ECLI:NL:RBZWB:2026:10281

ECLI:NL:RBZWB:2026:10281

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-06-2026
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer 25-033843
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bezwaar ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer : 02-180970-22

raadkamernummer : 25-033843

datum : 16 juni 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Sri Lanka),

wonende op het adres [adres]

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. C.G. Peerik, advocaat te Amsterdam,

(postbus 15812, 1001 NH Amsterdam),

hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 31 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 2 juni 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de gemachtigd advocaat van de veroordeelde mr. C.G. Peerik en de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks in raadkamer gehoord.

De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.

De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf en de persoon van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Er was sprake van een ongeluk waar veroordeelde meteen verantwoording voor heeft genomen. Veroordeelde meent dat de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd aldus bijzonder van aard zijn dat deze een beroep op de uitzonderingssituatie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA rechtvaardigen en dat mede gelet op de documentatie en de persoon van veroordeelde er gronden zijn om af te zien van verwerking van het DNA van veroordeelde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Enkel bij hoge uitzondering biedt de Wet DNA ruimte om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat recidive met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden of in uitzonderlijke gevallen bij minderjarigen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling

Bij vonnis van 7 mei 2024 is de veroordeelde door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank veroordeeld ter zake van opzettelijk een openbare landweg versperren, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer is te duchten tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Bij arrest van 22 september 2025 is het Hof te ’s-Hertogenbosch tot dezelfde bewezenverklaring gekomen en een taakstraf opgelegd van 120 uur.

De zaak is nog niet onherroepelijk.

De rechtbank is bevoegd.

Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Daarnaast kan het bevel voorts worden gegeven indien geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf waarvan de rechtbanken kennis nemen en waarop, naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.

De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Aard van het misdrijf

Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn. Veroordeelde is veroordeeld voor het opzettelijk een openbare landweg versperren, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer is te duchten. De rechtbank is van oordeel dat voor de opheldering van dergelijke misdrijven DNA-onderzoek van betekenis kan zijn. Dergelijke misdrijven kennen immers vele verschijningsvormen en daar zitten ook vormen bij waarvoor DNA-onderzoek bepalend kan zijn. De rechtbank verwijst hiervoor nog naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 november 2024 over dit onderwerp, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:2024:1694.

Bijzondere omstandigheden

De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen

met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).

Hetgeen namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt tot het oordeel dat deze uitzonderingssituatie in het onderhavige geval niet van toepassing is. Uitgaande van de veroordeling in eerste aanleg en de veroordeling door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is er sprake van een feit, waarvoor hij ook een stevige straf opgelegd heeft gekregen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde evident disproportioneel is. Evenmin kan worden gezegd dat geen sprake is van een relevant recidiverisico. Dat veroordeelde niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten doet daar niet aan af. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Hetgeen voor het overige is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank stelt voorop dat de Wet DNA het algemene belang dient. De opname van DNA-materiaal van de veroordeelde is geen strafverzwarende omstandigheid of een extra straf. De Wet DNA is bedoeld om gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen en om de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Informatie uit de DNA-databank is bovendien niet openbaar en dus niet vrij verkrijgbaar voor een ieder die hierin geïnteresseerd zou zijn. Mocht veroordeelde na cassatie worden vrijgesproken, zal zijn DNA-materiaal worden vernietigd.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 16 juni 2026.

Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.E. van Althuis

Griffier

  • mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand