RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-186873-25
raadkamernummer : 25-027098
datum : 16 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] V.O.F.,
gevestigd te [plaats] ( [adres] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te 's-Hertogenbosch (Oranje Nassaulaan 7, 5211 AS 's-Hertogenbosch),
hierna te noemen: klaagster.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 2 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, mr. T.J.F. Wassenaar als raadsman van klaagster en [vennoot 1] en [vennoot 2] als vennoten van klaagster gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster stelt eigenaar te zijn van een deel van het onder [vennoot 1] in beslag genomen geldbedrag, te weten € 32.000,00. Kort na inbeslagname hebben de vennoten van klaagster, [vennoot 1] en [vennoot 2] , een verklaring afgelegd over de legale herkomst van het contante geldbedrag. Dit is tevens nader onderbouwd met stukken. Klaagster ondervindt thans grote hinder van de inbeslagname.
[vennoot 1] heeft ten aanzien van het aangetroffen contante geldbedrag in de auto in raadkamer aangevoerd dat € 32.000,00, toebehoort aan klaagster. Dit bedrag is contant ingebracht door [vennoot 2] , zijnde een vriend van [vennoot 1] en tevens vennoot van klaagster. [vennoot 1] zou met dat geld namens klaagster goederen (parfums) kopen om op eBay te verkopen. [vennoot 2] zelf was daartoe fysiek niet in staat. Op de dag dat [vennoot 1] werd aangehouden, had hij dit geld dan ook bij zich om spullen te kunnen kopen. [vennoot 1] stelt geen inkomsten uit illegale activiteiten te genereren. Desgevraagd naar zijn maandelijkse inkomsten voorafgaand aan de inbeslagneming geeft [vennoot 1] aan dat hij in de periode een eenmanszaak had met onregelmatige inkomsten. Hij werd financieel geholpen door vrienden, waaronder [vennoot 2] . [vennoot 1] woonde in die tijd ook bij [vennoot 2] in huis en stond op zijn adres ingeschreven.
[vennoot 1] geeft desgevraagd aan dat klaagster geantidateerd is opgericht, maar dat er al wel handel werd gedreven. Klaagster moest alleen nog op papier worden geformaliseerd, maar daarop kon niet worden gewacht. De oprichting van klaagster direct na de inbeslagneming van het geld was noodgedwongen om te kunnen aantonen waar [vennoot 1] en [vennoot 2] mee bezig waren.
[vennoot 1] geeft voorts aan dat er naast het geld inderdaad ook een medicatie in de auto lag, maar dat er geen enkele aanwijzing is voor handel daarin of dat het geld zou zijn verkregen via illegale activiteiten. [vennoot 1] stelt de legale herkomst van het geld voldoende te hebben aangetoond en meent dat het Openbaar Ministerie het tegendeel niet heeft kunnen bewijzen.
Belanghebbende [vennoot 2] heeft in raadkamer aangevoerd dat hij al jaren zaken doet met [vennoot 1] . Zij hadden beiden hun eigen bedrijf en factureerden elkaar. Uiteindelijk hebben zij samen klaagster opgericht. Hij heeft als vennoot het contante geldbedrag van
€ 32.000,00 ingebracht. Hij kan middels 50 bankafschriften aantonen dat hij dit geld heeft kunnen inbrengen. Het geld is afkomstig van handel in originele parfums via eBay. De parfumhandel speelt zich af in een besloten circuit van personen die elkaar vertrouwen. De handel vindt eigenlijk altijd plaats in contanten, omdat betaling via de bank doorgaans problemen geeft. De inkopen doet hij bij groothandels in Nederland, Duitsland en Engeland. In bijna alle gevallen betaalt hij met cash geld. Hij weet dat hij bedragen van boven de
€ 1.000,00 moet aangeven bij de douane. Hij heeft echter een huis in Duitsland, dus dan hoeft dat niet. In Engeland gaan de inkopen via de bank. Op het moment dat [vennoot 1] werd aangehouden, was deze op weg naar een groothandel in Dordrecht waar hij en [vennoot 1] vaker zaken mee doen. Daarna zou [vennoot 1] nog langs een bedrijf in Amsterdam gaan om te kijken of daar nog wat te koop was. Het geld wat [vennoot 1] in de auto had liggen, was bedoeld voor de aankoop van parfum. Volgens [vennoot 2] had hij het geldbedrag op dat moment niet bij de douane hoeven aangeven.
De raadsman heeft in aanvulling op het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat het ontstaan van klaagster vanwege de inbeslagneming van het geld volledig in de kiem is gesmoord. Dat klaagster antigedateerd is opgericht, is niet ongebruikelijk. De gezondheid van [vennoot 2] heeft daar in dit geval een rol bij gespeeld. Uit financieel onderzoek blijkt dat [vennoot 2] ruim toegang heeft gehad tot contante gelden, hetgeen ook blijkt uit de in dat kader overgelegde brief van de [bank] . Van meet af aan hebben [vennoot 1] en [vennoot 2] alles gedaan om de legale herkomst van het in beslag genomen geld aan te tonen. De raadsman ziet geen concreet bewijs voor het tegendeel. Dat klaagster geen eigen website of zakelijke rekening heeft, is niet ongebruikelijk en maakt niet dat het geld geen legale herkomst heeft.
Gelet op alle genoemde omstandigheden is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat later de verbeurdverklaring van het geld zal worden uitgesproken en de raadsman verzoekt dan ook om het klaagschrift gegrond te verklaren. Zeker nu er nog geen enkel zicht is op een inhoudelijke behandeling van de onderliggende strafzaak en wanneer het geld terug kan naar klaagster.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat de herkomst van het in beslag genomen geldbedrag onduidelijk blijft en een criminele herkomst niet kan worden uitgesloten. De officier van justitie acht het bij deze stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geld zal uitspreken en verzet zich op dit moment dan ook tegen teruggave hiervan aan klaagster.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn van het contante geldbedrag van € 32.000 dat onder [vennoot 1] in beslag is genomen en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Wetboek van Strafrecht (Sr). In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster niet als redelijkerwijs rechthebbende van het contante geldbedrag kan worden aangemerkt.
Het geldbedrag is op 12 juni 2025 onder [vennoot 1] in beslag genomen terwijl hij, volgens zijn eigen verklaring bij zijn staande houding, onderweg was naar vrienden in België en dus niet onderweg was voor werkzaamheden die verband houden met klaagster zoals thans wordt gesteld. Daarbij komt dat pas op 20 juni 2025 tussen [vennoot 1] en [vennoot 2] een overeenkomst is gesloten waarbij klaagster is opgericht. Dit was derhalve ná de inbeslagname van het geldbedrag. Dat de VOF al eerder bedrijfsactiviteiten ontplooide en dat daarvoor een contant geldbedrag van € 32.000 is ingebracht door [vennoot 2] vóór 12 juni 2025 is op basis van het raadkamerdossier niet gebleken. Dit leidt tot de conclusie dat klaagster niet als redelijkerwijs rechthebbende van het contante geldbedrag kan worden aangemerkt.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).