RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 26-012787
datum : 9 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1985,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 26 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. P. Kuipers, klager en [belanghebbende] : partner van klager.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe heeft klager in raadkamer verteld het bijtincident zeer te betreuren. [naam] is altijd heel aanhankelijk geweest en wilde constant op schoot en geknuffeld worden. De trainingen met [naam] waren mooi en gingen ook goed. Klager en zijn partner herkennen [naam] niet in de risicoanalyse van de Universiteit van Utrecht. Rondom het gezin was het wel een periode onrustig (bedreigingen in de richting van de dochter van het gezin) en mogelijk dat dit wel iets met [naam] heeft gedaan. Inmiddels is het al een paar maanden wat rustiger en krijgt het gezin hulp. Zij hopen dan ook dat [naam] terug mag naar huis, zodat het gezin hem de goede dingen van het leven kan laten zien. Zij zijn bereid om [naam] te muilkorven, eventueel te castreren en extra te trainen. Van het bijtincident op 13 maart 2026 denkt klager dat het een ongeluk was. De jongen die door [naam] is gebeten, is het ex-vriendje van zijn dochter en [naam] wilde hem begroeten. De jongen raakte echter in paniek en begon direct te schoppen. [naam] heeft zich toen verdedigd.
[belanghebbende] heeft in raadkamer verteld dat zij en klager erg zijn geschrokken van het bijtincident op 13 maart 2026 en [naam] daarin niet herkennen.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar ministerie. Gelet op de ernst van het incident van 13 maart 2026, het rapport van de Universiteit Utrecht en de verklaring van agent [persoon] over een eerder incident is het onverantwoord is om [naam] terug te geven aan het gezin van klager. Bij het bijtincident zijn maar liefst vier personen door [naam] gebeten, waaronder drie (jonge) kinderen. Het letsel dat [naam] daarbij heeft veroorzaakt is ernstig. Daarnaast heeft [naam] ook tijdens de gedragstest in de opvang bijtgedrag laten zien. Hoewel de officier van begrijpt dat [naam] een grote emotionele waarde vertegenwoordigt voor het gezin, acht hij het risico op nieuwe bijtincidenten - waarbij wederom een kind slachtoffer wordt - te groot. Hij acht het daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of deonttrekking aan het verkeer van [naam] zal bevelen. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op 13 maart 2026 heeft er in [woonplaats] een bijtincident plaatsgevonden, waarbij [naam] vier personen heeft gebeten. Eén van die personen betrof een 12-jarige jongen die zich op dat moment buiten de woning bevond waar [naam] verbleef. De overige personen waren gezinsleden van [naam] die daarna in de woning zijn gebeten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [persoon] volgt dat er sprake zou zijn van een eerder bijtincident op dit adres. In de risicoanalyse van de Universiteit Utrecht van 20 april 2026 wordt geconcludeerd dat er een zeer hoog bijtrisico naar volwassenen, kinderen en andere honden bestaat en dat de invloed van de huidige eigenaren wordt ingeschat als risico verhogend. [naam] zou enkel terug kunnen naar de eigenaren als zij willens en kundig zijn om te leren hoe [naam] als waakhond dient te worden opgevoed en getraind en als zij zich aan permanente cumulatieve maatregelen willen houden.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben klager en [belanghebbende] in raadkamer voldoende duidelijk hebben gemaakt dat zij veel om [naam] geven, zij [naam] niet in het bijtincident op 13 maart 2026 herkennen en bereid zijn alles te doen om [naam] een tweede kans te geven. De rechtbank kan [naam] echter niet onder voorwaarden teruggeven. De wet kent die mogelijkheid niet. Overigens is de vraag welke voorwaarden het bijtrisico tot een aanvaardbaar minimum terug zouden brengen. In feite mag er gewoon geen tweede bijtincident plaatsvinden.
Gelet op het incident van 13 maart 2026 en de inhoud van de risicoanalyse is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van [naam] zal beslissen. Daarom zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).