RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 26-013210
datum : 9 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] ,
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 26 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. P. Kuipers en klager. Klager heeft tijdens de zitting een dierenartsassistente van [dierenartspraktijk] gebeld met de telefoon op luidspreker.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Klager ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het onthouden van de nodige (medische) verzorging aan zijn hond [naam] . In raadkamer erkent klager dat hij [naam] al ruim twee jaar niet heeft laten vaccineren. Klager is wel met [naam] bij [dierenartspraktijk] ( [adres 2] ) langsgegaan voor pijnmedicatie. Gelet op het gewicht van [naam] diende klager twee tot driemaal per week 25 tot 30 ml pijnmedicatie (middels een spuitje) in het eten van [naam] te doen. Klager had de grootste verpakking van 100 ml vloeistof van de dierenarts meegekregen. Dat was ten tijde van de inbeslagneming van [naam] bijna op. Klager ging voorzichtig met de pijnmedicatie om en is geminderd met toediening daarvan, omdat het volgens hem schadelijk zou zijn voor de organen en eetlust van een hond.
Klager ontkent in raadkamer wat de bijzondere opsporingsambtenaren op 23 april 2026 zouden hebben waargenomen. Klager heeft [naam] niet aan de lijn meegetrokken, terwijl klager in een scootmobiel reed. Hij heeft [naam] niet bij zijn nekvel en staartaanzet in de lucht getild en klager was niet onder invloed. Dat [naam] door toedoen van klager mank zou lopen ontkent klager ten stelligste. Hij heeft [naam] 10 jaar geleden geadopteerd en toen liep [naam] al mank als gevolg van eerdere mishandelingen. [naam] is inmiddels hoog bejaard, seniel en incontinent en zal klager mogelijk ook niet meer herkennen. Klager weet dat [naam] nu goed wordt verzorgd. Hij wenst dan ook meer om principiële redenen teruggave van [naam] . De overheid heeft onrechtmatig gehandeld door [naam] in beslag te nemen en door klager strafrechtelijk te gaan vervolgen.
De dierenartsassistente heeft in raadkamer aangegeven dat klager op 2 oktober 2023 samen met zijn hond de praktijk heeft bezocht en op 2 oktober 2025 pijnmedicatie heeft opgehaald.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie. Op basis van de bevindingen van de politie en de verklaring van de dierenarts dient [naam] teruggegeven te worden aan klager. Uit de waarnemingen van de politie en de verklaring van de dierenarts valt af te leiden dat [naam] de nodige zorg is onthouden. Op 20 mei jl. heeft de dierenarts aan het Openbaar Ministerie bericht dat [naam] nog steeds mank loopt en pijnstilling moet gebruiken. Hoewel het dossier nog moet worden opgemaakt en de zaak daarna nog moet worden beoordeeld, is vooralsnog het uitgangspunt dat klager vervolgd kan worden voor overtreding van artikel 2.2 lid 8 wet dieren. De officier van justitie acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van [naam] zal uitspreken.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Op 23 april 2026 is de hond van klager ( [naam] ) in beslag genomen wegens verdenking van het onthouden van voldoende (medische) zorg voor [naam] . Naar aanleiding van een melding dat een man in een scootmobiel een manke hond met zich mee zou trekken is de politie ter plaatse gegaan. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 23 april 2026 volgt dat tijdens het gesprek met de politie klager [naam] bij zijn nekvel en staartaanzet pakte en hem in de lucht tilde. De politie zag aan het gedrag van [naam] dat deze dit niet prettig vond en zowel linksvoor als rechtsachter mank liep. [naam] is na de inbeslagname beoordeeld door een dierenarts. Deze heeft vastgesteld dat [naam] stijf was in de achterkant, hij op zijn linker voorpoot kreupel liep en dat de elleboog linksvoor dik was. Klager heeft in raadkamer betwist dat hij [naam] zou hebben voortgetrokken, terwijl hij zelf in een scootmobiel reed. Klager heeft in raadkamer de bevindingen van de politie en boa’s betwist en ook betwist dat hij [naam] medische zorg heeft onthouden. Hij heeft wel erkend dat hij [naam] al langere tijd niet heeft laten vaccineren, maar heeft hem wel pijnmedicatie toegediend.
De rechtbank stelt in ieder geval vast dat klager op 2 oktober 2025 100 ml pijnmedicatie heeft meegekregen en twee tot driemaal per week ongeveer 25 ml pijnmedicatie per keer met een spuitje in het voer van [naam] moest stoppen. In raadkamer heeft klager aangegeven dat hij steeds zelf een inschatting maakt wanneer [naam] pijnstilling nodig heeft, omdat de pijnmedicatie ook een negatief effect heeft op de organen en de eetlust van een hond. De rechtbank stelt vast dat een hoeveelheid van 100 ml pijnmedicatie in ieder geval volstrekt onvoldoende was om daarmee de periode van oktober 2025 tot de inbeslagneming op 23 april 2026 te overbruggen. Alleen daarom al acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van [naam] zal bevelen. De rechtbank zal het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag dan ook ongegrond verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).