitiële documentatie van

4 september 2026 gezien dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 oktober 2026. Daarin komt naar voren dat geen sprake is van een delictpatroon, maar dat het gebrek aan de juiste copingvaardigheden gezien dient te worden als een risicofactor. Daarnaast kampt verdachte al jarenlang met forse schuldenproblematiek. Dit levert hem al lange tijd veel stress op en zorgt ervoor dat hij altijd onder hoogspanning staat, hetgeen van invloed is op de keuzes die hij maakt. Verdachte werkt goed mee aan het huidige schorsingstoezicht en de door de reclassering ingezette begeleiding vanuit [organisatie] . Gelet op zijn ontkennende verklaring kan het recidiverisico niet worden ingeschat. De reclassering adviseert om in geval van een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

Strafoplegging

De rechtbank gaat bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf uit van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en van straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist. Vanwege de beperkte rol van verdachte en diens zwaarwegende persoonlijke omstandigheden en gelet op het advies van de reclassering, acht de rechtbank een andere straf dan geëist passend. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte sinds 25 juni 2026 onder toezicht van de reclassering heeft gestaan in het kader van schorsingsvoorwaarden en zeer positief aan de slag is gegaan. De hulpverlening is van groot belang om recidive in de toekomst te voorkomen en hetgeen verdachte met moeite onlangs heeft opgebouwd te behouden. De rechtbank ziet dan ook reden om de maximale taakstraf op te leggen met een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 197 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar, in combinatie met een taakstraf van 240 uur passend en geboden. Met dit voorwaardelijk strafdeel wordt enerzijds de ernst van het feit benadrukt en anderzijds dient het als stevige stok achter de deur voor verdachte.

De rechtbank ziet, gelet op het feit dat dit kennelijk een eenmalige gebeurtenis was waar verdachte geen geld voor heeft ontvangen, alsmede de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet en de financiële omstandigheden van verdachte, geen aanleiding om naast de (voorwaardelijke) gevangenisstraf en taakstraf nog een geldboete op te leggen.

Maatregel kostenverhaal

De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de loods in [plaats] en in de auto van verdachte waren namelijk goederen en stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en er zijn kosten gemaakt voor de afvoer ter vernietiging. De kosten voor het afvoeren en vernietigen van die goederen bedragen volgens het Rapport maatregel kostenverhaal in totaal € 16.437,83. De rechtbank stelt vast dat de kosten zijn gemaakt en voldaan en bovendien zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. De rechtbank zal het bedrag zoals door de officier van justitie gevorderd daarom toewijzen en legt aan verdachte op de maatregel kostenverhaal voor een bedrag van € 16.437,83.

Op grond van het bepaalde in artikel 13d lid 3 van de Opiumwet jo. artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 657 dagen.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 13d van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 270 (tweehonderdzeventig) dagen, waarvan 197 (honderdzevenennegentig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van

2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. dat verdachte zich laat begeleiden/behandelen door ambulante forensische begeleidings- of behandelinstelling, wanneer de reclassering dit nodig acht en zolang de reclassering de

begeleiding/behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De

behandeling is gericht op cognitieve en sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek;

3. dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;

Maatregel

- legt aan verdachte de verplichting op tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en stelt het te betalen bedrag van die kosten vast op een bedrag van € 16.437,83 (zestienduizend vierhonderdzevenendertig euro en drieëntachtig eurocent);

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 657 (zeshonderdzevenenvijftig) dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. M.E.I. Beudeker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is

uitgesproken ter openbare zitting op 21 oktober 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 13 april 2026 te [plaats] en/of te Prinsenbeek, gemeente Breda,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van een of meer hoeveelhe(id(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne en/of (met)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk- een ruimte ter beschikking, waar grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen opgeslagen staan en/of- grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad.( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 11b lid 1 Opiumwet, art 2 ahf/ond D Opiumwet )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand