RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-232546-25
raadkamernummer : 26-004331
datum : 2 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1954 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda (Ginnekenweg 241, 4835 NB Breda),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 11 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 2 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. J.C.B. Dionisius als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen.
De advocaat heeft in aanvulling op het verzoek in raadkamer en in reactie op het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie aangevoerd dat hij begrijpt dat van advocaten een algemene kenniservaring op hun vakgebied mag worden verwacht. Het betrof in dit geval echter specifieke en juridisch inhoudelijke materie die volgens de advocaat niet onder algemene kennis valt en waarop onderliggende strafzaak eigenlijk ook enkel was gebaseerd.
De officier van justitie heeft zich - gelet op de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer - in afwijking van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op het standpunt gesteld dat de vergoeding zoals verzocht geheel toewijsbaar is.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 3.726,80 verzocht voor kosten van rechtsbijstand, welke kosten mede zien op tijd die in rekening is gebracht ten behoeve van bestudering van jurisprudentie. De rechtbank acht het gehele verzoek toewijsbaar en overweegt daartoe als volgt.
In beginsel mag van specialisten worden verwacht dat zij beschikken over de nodige algemene kennis op hun vakgebied en geen kosten voor bestudering van jurisprudentie in rekening brengen. De rechtbank is echter, gelet op de toelichting door de advocaat in raadkamer, van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat er in onderliggende strafzaak sprake was van specifieke en juridische materie en dat de kosten die ten behoeve van bestudering van jurisprudentie in rekening zijn gebracht toewijsbaar zijn. De rechtbank acht de in rekening gebrachte uren ook passend bij de door de advocaat gegeven toelichting en deze komen haar niet onbillijk voor.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 4.551,80, bestaande uit:
- € 3.726,80 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 4.551,80 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juni 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.