ECLI:NL:RBZWB:2026:10219

ECLI:NL:RBZWB:2026:10219

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 02.348811.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling schuldwitwassen, babbeltruc, bezit wapen en munitie, onderhandeling over wapens en munitie, voorbereidingshandelingen cocaïne. Gevangenisstraf 36 maanden, met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Bijzondere voorwaarden. Vorderingen tul toewijzen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-348811-25

Parketnummers TUL: 10-069543-23; 10-111499-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: € 1.850,- heeft witgewassen;

feit 2: samen met anderen, een bankpas, creditcard, paspoort en telefoon heeft gestolen van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) door zich voor te doen als politieagent;

feit 3: samen met anderen, sieraden en een contant geldbedrag heeft gestolen van [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) door zich voor te doen als politieagent;

feit 4: wapens, onderdelen van wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

feit 5: samen met anderen heeft onderhandeld over de verkoop en levering van wapens, onderdelen en munitie;

feit 6: voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de handel in cocaïne.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht voor feit 1 het schuldwitwassen wettig en overtuigend bewezen. Niet kan worden bewezen dat verdachte directe betrokkenheid heeft gehad bij het plegen van het feit bij [benadeelde 1] , waardoor hij vrijspraak vordert van feit 2. Wel kan feit 3 wettig en overtuigend worden bewezen, omdat verdachte zich als politieagent heeft voorgedaan bij [benadeelde 2] en daar de sieraden en het geldbedrag heeft meegenomen. Voor feit 4 kunnen de eerste drie gedachtestreepjes worden bewezen. Hij vordert vrijspraak van de laatste drie gedachtestreepjes, omdat onvoldoende vast staat of dit echte wapens zijn en of, en zo ja wanneer of waar, verdachte deze voorhanden heeft gehad. Voor feit 5 kan worden bewezen dat verdachte heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens, onderdelen en munitie in de periode zoals tenlastegelegd. Ten aanzien van feit 6 kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 20 mei 2025 tot en met 20 juni 2025 zich en een ander gelegenheid en inlichting heeft verschaft voor de verkoop van cocaïne.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit verdachte integraal vrij te spreken van de feiten 1, 2, 3 en 6. Voor feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank waar het de eerste drie gedachtestreepjes betreft en verzoekt zij vrijspraak voor de laatste drie gedachtestreepjes. Ten aanzien van feit 5 verzoekt de verdediging om verdachte vrij te spreken van het medeplegen en om bij de resterende bewezenverklaring rekening te houden met het incidentele karakter van de communicatie, het beperkte aantal relevante dagen en het ontbreken van vastgestelde leveringen.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Verdachte wordt verweten dat hij op 24 november 2025 € 1.850,- heeft witgewassen, in de opzet- dan wel de schuldvariant.

Verdachte erkent dat hij op 24 november 2025 vanaf de rekening van [benadeelde 1] een bedrag ter hoogte van € 1.850,- heeft ontvangen op zijn bankrekening en dat hij daarvan vervolgens € 1.500,- contant heeft opgenomen.

De verdediging heeft aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat het ontvangen bedrag van misdrijf afkomstig was.

Verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag dat hij had ontvangen op zijn rekening niet voor hem bedoeld was, maar voor zijn [neef] (hierna: [neef] ). Zijn neef had hem gevraagd of een bedrag voor de neef naar de rekening van verdachte mocht worden overgemaakt. Verdachte had geen idee van wie het geld afkomstig was, maar zijn neef had tegen hem gezegd dat hij nog geld kreeg van zijn werk. Verdachte zou voor het ontvangen en het contant opnemen van het geld een bedrag van € 300,- krijgen. Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij niet wist of zijn neef werk had.

De rechtbank stelt vast dat het bedrag is overgeboekt naar verdachte vanaf een rekening van een particulier, namelijk [benadeelde 1] , en dus niet door een bedrijfsrekening. Daarnaast stond als omschrijving bij het geldbedrag vermeld het woord ‘sparen’. In tegenstelling tot de verklaring van verdachte, betreft het geldbedrag dus duidelijk geen loon of onkostenvergoeding. Bovendien heeft verdachte op zitting verklaard dat hij geen nadere vragen aan zijn neef heeft gesteld. Dit had wel van verdachte verwacht mogen worden nu hij al eerder in opdracht van zijn neef heeft meegewerkt aan een babbeltruc en daar ook voor is veroordeeld.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in ieder geval redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het schuldwitwassen kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2

Verdachte wordt verweten dat hij op 24 november 2025 samen met anderen een bankpas, creditcard, paspoort en telefoon heeft gestolen van [benadeelde 1] , door zich voor te doen als politieagent.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte directe betrokkenheid had bij het plegen van deze gekwalificeerde diefstal bij [benadeelde 1] op 24 november 2025. Aangeefster heeft een concrete omschrijving gegeven van de persoon die aan haar deur is verschenen en dat past niet bij verdachte Daarnaast blijkt uit het dossier dat de locatie van de telefoon van verdachte rond de ontvangst en de opname van het geld wordt geplaatst in [plaats 2] , terwijl aangeefster [benadeelde 1] woont in [plaats 1] . Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van verdachte bij dit feit en de rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.

Feit 3

Verdachte wordt verweten dat hij op 8 juni 2025 samen met anderen sieraden en een contant geldbedrag heeft gestolen van [benadeelde 2] door zich voor te doen als politieagent.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangeefster [benadeelde 2] op 8 juni 2025 omstreeks 14:30 uur thuis was in haar woning aan [woonadres] . Zij werd gebeld door een voor haar onbekend persoon die aangaf dat hij van de politie was en dat er twee criminelen vastzaten die gek waren op sieraden. De persoon aan de telefoon vroeg haar of zij sieraden thuis had liggen en vertelde haar dat de politie foto’s van deze sieraden moest maken en dat hiervoor een politieagent langs zou komen. Vervolgens werd er bij haar aangebeld. Zij kon op het scherm bij de deurbel zien dat er een man voor de deur stond. Zij heeft die man binnengelaten. Aan deze man heeft zij de sieraden en het geldbedrag afgegeven.

Verdachte heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris in zijn verhoren verklaard dat hij op 8 juni 2025 de spullen bij [benadeelde 2] heeft opgehaald. Op zitting is verdachte op deze bekentenis teruggekomen. Daar heeft hij verklaard dat het klopt dat hij bij [benadeelde 2] beneden, buiten, heeft aangebeld en dat hij vervolgens in het appartementencomplex is geweest, maar dat hij in de lift naar het appartement werd gebeld met het verzoek om zich voor te doen als nepagent en dat hij het daar niet mee eens was, waarop hij rechtsomkeert heeft gemaakt. Hij zegt dus op zitting dat hij niet bij [benadeelde 2] aan de deur is geweest om de spullen op te halen.

De rechtbank schuift de door verdachte gegeven verklaring op zitting als ongeloofwaardig terzijde. Door aangeefster is een signalement gegeven van de man die beneden, buiten bij haar heeft aangebeld en aan wie zij vervolgens de sieraden en het geldbedrag heeft afgegeven. Het door haar gegeven signalement past bij verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte nog steeds zegt dat hij wel beneden heeft aangebeld en het gebouw is binnen gegaan maar zich daarna heeft bedacht. Aangeefster geeft echter een duidelijke koppeling aan tussen de man die beneden aanbelde en degene aan wie ze de sieraden meegaf.

Voorts is het volgende van belang. Het dossier bevat camerabeelden en verdachte heeft op zitting bevestigd dat hij de persoon is die op de beelden te zien is. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte rond 18:37 uur het [nummer] intoetst op de intercom. Dit is het huisnummer van [benadeelde 2] . Hierna is te zien dat verdachte om 18:39 uur door de zojuist geopende schuifdeuren loopt, die toegang geven tot het appartementencomplex zelf. Om 18:51 uur verlaat verdachte vervolgens het complex weer. Verdachte is dus 12 minuten in het appartementencomplex geweest. De verklaring van verdachte ter zitting, dat hij zich in de lift heeft bedacht en is omgekeerd, past naar het oordeel van de rechtbank niet bij dit langere tijdsbestek. Het had in de rede gelegen dat verdachte dan al eerder het complex zou hebben verlaten. Daarbij komt dat op de beelden is te zien dat er niemand anders het complex heeft betreden nadat verdachte had aangebeld bij [benadeelde 2] .

Bij de diefstal is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen. [benadeelde 2] werd namelijk gebeld door een andere persoon dan verdachte, die vroeg of zij sieraden thuis had liggen en die zei dat er een politieagent langs zou komen om die op te halen. Verdachte is vervolgens degene geweest die de spullen bij haar heeft opgehaald. Deze bijdrage van ieder is van voldoende gewicht om te concluderen dat sprake is geweest van medeplegen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte samen met een of meer anderen sieraden en een contant geldbedrag heeft gestolen van [benadeelde 2] door zich voor te doen als politieagent en de spullen aan de deur op te halen.

Feit 4

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 28 oktober 2025 tot en met 4 februari 2026 verschillende soorten wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Naar aanleiding van voornoemde feiten is na de aanhouding van verdachte zijn iPhone 15 Pro Max veiliggesteld en onderzocht. In de DCIM-map van de telefoon werden meerdere foto’s en video’s aangetroffen van vuurwapens en op vuurwapens gelijkende voorwerpen. Uit de meta-data bij sommige van deze foto’s is af te leiden dat de betreffende foto’s zijn gemaakt op het adres van verdachte. Naar aanleiding hiervan is op 4 februari 2026 een doorzoeking geweest in de woning van verdachte, waarbij meerdere wapens, patronen en patroonhouders zijn aangetroffen en gecategoriseerd.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de eerste drie gedachtestreepjes van het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De daarin genoemde wapens, munitie en patroonhouders zijn daadwerkelijk in de slaapkamer van verdachte aangetroffen op 4 februari 2026. De rechtbank komt ten aanzien van het eerste gedachtestreepje tot de bewezenverklaring van één alarmpistool, nu maar één van beide aangetroffen vuurwapens daadwerkelijk is gecategoriseerd.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de gedachtestreepjes 4, 5 en 6. Deze wapens komen enkel op de foto’s en video’s in de telefoon van verdachte voor, maar het staat op grond van het dossier niet vast of dit echte wapens zijn en zo ja, wanneer en waar verdachte deze wapens voorhanden zou hebben gehad.

Feit 5

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 28 oktober 2025 tot en met 23 december 2025 samen met anderen heeft onderhandeld over de verkoop en levering van wapens, onderdelen van wapens en munitie.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast, dat verdachte in de gehele ten laste gelegde periode heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en/of levering van wapens, onderdelen en munitie. Op de iPhone 15 Pro Max van verdachte zijn meerdere chatberichten aangetroffen met vier contacten, te weten [contact 1] , [contact 2] , [contact 3] en [contact 4] . In deze chatgesprekken stuurde hij ook foto’s van wapens, onderdelen en munitie en maakte hij afspraken over prijzen en leveringen.

Zo volgt uit het gesprek met ‘ [contact 1] ’ dat verdachte bij [contact 1] informeert of hij mensen kent die nog een vuurwapen nodig hebben en of [contact 1] hem daarbij kan helpen. Verdachte geeft daarbij aan dat hij een Glock26 Gen 5 te koop heeft. Uit de chatgesprekken blijkt ook dat verdachte daadwerkelijk leverde. Zo volgt uit een chatgesprek met ‘ [contact 3] ’ dat er door verdachte aan iemand is verkocht die niet blij is met zijn levering, omdat de klant erachter was gekomen dat de onderkant niet origineel was en vervolgens heeft verdachte het over het oplossen van deze klacht.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is van medeplegen. Hoewel verdachte in contact stond met anderen, is er geen sprake gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

Alles afwegend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte in de periode van 28 oktober 2025 tot en met 23 december 2025 heeft onderhandeld over de verkoop en levering van wapens, onderdelen en munitie.

Feit 6

Verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode 20 mei 2025 tot en met 5 december 2025 schuldig heeft gemaakt aan het treffen voor voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 april 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:2702), aangevoerd dat de chatgesprekken onvoldoende wettig bewijs opleveren voor het tenlastegelegde, nu deze geen steun vinden in enig ander bewijs. De rechtbank overweegt dat in de zaak waar de verdediging naar verwijst het enkel ging om SkyECC-gesprekken die afkomstig waren van de server. Het bewijs berustte daar dan ook slechts op één bron.

Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavige zaak sprake van meer dan één bron. De iPhone 15 Max Pro van verdachte is onderzocht. Hierop zijn meerdere WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen verdachte en zijn neef [neef] . In deze berichten gaat het over de handel in cocaïne. Zo heeft er op 20 mei 2025 een gesprek plaatsgevonden waarbij [neef] de opdracht gaf aan verdachte om een video te maken. Op deze video is vervolgens te zien dat verdachte een plastic pakketje met daarin een blok, herkenbaar als cocaïne, openmaakt en er met een stanleymes op tikt. Op 31 mei 2025 heeft er vervolgens een gesprek plaatsgevonden waarbij verdachte aan zijn neef [neef] aangaf dat hij onderweg was, waarbij hoeveelheden (50 gr) en bedragen (20) worden genoemd. Tot slot sturen verdachte en zijn neef [neef] op 20 juni 2025 elkaar spraakberichten, waarin verdachte wordt benaderd voor een klus waarbij hij zijn vuurwapen moet meenemen omdat er ergens ‘2 blokken en een hoeveelheid geld’ zijn afgegeven. Gelet op de inhoud van de overige berichten, begrijpt de rechtbank dat wordt gedoeld op blokken cocaïne.

In de berichten wordt aldus gepraat over hoeveelheden, prijzen en leveringen. Het gaat daarbij om meerdere gesprekken op meerdere dagen. De inhoud van de berichten wordt daarnaast ondersteund door de verzonden foto’s en video’s waar door verdachte cocaïne in beeld wordt gebracht. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gesprekken die via WhatsApp zijn gevoerd, steun vinden in ander bewijs. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Over de tenlastegelegde periode is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 20 mei 2025 tot en met 20 juni 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de handel in cocaïne. Niet kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 21 juni 2025 tot en met 5 december 2025 bezig heeft gehouden met voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne. Hoewel er op de telefoon van verdachte wel foto’s zijn aangetroffen die dateren uit deze periode en waarop vermoedelijk verdovende middelen in beeld zijn, vormen enkel deze foto’s naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voor voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van dit deel van de periode in de tenlastelegging.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1op 24 november 2025 te [plaats 2] een geldbedrag van €1.850,00 heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden datdat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 3op 8 juni 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen- een gouden schakelarmband en- een gouden armbandhorloge en- een gouden armbandje en- een gouden halsketting en- drie witgouden ringen en een rozetring en- een geldbedrag van €470,00die aan [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen oederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtselsdoor:- die [benadeelde 2] te bellen en zich voor te doen als politieambtenaren en- tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat er criminelen actief zijn die gek zijn opsieraden en- tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat iemand van de politie langs zou komenom bovenstaande sieraden en geld op te halen en hier een foto van temaken en- naar de woning van die [benadeelde 2] te gaan en zich voor te doen als eenpolitieagent om vertrouwen te wekken en- bovenstaande sieraden en geld op te halen en- met bovenstaande sieraden en geld de woning te verlaten;

Feit 4op 4 februari 2026 te [plaats 2]

- een vuurwapen van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool van het merk BBM model 315 auto, kaliber 8mm knal en- hulpstukken voor en/of onderdelen van wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, die essentieel en van wezenlijke aard zijn voor die wapens, te weten meerdere patroonhouders/magazijnen en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid (94) kogelpatronen van het kaliber 6,35mm Browning en/of 7,65mm Browning en/of .32 (7,65mm) voorhanden heeft gehad;

Feit 5in de periode van 28 oktober 2025 tot en met 23 december 2025 in Nederland meermalenzonder erkenning

over en/of voor de aankoop, de verkoop en/of de levering van

een of meerdere vuurwapens en/of onderdelen hiervan van decategorie II en/of III van de WWM en/of munitie van de categorie II en/of III in de zin van artikel 2 lid 2 van de WWM,

heeft onderhandeld en/of transacties heeft geregeld door

- berichten te sturen naar personen (te weten “ [contact 1] ”, “ [contact 2] ”, “ [contact 3] ” en “ [contact 4] ”) en- in die berichten aan te sturen op de aankoop en/of verkoop van wapens door afspraken te maken over prijzen en- als tussenpersoon te fungeren voor de verkoop van die wapens door kopers en verkopers met elkaar te verbinden en- een of meer foto's van die wapens te sturen naar mogelijke kopers en/of verkopers van die wapens;

Feit 6in de periode van 20 mei 2025 tot en met 20 juni 2025 in Nederland om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of tebevorderen, te weten:het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot hetplegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,door:- via berichten de prijs voor de verkoop van hoeveelheden cocaïne af testemmen en- plannen en/of afspraken te maken voor de verkoop van hoeveelheden cocaïne.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vraagt om in het geval van een veroordelinggeen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Indien het mogelijk en passend is binnen het uiteindelijk bewezenverklaarde, verzoekt de verdediging om een taakstraf te overwegen. Een dergelijke straf doet recht aan de ernst van hetgeen eventueel bewezen wordt verklaard, zonder verdachte de stabiliteit te ontnemen die noodzakelijk is om herhaling te voorkomen.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen en diefstal in vereniging van sieraden en geld van een slachtoffer op hoge leeftijd. De diefstal is gepleegd door middel van een geraffineerde babbeltruc waarbij verdachte zich voordeed als nepagent. Het slachtoffer is door een mededader telefonisch voorgelogen dat haar sieraden niet veilig zouden zijn, waardoor zij werd bewogen haar waardevolle bezittingen af te staan. Hierbij heeft verdachte de rol van ophaler vervuld. Hij heeft daarbij sieraden weggenomen die voor het slachtoffer een emotionele waarde hadden en dat bovendien in haar eigen woning, waar zij veilig behoort te zijn. Dit betekent voor haar, naast materieel verlies, ook diep emotioneel verlies. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat bij deze vorm van diefstal doelbewust oudere slachtoffers worden uitgekozen en dat daarbij op doortrapte schaamteloze wijze misbruik wordt gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hen dachten te mogen hebben. Met deze werkwijze wordt bovendien het gezag van en het vertrouwen in de politie aangetast en dit heeft een ontwrichtend effect op de samenleving.

Daarnaast had verdachte in zijn woning een wapen, onderdelen van wapens en munitie voorhanden en heeft hij zich schuldig gemaakt aan de onderhandeling over de aankoop, verkoop en levering van dit soort goederen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en de handel hierin kan voor gevaarlijke situaties zorgen. Het aanwezig hebben van en wapen kan namelijk leiden tot het feitelijk gebruik ervan en vormt een onaanvaardbaar risico op geweldsdelicten met dodelijke afloop of zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Verder heeft verdachte een maand lang voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne verricht. Het is algemeen bekend dat het gebruik van cocaïne, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk is voor de volksgezondheid. Door de verspreiding van drugs en het gebruik ervan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit in veel gevallen gepaard gaat met andere vormen van gewelds- en vermogenscriminaliteit. Op die manier worden ook nietsvermoedende en onschuldige burgers geconfronteerd met allerlei nare gevolgen. Bovendien gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend effect uit.

De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid mee dat verdachte zeer beperkte verantwoordelijkheid heeft genomen voor de bewezenverklaarde feiten. Hij is tegen beter weten in overwegend blijven verklaren dat hij van niets weet of hij is op eerdere bekentenissen teruggekomen. Het feit dat verdachte geen inzicht heeft willen geven in zijn handelen baart zorgen voor de toekomst. Daar komt bij dat verdachte blijkbaar hardleers is. Hij heeft de onderhavige feiten gepleegd terwijl hij in twee proeftijden liep voor soortgelijke feiten, namelijk een veroordeling voor diefstal in vereniging en een veroordeling voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

Uit het strafblad van verdachte volgt in strafverhogende zin dus dat er sprake is van meermalen recidive. In het voordeel van verdachte zal rekening worden gehouden met de veroordeling van de politierechter op 27 augustus 2025, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht gedeeltelijk van toepassing is.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgesteld. Verdachte heeft een huurwoning. In februari 2026 heeft hij een schuldsaneringstraject afgesloten, maar hij is niet geheel schuldenvrij vanwege schulden bij het CJIB en nieuw opgelopen betalingsachterstanden vanwege zijn detentie. In april 2026 is verdachte gaan werken bij een afvalverwerkingsbedrijf, nadat hij een langere periode een uitkering had ontvangen. Verdachte heeft onlangs, tot en met augustus 2026, onder toezicht gestaan van de reclassering. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, heeft het lopende toezicht niet geleid tot recidivevermindering. Er is niet eerder onderzoek gedaan naar de persoonlijkheid van verdachte of ingezet op ambulante forensische behandeling gericht op diagnostiek en delictpreventie. De toezichthouder van verdachte geeft aan dat verdachte zich meewerkend heeft opgesteld tijdens het toezicht. Indien hij veroordeeld wordt, ziet zij nog wel mogelijkheden om met verdachte te werken aan gedragsverandering. Omdat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, zal er dan ingezet moeten worden op behandeling. Verdachte heeft zich bereid verklaard om behandeling te volgen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en dagbesteding.

Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk passend en geboden is. De rechtbank acht het noodzakelijk om een proeftijd van drie jaar op te leggen. Dit is in het belang van verdachte zodat hij een langere tijd begeleiding en een stok achter de deur heeft. Aan deze proeftijd worden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbonden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen telefoon (Apple iPhone 15 Pro Max) wordt verbeurd verklaard omdat de bewezen feiten met behulp van deze telefoon zijn begaan of voorbereid.

8. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een materiële schadevergoeding van € 2.649,- voor de feiten 1 en 2. Dit bedrag bestaat uit de € 1.850,- die van haar bankrekening zijn overgeboekt naar de bankrekening van verdachte en € 799,- voor de van haar gestolen Samsung telefoon.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich ten aanzien van de gevorderde € 1.850,- schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen (feit 1). Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot dit bedrag van € 1.850,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop feit 1 werd gepleegd, te weten 24 november 2025. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarbij de Samsung telefoon is weggenomen (feit 2), omdat de betrokkenheid van verdachte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

9. De vorderingen tenuitvoerlegging

10-069543-23

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde meermalen heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10-111499-23

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2023 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde meermalen heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 63, 311 en 420quatr van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 26 en 55 Wet wapens en munitie.

11. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: schuldwitwassen;

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels;

feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd;

feit 5: handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 6 een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. Ambulante behandeling

dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;

3. Dagbesteding

dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

T.a.v. feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 1.850,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] € 1.850,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 18 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:

* 1 STK Telefoontoestel (PL2000-2025315950-G2944482);

Vorderingen tenuitvoerlegging

10-069543-23

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 27 augustus 2025 is opgelegd ten uitvoer zal worden gelegd, te weten drie weken gevangenisstraf;

10-111499-23

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 1 augustus 2023 is opgelegd ten uitvoer zal worden gelegd, te weten twee maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter,

en mr. M.E.I. Beudeker en H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 oktober 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Feit 1hij op of omstreeks 24 november 2025, te [plaats 1] en/of [plaats 2] ,althans in Nederland (van) een geldbedrag van €1.850,00, althans een ofmeer voorwerpenSub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/ofdeverplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/dievoorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en)voorhandenhad(den)Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeftomgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden datdat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/warenuit enig misdrijf;( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )

Feit 2hij op of omstreeks 24 november 2025 te [plaats 1] tezamen en invereniging met een of meer anderen, althans alleen:- een bankpas en/of- een creditcard en/of- een paspoort en/of- een telefoon,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , inelk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaften/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereikheeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valsenaam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of dooreen samenweefsel van verdichtsels, door:- die [benadeelde 1] te bellen en zich voor te doen als politieambtenaar en/of- naar de woning van die [benadeelde 1] te gaan en zich voor te doen als eenpolitieagent om vertrouwen te wekken en/of- tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat er een virus op haar telefoon staat endat hij, verdachte en/of zijn mededaders deze telefoon mee moestnemen om dit er af te halen en/of- met bovenstaande telefoon, bankpas, creditcard en/of paspoort dewoning te verlaten;( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5Wetboek van Strafrecht )

Feit 3hij op of omstreeks 8 juni 2025 te [plaats 2] tezamen en in verenigingmet een of meer anderen, althans alleen:- een gouden schakelarmband en/of- een gouden armbandhorloge en/of- een gouden armbandje en/of- een gouden halsketting en/of- drie witgouden ringen en/of een rozetring en/of- een geldbedrag van €470,00,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , inelk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaften/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereikheeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valsenaam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of dooreen samenweefsel van verdichtsels,door:- die [benadeelde 2] te bellen en zich voor te doen als politieambtenaren en/of- tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat er criminelen actief zijn die gek zijn opsieraden en/of- tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat iemand van de politie langs zou komenom bovenstaande sieraden en/of geld op te halen en hier een foto van temaken en/of- naar de woning van die [benadeelde 2] te gaan en zich voor te doen als eenpolitieagent om vertrouwen te wekken en/of- bovenstaande sieraden en/of geld op te halen en/of- met bovenstaande sieraden en/of geld de woning te verlaten;( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5Wetboek van Strafrecht )

Feit 4Hij in of omstreeks de periode van 28 oktober 2025 t/m 4 februari 2026 te[plaats 2] , althans in Nederland,- (op 4 februari 2026) een of meerdere vuurwapens van categorie IIIonder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerderealarmpistolen van het merk BBM model 315 auto, kaliber 8mm knalen/of- (op 4 februari 2026) hulpstukken voor en/of onderdelen van wapensvan categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, die essentieelen van wezenlijke aard zijn voor die wapens, te weten meerderepatroonhouders/magazijnen en/of- (op 4 februari 2026) munitie van categorie III van de Wet wapens enmunitie, te weten een hoeveelheid (94) kogelpatronen van het kaliber6,35mm Browning en/of 7,65mm Browning en/of .32 (7,65mm) en/of- meerdere vuurwapens (zoals afgebeeld op pagina 260 t/m 262 van hetprocesdossier) en/of- een GRAND POWER P1 mk12 vuurwapen (zoals afgebeeld op pagina263 van het procesdossier) en/of- andere munitie, vuurwapens en/of onderdelen hiervan,althans vuurwapens en/of onderdelen hiervan van de categorie II en/ofIII van de Wet wapens en munitie en/of munitie van de categorie IIen/of III in de zin van artikel 2 lid 2 van de Wet wapens en munitie,voorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

Feit 5Hij in of omstreeks de periode van 28 oktober 2025 tot en met 23december 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en invereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen,althans eenmaal, (telkens) zonder erkenning

over en/of voor de aankoop, de verkoop en/of de levering van

een of meerdere vuurwapens en/of onderdelen hiervan van decategorie II en/of III van de Wwm en/of munitie van de categorie IIen/of III in de zin van artikel 2 lid 2 van de Wwm,

heeft onderhandeld en/of transacties heeft geregeld door

- een of meer berichten te sturen naar een of meer personen (te weten“ [contact 1] ”, “ [contact 2] ”, “ [contact 3] ” en “ [contact 4] ”) en- in die berichten aan te sturen op de aankoop en/of verkoop vanwapens door afspraken te maken over prijzen en/of- als tussenpersoon te fungeren voor de verkoop van die wapens doorkopers en verkopers met elkaar te verbinden en/of- een of meer foto's van die wapens te sturen naar mogelijke kopersen/of verkopers van die wapens;( art 55 lid 3 ahf/ond a Wet wapens en munitie, art 55 lid 4 Wet wapensen munitie, art 9 lid 1 Wet wapens en munitie )

Feit 6Hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2025 t/m 5 december 2025 te[plaats 2] , althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of tebevorderen, te weten:te weten- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoerenvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid vande Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doenplegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam tezijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen teverschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot hetplegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of anderebetaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist ofernstige reden hadom te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,door:- - via berichten de prijs voor de verkoop van hoeveelheden cocaïne af testemmen en/of- plannen en/of afspraken te maken voor de verkoop van hoeveelhedencocaïne;( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand