RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 26-000275
datum : 02 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2005,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg (Kraaivenstraat 36-18, 5048 AB Tilburg),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 2 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, klager en mr. R. el Bellaj als raadsman van klager, gehoord.
De belanghebbende [broer] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager stelt eigenaar te zijn van de onder zijn broer in beslag genomen VW Golf en dat hij wordt bezwaard bij voortduring van het beslag. Klager erkent dat zijn broer eerder in de VW Golf heeft gereden en dat klager toen door de politie is gewaarschuwd voor inbeslagname van de VW Golf bij herhaling. Klager betwist echter te hebben geweten dat zijn broer op 14 december 2025 opnieuw zijn VW Golf had gepakt. De advocaat heeft in raadkamer in aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat voortduring van het beslag buitenproportioneel is, mede gelet op de waarde van de VW Golf. Klager heeft hard voor zijn auto gespaard en heeft geen geld om een andere auto kopen. Zonder auto is het lastig om een baan te vinden. De broer van klager is inmiddels bezig met het behalen van zijn rijbewijs, wat de kans op herhaling - bij het daadwerkelijk behalen van zijn rijbewijs - verkleind.
Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat hij na de eerdere waarschuwing wel degelijk voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat zijn broer opnieuw in zijn VW Golf zou gaan rijden. Zo heeft hij zijn broer mondeling verboden de VW Golf te gebruiken en heeft hij de autosleutels in het nachtkastje in zijn slaapkamer verstopt. Zijn broer heeft de sleutels uiteindelijk toch gevonden en heeft vervolgens zonder toestemming van klager de VW Golf meegenomen. In de toekomst zal klager zijn autosleutels meenemen als hij van huis gaat. Klager heeft hard gewerkt om zijn droomauto te kunnen kopen en heeft de auto nodig voor zijn werk. Klager is de enige in zijn familie die over een rijbewijs en een auto beschikt en zijn familie is afhankelijk van hem voor vervoer. Door de inbeslagname van zijn VW Golf is klager zijn werk kwijtgeraakt. Zonder auto is het ook erg lastig om een nieuwe baan te vinden.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op het standpunt gesteld dat - gelet op de door klager in raadkamer geschetste persoonlijke omstandigheden - de VW Golf op dit moment teruggegeven kan worden aan klager en dat het klaagschrift gegrond kan worden verklaard. Dat laat echter onverlet dat in de strafzaak tegen de broer van klager de strafrechter alsnog de verbeurdverklaring van de VW Golf kan uitspreken, nu het strafbare feit met deze auto is gepleegd.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klager een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klager stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Wetboek van Strafrecht (Sr). In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De rechtbank is van oordeel dat klager - tevens tenaamgestelde - als redelijkerwijs rechthebbende op de VW Golf kan worden aangemerkt nu het raadkamerdossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om anders te concluderen.
Op 14 december 2025 is tegen [broer] proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden zonder geldig rijbewijs. [broer] reed toen in de VW Golf van klager. Uit de documentatie van [broer] blijkt niet dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel blijkt uit een mutatierapport van de politie en de kennisgeving van inbeslagneming dat [broer] op 16 oktober 2025 ook is staande gehouden voor het rijden zonder rijbewijs in de VW Golf van klager en toen diezelfde constatering werd gedaan op 14 december 2025, is de VW Golf in beslag genomen. Uit hetzelfde mutatierapport begrijpt de rechtbank dat klager toen door de politie is gewaarschuwd dat zijn auto bij een volgende overtreding in beslag zou worden genomen. Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat hij na deze waarschuwing maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van herhaling en heeft nader toegelicht waarom hij disproportioneel wordt bezwaard bij voortduring van het beslag. Gelet op deze toelichting door klager, er geen sprake is van een eerdere veroordeling van [broer] en mede gelet op de waarde van de VW Golf (€ 6.350,-), is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de VW Golf zal bevelen. De rechtbank zal het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag dan ook gegrond verklaren en de teruggave van de VW Golf aan klager gelasten.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de gegrondverklaring van het klaagschrift onverlet laat hetgeen de zittingsofficier van justitie al dan niet in de strafzaak tegen [broer] gaat vorderen.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van Volkswagen Golf, [kenteken] , aan klager.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juni 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).