Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Jeugdstrafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-181412-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigde Staten) op [geboortedag 1] 2010,
thans verblijvende in GGzE [verblijfsadres] ,
raadsvrouw mr. A. Darrazi, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk met gesloten deuren behandeld op de zitting van 9 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] behandeld. Tevens zijn [deskundige 1] (jeugdreclassering), [deskundige 2] (Raad van de Kinderbescherming, hierna: Raad) als deskundigen gehoord.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op 12 juni 2025 [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) heeft gestoken met een schroevendraaier en een (schil)mesje. Dit is primair ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en subsidiair als mishandeling;
feit 2: op 9 februari 2025 [benadeelde 4] (hierna: [benadeelde 4] ) heeft bedreigd;
feit 3: op 26 mei 2025 samen met een ander door geweld of bedreiging met geweld een oplader van [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) heeft gestolen;
feit 4: op 26 mei 2025 samen met een ander [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ) heeft afgeperst door hem met (bedreiging met) geweld te dwingen tot afgifte van zijn geld, dan wel van die [benadeelde 3] samen met een ander door geweld of bedreiging met geweld geld heeft gestolen;
feit 5: op 26 mei 2026 samen met een ander [benadeelde 5] (hierna: [benadeelde 5] ) heeft afgeperst door hem met (bedreiging met) geweld te dwingen tot afgifte van zijn pakje sigaretten, dan wel van die [benadeelde 5] samen met een ander door geweld of bedreiging met geweld een pakje sigaretten heeft gestolen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak van de primair onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Wel acht hij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 1] heeft mishandeld door hem meermaals te steken. Daarnaast acht de officier van justitie de bedreiging van [benadeelde 4] zoals ten laste is gelegd onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 3 geldt dat de diefstal met geweld in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het door verdachte geschetste scenario is onaannemelijk gelet op de bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van de afpersingen zoals primair ten laste is gelegd onder feit 4 en feit 5 geldt dat ook deze wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Voor feit 4 geldt dat het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom verdachte hier partieel van dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie gaat in alle gevallen uit van de verklaringen van aangevers, de (deels) bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair onder 1 ten laste gelegde feit. Voor wat betreft de subsidiair onder 1 ten laste gelegde mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onderdeel het steken met een (schil)mesje. De verdediging refereert zich eveneens voor de bewezenverklaring van feit 2 aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onderdeel het sturen van een foto waarop een vuurwapen te zien is. Voor feit 3 en feit 5 dient vrijspraak te volgen, nu onvoldoende bewijs aanwezig is voor het bestanddeel ‘in vereniging’. Voor feit 4 geldt dat verdachte ontkent dat door hem enige vorm van geweld is gebruikt en ook kan het bestanddeel ‘in vereniging’ niet bewezen worden. Zodoende dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de (deels) bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier vast dat verdachte [benadeelde 1] op 12 juni 2025 in [plaats 2] meermalen met een schroevendraaier heeft gestoken. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte [benadeelde 1] eenmaal met een (schil)mesje heeft gestoken. Hoewel verdachte heeft ontkend ook met een (schil)mesje te hebben gestoken, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig. [benadeelde 1] heeft immers verklaard dat hij niet alleen met een schroevendraaier, maar ook met een (schil)mesje is gestoken. Deze verklaring vindt steun in de getuigenverklaring van [benadeelde 4] , waaruit volgt dat hij zag dat verdachte een aardappelschilmesje in zijn hand had. Voorts heeft verdachte zelf verklaard dat hij ten tijde van het incident een aardappelschilmesje bij zich had. De rechtbank acht de verklaring van [benadeelde 1] , in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, betrouwbaar en ziet geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen met een schroevendraaier en eenmaal met een (schil)mesje in de linkerzij van [benadeelde 1] heeft gestoken.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling (zoals primair ten laste is gelegd) dan wel als een mishandeling (zoals subsidiair ten laste is gelegd). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een poging tot zware mishandeling niet kan worden bewezen. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld op welke wijze en met welke kracht is gestoken en verder volgt uit de medische informatie (te weten: een oppervlakkige verwonding links op de rug/flank thoracaal van circa 1 centimeter groot, scherpe wondranden. Erboven nog een wat langere kras thoracaal) en de foto’s van de verwondingen onvoldoende om vast te kunnen stellen dat het steken in de linkerzij een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel opleverde. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling vrijspreken.
De gedraging van verdachte levert naar het oordeel van de rechtbank wel mishandeling op. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, gelet op de (deels) bekennende verklaring van verdachte, de aangifte en de overige bewijsmiddelen in het dossier, wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte en de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het door verdachte sturen van een foto waarop een vuurwapen te zien is. Verdachte zal hiervan partieel worden vrijgesproken.
Feit 3
Op grond van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte zich op 26 mei 2025 samen met de medeverdachte op het station in [plaats 1] bevond, waar [benadeelde 2] op zijn trein zat te wachten. Verdachte en de medeverdachte spraken [benadeelde 2] aan en vroegen om een vape. Nadat [benadeelde 2] dit weigerde en wegliep, gingen verdachte en de medeverdachte achter hem aan en gingen zij voor hem staan. Vervolgens doorzocht de medeverdachte de tas en de jas van [benadeelde 2] en nam hij onder meer een oplader uit zijn tas. Toen [benadeelde 2] probeerde te voorkomen dat de medeverdachte de oplader meenam, sloeg verdachte hem in zijn gezicht. Daarna verlieten verdachte en de medeverdachte samen het station.
Verdachte heeft verklaard dat hij op die dag samen met de medeverdachte op het station in [plaats 1] was en dat zij [benadeelde 2] daar hebben aangesproken. Verdachte bekent [benadeelde 2] te hebben geslagen, maar zegt dat hij zichzelf moest verdedigen nadat [benadeelde 2] hem probeerde te schoppen. Verder ontkent verdachte dat hij de oplader van [benadeelde 2] heeft weggenomen en stelt evenmin ervan op de hoogte te zijn geweest dat de medeverdachte deze wilde wegnemen.
Medeplegen
Uit vaste rechtspraak volgt dat voor medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking met een ander is vereist. Om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken, is het niet noodzakelijk dat verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Hij moet echter wel een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict. Naar het oordeel van de rechtbank – en in lijn met vaste rechtspraak – is het daarvoor niet nodig dat er voorafgaand aan het delict uitdrukkelijke afspraken zijn gemaakt. Een stilzwijgende samenwerking kan ook een bewuste en nauwe samenwerking – en daarmee medeplegen – opleveren.
Uit de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een gezamenlijk optreden door verdachte en de medeverdachte gericht op de diefstal van de oplader.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en de medeverdachte gezamenlijk over het station liepen en kort voordat zij [benadeelde 2] aanspraken, een andere persoon hadden benaderd en hem naar zijn horloge hadden gevraagd. Nadat deze persoon hier afwijzend op had gereageerd, vervolgden verdachte en de medeverdachte gezamenlijk hun weg en kwamen zij bij [benadeelde 2] uit. Daaropvolgend heeft de medeverdachte goederen uit de tas van [benadeelde 2] wegenomen en op het moment dat [benadeelde 2] dit probeerde te voorkomen sloeg verdachte hem in zijn gezicht.
Uit de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, volgt dat verdachte en de medeverdachte van begin tot eind gezamenlijk zijn opgetrokken en in onderlinge samenhang hebben gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte is vast komen te staan. Verdachte heeft met het door hem toegepaste geweld een wezenlijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de goederen. Dat verdachte de oplader niet zelf heeft weggenomen, doet daaraan niet af. De bijdrage van verdachte aan het feit is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht, dat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging deze diefstal met geweld heeft gepleegd.
Feit 4
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich op 26 mei 2025 in [plaats 1] bevond. Uit de aangifte van [benadeelde 3] volgt dat hij daar werd aangesproken door een voor hem onbekende groep jongens, onder wie verdachte. Verdachte vroeg [benadeelde 3] om diens bankrekening te laten zien, waarna hij [benadeelde 3] met dwingende woorden ertoe heeft gebracht tweemaal geld over te maken via een Tikkie. Daarbij heeft verdachte gezegd dat hij een mes bij zich had. [benadeelde 3] heeft daarop tweemaal een Tikkie betaald.
Uit onderzoek naar de betreffende betalingen is gebleken dat het geld is overgemaakt naar de bankrekening van de oma van verdachte. De oma van verdachte heeft als getuige verklaard dat verdachte toegang heeft tot haar bankrekening. Verdachte heeft erkend dat hij [benadeelde 3] heeft gevraagd om tweemaal geld over te maken naar het rekeningnummer van zijn oma. Hij heeft echter ontkend daarbij geweld te hebben gebruikt of te hebben gezegd dat hij een mes bij zich had.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte door bedreiging met geweld [benadeelde 3] heeft gedwongen tot afgifte van geld.
De rechtbank overweegt daartoe dat [benadeelde 3] in zijn aangifte uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard. Hij heeft verklaard dat verdachte hem onder druk heeft gezet om tweemaal geld over te maken en daarbij heeft gezegd dat hij een mes bij zich had. Deze verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen, waaruit onder meer volgt dat het geld is overgemaakt naar een bankrekening waartoe verdachte toegang had. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit andere feiten in het dossier naar voren komt dat verdachte daar eveneens een mes bij zich droeg. Bovendien acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [benadeelde 3] zonder enige vorm van dwang uit eigen beweging tot tweemaal toe geld zou hebben overgemaakt naar de bankrekening van een voor hem onbekende jongen.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde 3] te twijfelen. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde afpersing door bedreiging met geweld wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd, omdat dit onvoldoende uit het dossier is gebleken. Verdachte zal daarom partieel worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘in vereniging’.
Feit 5
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 26 mei 2026 bevond verdachte zich samen met [persoon] (hierrna: [persoon] ) bij de Plus in [plaats 3] . Uit de aangifte van [benadeelde 5] volgt dat hij na afloop van zijn werk buiten bij de Plus stond, toen twee jongens op een fatbike naar hem toekwamen. Dit waren verdachte en [persoon] . Zij vroegen [benadeelde 5] om een sigaret, die hij hun gaf. Vervolgens hoorde [benadeelde 5] verdachte zeggen: ‘Pak dat hele pakje, je hebt toch een mes’, althans woorden van gelijke strekking. [benadeelde 5] verklaart dat hij zag dat een van de jongens een mes in zijn broeksband toonde. Uit angst heeft hij hierop zijn sigaretten afgegeven.
Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [persoon] naar de Plus in [plaats 3] is gereden en daar een jongen om een sigaret heeft gevraagd. Toen hij zag dat er nog maar één sigaret in het pakje zat, heeft hij het pakje gepakt en is hij samen met [persoon] weggereden. Verdachte ontkent dat hij de sigaretten van [benadeelde 5] heeft afgenomen onder dreiging van een mes.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, voor zover deze inhoudt dat hij het pakje sigaretten heeft gepakt zonder dat daarbij sprake was van bedreiging, niet aannemelijk. De verklaring van verdachte vindt op dit punt geen steun in de overige bewijsmiddelen. Daartegenover staat de verklaring van [benadeelde 5] , die wel steun vindt in objectieve bewijsmiddelen.
Zo zijn bij de insluitingsfouillering van verdachte meerdere sigaretten van het merk Camel Yellow aangetroffen in zijn heuptasje. Deze zijn van hetzelfde merk als van de sigaretten die [benadeelde 5] heeft moeten afstaan. Daarnaast is bij de identiteitsfouillering van [persoon] een groot mes aangetroffen in diens broeksband. Voorts blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden dat verdachte, aangeduid als persoon 2, wijst naar de rechteronderzijde van [persoon] , aangeduid als persoon 1. Vervolgens tilt [persoon] de rechteronderzijde van zijn T-shirt op, waarna [benadeelde 5] naar achteren stapt en iets aan verdachte overhandigt. Deze waarnemingen komen overeen met de verklaring van [benadeelde 5] dat het mes in de broeksband werd getoond en dat hij vervolgens zijn sigaretten heeft afgegeven.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [persoon] schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde 5] .
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1, subsidiair
hij op 12 juni 2025 te [plaats 2] [benadeelde 1] heeft mishandeld, door die [benadeelde 1] meermalen met een schroevendraaier, in de linkerzij te steken, en met een (schil)mesje, in de linkerzij, te steken;
feit 2
op 9 februari 2025 te [plaats 2] , [benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [benadeelde 4] (door middel van digitale berichten) dreigend de woorden toe te voegen "laat me niet nu met izjen kap naar j osso sliden", en "broer laat me niet djelo weer op j zetten en je allemaal dood komen maken la", en "aii mok station kk chiengboy kijken wat k op j ga trekken", en "laat me niet met deze komen", en (hierbij) een foto te sturen waarop verdachte zichtbaar is met een kapmes;
feit 3
op 26 mei 2025 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander een oplader die aan [benadeelde 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [benadeelde 2] de woorden toe te voegen 'Laat je zakken zien', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en - de kleding en tas van die [benadeelde 2] te doorzoeken, en - die [benadeelde 2] een vuistslag in het gezicht te geven;
feit 4, primair
op 26 mei 2025 te [plaats 1] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 3] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen die aan die [benadeelde 3] toebehoorden door- die [benadeelde 3] de woorden toe te voegen 'Hoeveel heb je op je rekening staan', en 'Open je bank-app op je telefoon', en 'maak geld over met een tikkie', althans woorden van gelijke aard en strekking, en- tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een mes bij had;
feit 5, primair
op 26 mei 2026 te [plaats 3] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een pakje sigaretten dat aan die [benadeelde 5] toebehoorde door- (hardop onderling) tegen elkaar te zeggen 'pak dat hele pakje, je hebt toch een mes', althans woorden van gelijke strekking en - tegen die [benadeelde 5] te zeggen dat zij, verdachten, zijn sigaretten willen en - (vervolgens) aan die [benadeelde 5] een mes te tonen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging een beroep op noodweer gedaan. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs heeft moeten verdedigen. Verdachte bevond zich op het station, waar hij werd omsingeld door [benadeelde 2] en een groep bekenden van hem. Deze situatie maakte dat verdachte zich angstig en bedreigd voelde. Toen [benadeelde 2] vervolgens tegenover verdachte stond en hem probeerde te schoppen, heeft verdachte daarop gereageerd door [benadeelde 2] met een vuistslag in het gezicht te slaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat uit de camerabeelden niet blijkt dat verdachte werd omsingeld en bedreigd. Daarnaast past bang zijn niet bij zijn persoon, zoals is beschreven door de psycholoog.
Het oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, toen hij tegenover [benadeelde 2] stond, omsingeld werd door een groep personen. Hierdoor voelde hij zich bedreigd. Verder heeft verdachte verklaard dat hij zag dat [benadeelde 2] hem schopte en dat hij aan de houding van [benadeelde 2] zag dat hij opnieuw geweld zou gebruiken. Om zichzelf uit deze situatie te kunnen onttrekken sloeg hij [benadeelde 2] . Op zitting vertelt verdachte dat [benadeelde 2] in één keer een rare schopbeweging maakte, verdachte bang werd en zich omsingeld voelde door de vele mensen en hem toen heeft geslagen.
De rechtbank stelt op basis van de beschrijving van de camerabeelden vast dat de stelling van verdachte dat [benadeelde 2] hem (voor een tweede keer) wilde schoppen of een schopbeweging heeft gemaakt en dat hij zichzelf hiertegen moest verdedigen, niet wordt ondersteund. Evenmin blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden dat verdachte wordt omsingeld door een groep, waardoor hij zich bedreigd kan voelen. Het is juist verdachte geweest die als agressor heeft gehandeld, door [benadeelde 2] uit het niets te slaan.
Op grond van bewijsmiddelen is de rechtbank dan ook van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zodat het beroep op noodweer moet worden verworpen.
Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 173 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en jeugdreclasseringstoezicht, met daarbij de door de psycholoog en de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie vordert eveneens een contactverbod met de medeverdachten als bijzondere voorwaarde op te leggen. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie als verdachte de werkstraf niet (goed) uitvoert. Bij zijn eis houdt de officier van justitie er rekening mee dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat er sprake is van een positieve ontwikkeling bij verdachte nu hij in [verblijfsadres] verblijft.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van één of meer feiten, dan verzoekt de verdediging rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en aan hem geen jeugddetentie op te leggen die langer is dan de tijd dat verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van een jaar schuldig gemaakt aan een mishandeling, bedreiging, het medeplegen van diefstal met geweld en tweemaal een afpersing. Dit zijn zeer ernstige feiten die op de slachtoffers indruk hebben gemaakt en hen angstig hebben gemaakt. Verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen enkel respect te hebben voor hun lichamelijke en geestelijke integriteit, en hun eigendommen. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten sowieso hier nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd en enkel gehandeld uit eigen (financieel) gewin. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat strafbare feiten zoals deze zorgen voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving, te meer nu meerdere feiten overdag zijn gepleegd op de openbare weg. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Uit het spreekrecht dat namens [benadeelde 2] tijdens de zitting is uitgeoefend volgt dat het incident een traumatische ervaring voor hem is geweest die een grote invloed heeft en heeft gehad op zijn leven. Naast psychische gevolgen heeft [benadeelde 2] ook letsel aan de straatroof over gehouden. Zijn neus was op drie plekken gebroken en moest middels operatief ingrijpen recht gezet worden. Wanneer hij over zijn neus wrijft, voelt hij nog steeds tintelingen. Hierdoor wordt hij iedere dag aan de gebeurtenis herinnerd.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 september 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het psychologisch rapport van 16 oktober 2025, opgemaakt door orthopedagoog-generalist [orthopedagoog generalist] . Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van hechtingsproblematiek, een ernstig normoverschrijdende gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De ontwikkeling van verdachte verloopt zeer kwetsbaar en hij functioneert dan ook laag op cognitief, sociaal, praktisch en emotioneel niveau. De tekorten in het sociale en emotionele functioneren hebben ertoe geleid dat verdachte de intenties van anderen niet goed inschat, hij situaties niet goed overziet en dat hij redeneert vanuit zijn eigen behoeftes. Bovendien heeft hij geleerd problemen en situaties met agressie op te lossen, waardoor hij zelf over gaat tot (dreigen met) geweld. Hij eigent zich rechten toe en vindt het gerechtigd anderen spullen afhandig te maken als hij deze ook wil hebben. Verdachte heeft te weinig innerlijk ontwikkeld moreel kompas en kent geen angsten. Vanwege zijn onvermogen om op een andere manier te reageren bij problemen wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Wanneer verdachte strakke en duidelijke kaders en toezicht krijgt, er sprake is van 24/7 toezicht en begeleiding, en hij een specialistische dagbesteding heeft waarin hem veel nabijheid wordt geboden, wordt de kans op herhaling als laag-matig ingeschat. Ingeval deze voorwaarden ontbreken wordt de kans op recidive op zowel korte als lange termijn als hoog ingeschat. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de ten laste gelegde feiten dan wordt geadviseerd om procesdiagnostiek en behandeling in een 3-milieusetting te bieden.
Verminderde toerekenbaarheid
Uit de adviezen van de deskundige is gebleken dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar was. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad van 31 augustus 2026. Hieruit volgt dat er op alle domeinen veel zorgen bestaan. Verdachte probeert de schuld vaak bij een ander, vaak de aangevers, te leggen en lijkt hiermee zichzelf te willen verontschuldigen. Daarnaast toont hij weinig empathie naar de slachtoffers. Het Algemeen Recidive Risico en het Dynamisch risico Profiel komen uit op heel hoog. De domeinen relaties, agressie en houding geven zelfs de hoogste score op risicofactoren. Verder bestaan er zorgen over de ontwikkeling van verdachte en de dreiging dat hij hierin lijkt vast te lopen. Zo zijn er veel zorgen omtrent de (zelfbepalende) houding van verdachte, zijn sociale netwerk en zijn rol hierin, zijn boosheid (agressieregulatie) en gewetensontwikkeling. De Raad vindt het positief dat er inmiddels door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) een persoonlijkheidsonderzoek is afgenomen. Op 18 augustus 2026 stond er een intakegesprek gepland bij [verblijfsadres] om te bezien of zij een geschikte plaatsing zijn voor verdachte en de geadviseerde procesdiagnostiek en behandeling. Bij het formuleren van een strafadvies heeft de Raad verschillende afwegingen gemaakt. De Raad acht het strafadvies van de Jeugdreclassering – waarin wordt geadviseerd tot oplegging van een GBM met So Cool als leerwerkstraf – niet passend gezien de ernst en de aard van de problematiek van verdachte. Tevens sluit dit advies niet aan bij de adviezen die zijn gegeven in het persoonlijkheidsonderzoek. De Raad acht behandeling van verdachte noodzakelijk en voorliggend ter voorkoming van recidive. De Raad sluit zich dan ook aan bij de adviezen die zijn gegeven in het persoonlijkheidsonderzoek. De overwegingen die in het persoonlijkheidsonderzoek staan beschreven om geen voorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren kan de Raad volgen. Tegelijkertijd ziet de Raad hierin ook een kwetsbaarheid dat wanneer verdachte niet mee gaat werken aan de door de Raad (en NIFP) noodzakelijk geachte behandeling, de voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer gelegd kan worden en de behandeling daarmee stil komt te liggen. In dat geval maakt de Raad zich zorgen om het hoge recidive risico dat onverminderd aanwezig zal blijven. Voorgaande in acht genomen maakt dat de Raad komt tot een voorwaardelijke jeugddetentie met voortzetting van jeugdreclassering en met de bijzondere voorwaarden zoals die eerder aan verdachte zijn opgelegd door de rechtbank in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, namelijk dat verdachte zal meewerken aan de in het diagnostisch onderzoek geadviseerde behandeling, op het adres van zijn moeder verblijft zolang er nog geen plaatsing is gerealiseerd in een 3-milieuvoorziening, dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van het Leger des Heils te Rotterdam, een contactverbod met de slachtoffers, dat hij de jeugdreclassering inzicht zal geven in al zijn sociale contacten en dat hij meewerkt aan een zinvolle dagbesteding. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte bereid is om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.
Ter terechtzitting heeft de Raad het advies tot het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden gehandhaafd.
De jeugdreclasseerder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat verdachte inmiddels is geplaatst bij [verblijfsadres] , waar hij nu een week verblijft. Verdachte heeft aangegeven de reden van die aanmelding te begrijpen en heeft hieraan zijn medewerking verleend. Het verblijf in [verblijfsadres] is doorgaans voor de duur van een jaar. In dat jaar worden zijn vrijheden langzaam uitgebreid. Alles qua dagprogramma vindt plaats op het terrein van [verblijfsadres] , ook het volgen van onderwijs. Het is belangrijk daar op in te zetten en te kijken wat aansluit bij zijn behoeftes en interesses. Geadviseerd wordt om een contactverbod met de medeverdachten niet als bijzondere voorwaarde op te leggen, nu dat onderdeel moet worden van de behandeling bij [verblijfsadres] , te weten het inzichtelijk krijgen wat positieve en negatieve contacten zijn.
Strafoplegging
De rechtbank onderschrijft, op grond van hetgeen de deskundige van het NIFP, de Raad en de jeugdreclassering in hun rapporten en ter terechtzitting hebben aangegeven, de constatering dat bij verdachte sprake is van ernstige gedragsproblematiek. Daarnaast betreffen de bewezenverklaarde feiten ernstige delicten.
Bij de oplegging van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van jeugdige verdachten. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, het toepasselijke strafmaximum voor verdachten die op het moment van de strafbare feiten nog geen 16 jaar zijn, de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis en de omstandigheid dat de schorsing daarvan onder strenge voorwaarden heeft plaatsgevonden en verdachte op dit moment in [verblijfsadres] verblijft.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste jeugddetentie voldoende recht doet aan de hiervoor genoemde omstandigheden en zal hiermee volstaan. Daarom wordt aan verdachte opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 173 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daaraan verbindt zij de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Gelet op hetgeen door de Raad naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om ook een contactverbod met de medeverdachten op te leggen. Aangezien verdachte al lange tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en het voor de ontwikkeling van verdachte belangrijk is dat hij zich in ieder geval het komende jaar in [verblijfsadres] kan richten op de behandelingen en zijn schoolgang, zal de rechtbank aan verdachte, naast de jeugddetentie, niet ook nog een werkstraf opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar verklaren. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Zonder behandeling moet ernstig rekening worden gehouden met herhaling daarvan, zoals blijkt uit de rapportages.
6. De vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.
De hoogte van de schadevergoeding is door de verdediging betwist. De rechtbank stelt vast dat uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat er sprake was van zowel lichamelijk als psychisch letsel. De benadeelde is meermaals door verdachte gestoken en is hiervoor naar het ziekenhuis gebracht. Ook blijkt dat de benadeelde door zijn huisarts is verwezen naar [coaching] . De benadeelde kampte met verhoogde prikkelbaarheid, waaronder nachtmerries, herbelevingen, negatieve stemmingen en cognities. Ook durfde hij niet meer naar buiten. Om die reden is EMDR-behandeling gestart. Bij de hoogte van de vordering is door de benadeelde partij acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Het gevorderde bedrag sluit naar het oordeel van de rechtbank aan bij het vastgestelde (psychisch)letsel en is billijk. Dat betekent dat dit bedrag zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.500,00. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen: 0). De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 juni 2025.
Contact- en locatieverbod
Ten aanzien van het verzoek tot het opleggen van een contact- en locatieverbod overweegt de rechtbank als volgt. Het contactverbod wordt reeds opgelegd in de vorm van een bijzondere voorwaarde. In aanmerking nemende dat verdachte in ieder geval de komende tien maanden in [verblijfsadres] zal verblijven, ziet de rechtbank geen aanleiding om een locatieverbod op te leggen.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 3.324,99 ingediend, bestaande uit € 324,99 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Reis- en parkeerkosten
Ten aanzien van de gevorderde reiskosten (€ 66,00) geldt dat deze zijn gemaakt ten behoeve van medische afspraken van de benadeelde. Daarnaast zijn er parkeerkosten (€ 6,39) gemaakt vanwege het parkeren bij het ziekenhuis in Breda. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. De vordering is in zoverre toewijsbaar.
Schade weggenomen goederen
Van benadeelde zijn een oplaadkabel/datakabel en powerbank (in totaal € 14,84) weggenomen. Deze heeft hij niet teruggekregen, waardoor hij deze heeft moeten vervangen. De daarmee gemoeide kosten zijn redelijke kosten als gevolg daarvan. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. De vordering is ook in zoverre toewijsbaar.
Beschadigde kleding
Deze schade is door de verdediging betwist. De rechtbank acht de gevorderde schade, gelet op de onderbouwing, voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank begroot de waarde van de beschadigde kleding op € 109,98. De vordering is ook in zoverre toewijsbaar.
Misgelopen inkomsten in verband met zorgverlof
De moeder van de benadeelde partij heeft vier dagen zorgverlof van haar werk moeten opnemen om de benadeelde te verzorgen. Vanwege het opgenomen zorgverlof heeft de moeder van benadeelde over die dagen slechts 70 procent van haar gebruikelijke nettoloon ontvangen, hetgeen voor haar neerkomt op € 127,78 aan misgelopen inkomen. Deze schade is voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook zijn de gemaakte kosten naar hun omvang billijk. De vordering is in zoverre toewijsbaar.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 3.000,00 gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
De benadeelde partij heeft bij het bewezenverklaarde feit zowel lichamelijk als psychisch letsel opgelopen, wat voor vergoeding als immateriële schade in aanmerking komt. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.324,99. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen: 0). De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 mei 2025.
Hoofdelijk
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.
[benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 1.400,00 ingediend, bestaande uit € 150,00 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 150,00 bestaande uit de twee geldbedragen die door benadeelde zijn overgemaakt naar verdachte. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in voldoende verband staan met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, zal de rechtbank de vordering in zoverre toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 1.250,00 gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In uitzonderlijke gevallen kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
De schade is door de verdediging betwist. De rechtbank stelt vast dat uit de onderbouwing van de vordering, en hetgeen daartoe op zitting is aangevoerd, volgt dat de benadeelde psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De benadeelde werd op weg naar huis belaagd door een groep onbekende jongens. Mede doordat verdachte aangaf dat hij een mes bij zich had en daarbij zijn hand in zijn zak stak, is dit voor benadeelde bijzonder bedreigend overgekomen. Door het voorval is hij erg geschrokken en boos, durft hij niet meer langs het busstation in [plaats 1] te lopen en kiest hij voor een andere bushalte. Voor de begroting van de immateriële schade is door de benadeelde partij aansluiting gezocht bij paragraaf 19.1, categorie (b) van de Rotterdamse Schaal. Daarnaast is door de benadeelde partij gesteld dat hij door het voorval zijn schooljaar niet heeft gehaald. Dit heeft zijn verdere studieloopbaan aanzienlijk vertraagd en zijn opleidingsperspectief en daarmee zijn toekomstig verdienvermogen ernstig beperkt. Deze schade wordt gebruikt als onderbouwing van de immateriële vordering. De rechtbank stelt echter vast dat deze schade onvoldoende is onderbouwd om vast te stellen dat de schade voortkomt uit het strafbare feit. Om die reden zal zij de schoolgangstagnatie niet bij de hoogte van de vordering betrekken.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op het voorgaande, en mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 750,00 billijk. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen tot een bedrag van € 900,00. Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 900,00 aan schade. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen: 0). De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 mei 2025.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, subsidiair: mishandeling;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3: diefstal, voorafgegaan en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
feit 4, primair: afpersing;
feit 5, primair: afpersing in vereniging.
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 173 (honderddrieënzeventig) dagen, waarvan 100 (honderd) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- stelt in dat verband vast dat verdachte de jeugddetentie reeds heeft uitgezeten;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte meewerkt aan de in het diagnostisch onderzoek geadviseerde behandeling;
* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering dit aangewezen acht verblijft in een 3-milieuvoorziening te weten de GGZE [verblijfsadres] , althans een soortgelijke voorziening;
* dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten het
Leger des Heils te Rotterdam;
* dat verdachte geen direct of indirect contact heeft met de slachtoffers [benadeelde 1] (geboren op [geboortedag 2] 2009), [benadeelde 4] (geboren op [geboortedag 3] 2009), [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 4] 2010), [benadeelde 3] (geboren op [geboortedag 5] 2008) en [benadeelde 5] (geboren op [geboortedag 6] 2008);
* dat verdachte de jeugdreclassering inzicht zal geven in al zijn sociale contacten;
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils te Rotterdam, afdeling jeugdreclassering, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 1.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2] (feit 3)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van
€ 3.324,99, waarvan € 324,99 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 3.324,99 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 3] (feit 4)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 900,00, waarvan € 150,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] , € 900,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens kinderrechter, en mr. H. Skalonjic en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 oktober 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 2]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe
te brengen
die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, met een schroevendraaier,
althans een dergelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerzij,
althans het lichaam, te steken, en/of met een (schil)mesje, althans een
dergelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de rechterzij, althans het
lichaam, te steken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 2]
[benadeelde 1] heeft mishandeld, door die [benadeelde 1] meermalen, althans
eenmaal, met een schroevendraaier, althans een dergelijk scherp en/of
puntig voorwerp, in de linkerzij, althans het lichaam, te steken, en/of
met een (schil)mesje, althans een dergelijk scherp en/of puntig
voorwerp, in de rechterzij, althans het lichaam, te steken;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 9 februari 2025 te [plaats 2]
, althans in Nederland,
[benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven
gericht en/of met zware mishandeling,
door voornoemde [benadeelde 4] (door middel van digitale berichten)
dreigend de woorden toe te voegen
laat me niet nu met izjen kap naar j osso sliden”, en/of “lroer laat me
niet djelo weer op j zetten en je allemaal dood komen maken la, en/of
au mok station kk chiengboy kijken wat k op j ga trekken’, en/of “laat
me niet met deze komen”, en/of (hierbij) een foto en/of filmpje te sturen
waarop verdachte zichtbaar is met een kapmes en/of vuurwapen,
althans (telkens) woorden en/of afbeeldingen en/of een filmpje van
gelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats 1] , gemeente Halderberge
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een oplader, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met
geweld tegen
die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk
te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde 2] de woorden toe te voegen ‘Laat je zakken zien’, althans
woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- de kleding en/of tas van die [benadeelde 2] te doorzoeken, en/of
- die [benadeelde 2] een (vuist)slag in het gezicht, althans tegen het hoofd, te
geven;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art
312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
4
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats 1] , gemeente Halderberge
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[benadeelde 3] heeft gedwongen tot de afgifte van enig(e) geldbedrag(en), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 3] en/of een
derde toebehoorde(n)
door
- die [benadeelde 3] de woorden toe te voegen ‘Hoeveel heb je op je rekening staan’,
en/of ‘Open je bank-app op je telefoon’, en/of ‘maak geld over met een
tikkie’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- ( hierbij) aan die [benadeelde 3] een mes, althans een dergelijk scherp en/of
puntig voorwerp, te tonen, en/of
- tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een mes bij had,
(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek
van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats 1] , gemeente Halderberge
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
enige geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk
geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,
vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die
[benadeelde 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of
andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde 3] de woorden toe te voegen ‘
Hoeveel heb je op je rekening staan
en/of ‘Open je bank-app op je telefoon’, en/of ‘maak geld over met een
tikkie’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- (
hierbij) aan die [benadeelde 3] een mes, althans een dergelijk scherp en/of
puntig voorwerp, te tonen, en/of
- tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een mes bij had;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
5
hij op of omstreeks 26 mei 2026 te [plaats 3] , gemeente Bergen op Zoom
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[benadeelde 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een pakje sigaretten, in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 5] en/of
een derde toebehoorde(n)
door
- ( hardop onderling) tegen elkaar te zeggen ‘pak dat hele pakje, je hebt toch
een mes’, althans woorden van gelijke strekking en/of
- tegen die [benadeelde 5] te zeggen dat zij, verdachten, zijn sigaretten
willen en/of
- ( vervolgens) aan die [benadeelde 5] een mes te tonen;
(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van
Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 mei 2026 te [plaats 3] , gemeente Bergen op Zoom ,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een pakje sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan L.
[benadeelde 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigen en, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,
vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen Van
Poppelen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of
andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- ( hardop onderling) tegen elkaar te zeggen ‘pak dat hele pakje, je hebt toch
een mes althans woorden van gelijke strekking en/of
- tegen die [benadeelde 5] te zeggen dat zij, verdachten, zijn sigaretten
willen en/of
- ( vervolgens) aan die [benadeelde 5] een mes te tonen;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)