RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-308962-25
raadkamernummer : 25-031260
datum : 2 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
1. airsoft shotgun1 airsoft automatische machinegeweren met een ingebouwde demper1 airsoft automatisch machinegeweer2 airsoft handvuurwapen1 airsoft granaat10 zakmessen2 survivalmessen2 machetes3 werpsterren3 messen met twee snijkanten3 karambitmessen1 werpmesmeerdere balletjespatroonhouders en balletjespatronen. (hierna: airsoftwapens/attributen);
Op 3 december 2025 is namens klager een klaagschrift ingediend, waarin is verzocht om teruggave van de in beslag genomen airsoftwapens en attributen. Daartoe is aangevoerd dat klager al jarenlang lid is van de Nederlandse Airsoft Belangenvereniging (NABV) en dus al geruime tijd beschikt over een vergunning voor het houden van airsoftwapens. Volgens het Openbaar Ministerie heeft klager nimmer een vergunning getoond, hetgeen maakt dat er sprake is van strafbare wapens. Op 14 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Tijdens de zitting is vastgesteld dat klager op dit moment niet in het bezit is van een vergunning. De rechter heeft, na partijen hierover te hebben gehoord, de behandeling van het klaagschrift aangehouden om een herbeoordeling van de zaak door het Openbaar Ministerie te laten plaatsvinden om na te gaan of klager ten tijde van de inbeslagname in het bezit was van een vergunning en of er überhaupt méér kán worden overgelegd door klager in dat verband dan wat hij tot op heden heeft overgelegd ten bewijze van zijn lidmaatschap.
Naar aanleiding van de inhoud van het klaagschrift en het verhandelde ter zitting van 14 april jl. is er door het Openbaar Ministerie nadere informatie ingewonnen op grond waarvan het Openbaar Ministerie is gekomen tot een herziend standpunt. Het klaagschrift kan naar mening van het Openbaar Ministerie gegrond worden verklaard en de in beslag genomen goederen kunnen worden teruggegeven aan klager.
Klager en officier van justitie hebben ingestemd met een verdere pro-forma behandeling van het klaagschrift, waarbij klager en de raadsman niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 2 juni 2026 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks aanwezig. Klager en de raadsman zijn hierbij niet verschenen.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is.
Uit het herziene standpunt van het Openbaar Ministerie blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van de airsoftwapens/attributen is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag gegrond verklaren en de teruggave van de deze wapens en attributen zoals zijn genoemd in het klaagschrift aan klager gelasten.
3. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de airsoftwapens/attributen aan klager.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juni 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).