Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-063228-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
wondende te [woonadres] ,
raadsman mr. R.A.E. Bunge, advocaat te Heeze.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Castelein en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem heeft mishandeld;
feit 2: een boksbeugel voorhanden heeft gehad.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verdachte vrij te spreken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat het vereiste zware lichamelijk letsel bij [slachtoffer] ontbreekt. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en feit 2 kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat bij [slachtoffer] geen sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Voor het meer subsidiaire feit en feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 juni 2025 naar de woning van [slachtoffer] is gegaan.
[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem in de woning meerdere keren tegen zijn gezicht en hoofd heeft geslagen nadat verdachte onder valse voorwendselen zijn woning was binnengekomen. Door de klappen is [slachtoffer] tegen een spiegel in de woning gevallen en ten gevolge hiervan op de grond terechtgekomen. Op de grond kreeg [slachtoffer] nog een paar trappen tegen zijn hoofd van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] inderdaad tegen zijn gezicht heeft geslagen. Dit heeft hij met een boksbeugel gedaan die verdachte had meegenomen uit voorzorg omdat hij [slachtoffer] wilde confronteren met een verhaal van zijn vriendin over een eerdere verkrachting waardoor het mogelijk uit de hand kon lopen. Verdachte ontkent [slachtoffer] te hebben getrapt.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet heeft getrapt niet aannemelijk. Verdachte heeft hier wisselend over verklaard en is ter zitting niet goed in staat gebleken om de kritische vragen die de rechtbank hierover heeft gesteld adequaat te beantwoorden. Voorts is bij aangever nekletsel geconstateerd en is door een verbalisant geverbaliseerd dat er in de woning inderdaad een spiegel kapot was en dat er bloedspetters op de muur zaten. Deze feiten en omstandigheden sluiten beter aan bij de aangifte dan bij hetgeen verdachte heeft hierover heeft verklaard. De rechtbank kent ten slotte gewicht toe aan het feit dat verdachte ter zitting geen logische verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat hij een valse naam heeft opgegeven voordat hij de woning van aangever binnenging.
Alles afwegende neemt de rechtbank de aangifte als uitgangspunt en acht zij bewezen dat verdachte met een boksbeugel meermalen tegen het hoofd en gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen en hem vervolgens heeft getrapt terwijl [slachtoffer] op de grond lag.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet worden.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat het letsel van [slachtoffer] fors is geweest, maar juridisch gezien niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De gedragingen van verdachte leveren naar het oordeel van de rechtbank wel een poging tot zware mishandeling op. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt wanneer hij meerdere keren met een boksbeugel tegen het gezicht en/of hoofd wordt geslagen en tegen het hoofd wordt getrapt. Dergelijke gewelds-handelingen leiden immers al snel tot breuken in of aan (delen van) de schedel zoals de oogkas waarvoor niet zelden een operatie noodzakelijk is of waarbij het herstel langere tijd in beslag neemt. Dat verdachte dit risico ook bewust heeft aanvaard, leidt de rechtbank af uit de aard van de gedragingen zelf.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Feit 2
Op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een boksbeugel voorhanden heeft gehad en deze heeft gedragen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 26 juni 2025 te Tilburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen met een boksbeugel tegen het gezicht en het hoofd heeft geslagen en die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft getrapt terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en die [slachtoffer] ten val heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 26 juni 2025 te Tilburg, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een taakstraf op te leggen. Verdachte is jong en een first offender. Hij beseft dat de mishandeling nooit had mogen gebeuren en heeft spijt. Hij wil zich houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en het voorhanden hebben en dragen van een boksbeugel. Verdachte is naar de woning van [slachtoffer] gegaan om hem te confronteren met een zorgelijk verhaal van zijn vriendin. Uit dat verhaal heeft verdachte geconcludeerd dat zijn vriendin door [slachtoffer] zou zijn verkracht. Dat van zoiets sprake is geweest, staat helemaal niet vast. Toch heeft verdachte besloten om het recht in eigen hand te nemen en is daarbij planmatig te werk gegaan. Verdachte heeft gewapend met een boksbeugel bij de woning van [slachtoffer] aangebeld, een valse naam opgegeven en gezegd dat hij naar de wc moest. [slachtoffer] heeft hem binnengelaten en is vervolgens in zijn huis meerdere keren met de boksbeugel tegen zijn gezicht geslagen en tegen het hoofd getrapt door verdachte. Hierdoor heeft [slachtoffer] flink letsel opgelopen, namelijk een kneuzing van de kaak en nek en een snij-/scheurwond in de wenkbrauw. Uit het verzoek tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring volgt dat [slachtoffer] ook langdurig last heeft gehad van hoofdpijn en van zijn schouders en nek, moeite heeft gehad om zich te concentreren en te kampen heeft gehad met psychische klachten. Bij hem is PTSS gediagnosticeerd, waarvoor hij met EMDR wordt behandeld. De rechtbank weegt mee dat [slachtoffer] in zijn eigen huis is aangevallen; de plek waar hij zich juist veilig zou moeten voelen. De impact is zo groot geweest dat [slachtoffer] zijn hele huis heeft veranderd, omdat alles hem deed denken aan de mishandeling. Ook op straat is hij nog steeds erg angstig. Hij is bang om verdachte tegen te komen en schrikt van mensen die op hem lijken. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verder houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 19 april 2026, waarin wordt geadviseerd om verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet weinig problemen op de verschillende leefgebieden. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. Toch ziet de reclassering aanwijzingen om een plan van aanpak op te stellen. Dit met name op basis van het gedrag dat verdachte heeft laten zien tijdens het feit en zijn houding na afloop. Verdachte toonde namelijk weinig berouw en inlevingsvermogen in de gevoelens van [slachtoffer] en heeft op dit gebied wat te leren. Daarvoor is de gedragsinterventie I-respect passend. Daarin wordt gewerkt aan verschillende doelen om uiteindelijk toekomstig geweld te voorkomen.
Volgens de LOVS-oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank ziet echter reden om hiervan af te wijken. Enerzijds herkent de rechtbank het beeld dat de reclassering over hem schetst. Verdachte heeft op zitting weliswaar zijn excuses aangeboden voor het feit, maar dit kwam niet doorleefd over. Anderzijds gaat het om een jonge verdachte die nooit eerder met justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte aan zichzelf gaat werken en daarbij de hulp van de reclassering krijgt. Hij zal in dat kader in ieder geval de gedragsinterventie I-respect moeten volgen om de kans op herhaling zo veel mogelijk te verkleinen. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Omdat het een ernstig feit betreft en de rechtbank dit wil laten terugkomen in de straf die zij oplegt, zal de rechtbank verdachte een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daarnaast een flinke taakstraf.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 180 uur en een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Aan de proeftijd worden een meldplicht en de gedragsinterventie i-respect als bijzondere voorwaarden verbonden.
7. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 9.757,94, waarvan € 2.882,94 aan materiële schade en € 6.875,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Door de verdediging is enkel verweer gevoerd tegen de gemaakte reiskosten naar de Chiropractor en de hoogte van de immateriële schade. Nu tegen de overige materiële schadeposten geen verweer is gevoerd en deze niet onrechtmatig voorkomen, zal de rechtbank deze schadeposten integraal toewijzen.
Met betrekking tot de betwiste schadeposten overweegt de rechtbank dat de reiskosten in een rechtstreeks causaal verband staan met het bewezenverklaarde feit. Anders dan de verdediging acht de rechtbank een bezoek aan een behandelaar in Hilversum niet onredelijk. Voor de gevorderde immateriële schade acht de rechtbank van belang dat [slachtoffer] in zijn woning meermalen met een boksbeugel tegen zijn gezicht is geslagen. Als gevolg hiervan heeft hij een kneuzing van de kaak en nek en een snij-/scheurwond in de wenkbrauw opgelopen. Ook is bij hem PTSS vastgesteld waarvoor hij wordt behandeld door middel van EMDR. Gelet op deze omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank de gevraagde vergoeding billijk.
Alles afwegende zal de rechtbank de gehele vordering toewijzen. Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: poging tot zware mishandeling;
feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
Gevangenisstraf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven of op telefoonnummer 088- 804 1504. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie i-Respect van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Taakstraf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;
Benadeelde partij [slachtoffer] (t.a.v. feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van
€ 9.757,94, waarvan € 2.882,94 aan materiële schade en € 6.875,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 9.757,94 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 73 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, en mr. E.B. Prenger en
mr. A.L. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 oktober 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Tilburg, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (meermalen) met een boksbeugel, althans een hard (metalen) voorwerp, tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of die [slachtoffer] tegen het hoofd te schoppen/trappen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of (aldus) die [slachtoffer] (daarbij) ten val te brengen;(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Tilburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (meermalen) met een boksbeugel, althans een hard (metalen) voorwerp, tegen het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen en/of die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of (aldus) die [slachtoffer] (daarbij) ten val heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Tilburg, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] (meermalen) met een boksbeugel, althans een hard (metalen) voorwerp, tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of die [slachtoffer] tegen het hoofd te schoppen/trappen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of (aldus) die [slachtoffer] (daarbij) ten val te brengen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;(art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
2hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Tilburg, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen/vervoerd; (art. 13 lid 1 Wet wapens en munitie).