Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-189717-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
raadsvrouw mr. F.W.M. Hopmans, advocaat te Echt.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
primair: op 30 juni 2026 heeft geprobeerd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) van het leven te beroven,subsidiair: op 30 juni 2026 heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging doodslag. Zij gaat daarbij uit van voorwaardelijk opzet.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het doden van [slachtoffer] . Niet kan worden vastgesteld dat de concrete gedragingen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] in het leven hebben geroepen. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De feiten en omstandigheden
Op grond van de bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
Verdachte rijdt op 30 juni 2026 in de avond als bestuurder, samen met een vriend, in een gehuurde auto van [bedrijf] . Vanuit deze auto gooit verdachte iets na 21.00 uur een ei tegen de zijruit van de auto van aangever. Hierna rijdt verdachte met hoge snelheid weg, waarna aangever besluit achter hem aan te rijden, omdat hij het kenteken van de auto wilde weten. Na een korte achtervolging keert verdachte zijn auto om in de Wethouder Eijkemansstraat en komt hij om 21.07 uur tot stilstand in deze straat. Aangever stapt uit zijn auto en loopt de Wethouder Eijkemansstraat in, in de richting van de auto van verdachte. Verdachte geeft vervolgens gas en rijdt met de door hem bestuurde auto tegen aangever aan.
De bewijsmiddelen met betrekking tot de snelheid waarmee aangever is aangereden
Aangever verklaart dat verdachte met flinke snelheid op hem af kwam rijden. Hij kon op dat moment nergens heen vanwege een geparkeerde auto aan de ene kant en bosjes aan de andere kant. Aangever is omhoog gesprongen en op de motorkap en de voorruit van de auto beland. Door de snelheid van de auto is aangever vervolgens door de lucht gevolgen en uiteindelijk op de grond terechtgekomen. [getuige 1] verklaart dat de auto van verdachte vol gas in de richting van aangever reed. Ze hoorde een knal en zag dat aangever de lucht in vloog. [getuige 2] hoorde een auto heel hard gas geven met piepende banden. Hij zag dat aangever werd aangereden en hierbij 2 à 3 meter de lucht in vloog. De bijrijder in de auto van verdachte, [getuige 3] , verklaart dat verdachte keihard op aangever inreed. Aangever heeft door de aanrijding veel pijn aan de linkerzijde van zijn lichaam, te weten zijn enkel, been, arm en nek opgelopen.
Uit de loggegevens van de auto die verdachte bestuurde volgt dat de auto om 21.07 uur vanuit stilstand versnelde tot 43 kilometer per uur. Deze acceleratie zette zich door tot 75 kilometer per uur in 12 seconden, waarna de auto kort afremde naar 30 kilometer per uur.
De beoordeling
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd en overweegt daartoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag, is vereist dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier waaruit volgt dat verdachte als doel had om aangever daadwerkelijk van het leven te beroven. Van zogenoemd ‘vol opzet’ is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden en deze kans ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
De rechtbank stelt voorop dat niet precies is vast te stellen met welke snelheid verdachte aangever heeft geraakt. Uit de loggegevens volgt weliswaar dat met de auto vanuit stilstand is versneld tot 43 kilometer per uur en dat de acceleratie zich vervolgens heeft doorgezet tot 75 kilometer per uur in 12 seconden, maar dit geeft geen uitsluitsel over de exacte snelheid waarmee werd gereden op het moment van de aanrijding. De rechtbank is echter van oordeel dat in de overige bewijsmiddelen voldoende aanknopingspunten te vinden zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat deze snelheid op dat moment aanzienlijk moet zijn geweest. Aangever spreekt over een flinke snelheid waarmee verdachte op hem af kwam rijden. Getuigen verklaren dat verdachte vol gas en keihard op aangever inreed. Tevens stelt de rechtbank op basis van de getuigenverklaringen vast dat aangever over de auto heen is gevlogen als gevolg van de klap. Een getuige verklaart dat aangever na de aanrijding 2 à 3 meter de lucht in vloog.
De rechtbank is van oordeel dat wanneer een bestuurder van een auto met een aanzienlijke snelheid op een voetganger inrijdt terwijl er voor de voetganger maar beperkte
mogelijkheden zijn om uit te wijken, dit een aanmerkelijke kans oplevert dat de voetganger dit met de dood moet bekopen. Dat aangever het er in het onderhavige geval levend van af heeft gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank vooral te danken aan zijn adequate eigen reactie: hij is omhoog gesprongen en is daardoor niet vol geraakt en/of onder de auto terechtgekomen. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verdachte voornoemde aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Zij leidt dit af uit het handelen van verdachte zelf.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 30 juni 2026 te [geboorteplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, als bestuurder van een stationwagen met hoge snelheid tegen die voornoemde [slachtoffer] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest, en ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen langer dan het voorarrest en te volstaan met daarbij een voorwaardelijke straf.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door met een auto op het slachtoffer in te rijden. Verdachte was niet in het bezit van een rijbewijs en heeft de auto als wapen gebruikt. Het slachtoffer is hierbij hard op de motorkap en de voorruit van de auto terecht gekomen en enkele meters de lucht in gevlogen. Na de aanrijding is verdachte doorgereden. Met zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor het leven dan wel de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft bovendien lange tijd geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en dit neemt de rechtbank hem ook kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij (veelvuldig) eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, vermogensdelicten, verkeersdelicten, en drugsgerelateerde feiten. Daarbij liep verdachte in meerdere proeftijden en heeft dit hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een (ernstig) strafbaar feit.
De rechtbank slaat acht op het reclasseringsrapport van 25 september 2026, waarin is beschreven dat verdachte eerder is gediagnosticeerd met PTSS, een stoornis in het gebruik van cannabis, een eerder gestelde diagnose ADHD en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met cluster B trekken. Het psychosociaal functioneren van verdachte vormt de belangrijkste risico verhogende factor. Verdachte heeft beperkte copingvaardigheden om op een adequate manier problemen op te lossen of emoties te reguleren. Er is sprake van snelle ontremming waardoor situaties eenvoudig escaleren. Vooral in de omgang met spanningen reageert betrokkene inadequaat en grensoverschrijdend. Er is sprake van een lopend reclasseringstoezicht, waarbij de stappen die behaald worden klein zijn. Verdachte wil hulp, maar de hulp die hem wordt aangeboden accepteert hij veelal niet omdat hij wantrouwig is door eerdere negatieve ervaringen. Daarbij is verdachte sterk zelfbepalend. De winst die nog behaald kan worden zit in het doorlopen van de behandeling. Tegelijkertijd heeft de reclassering hier, gezien de vele justitiecontacten, sterke vraagtekens bij en lijkt de hoogst haalbare situatie feitelijk al bereikt te zijn. Omdat er al sprake is van een lopend toezicht met bijzondere voorwaarden, ziet de reclassering geen noodzaak om deze opnieuw te adviseren. Ter zitting heeft de deskundige het reclasseringsadvies toegelicht en hetgeen beschreven in het rapport bevestigd.
De straf
De aard en ernst van het gepleegde feit rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank onder meer gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat verdachte langere tijd geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en (gelet op zijn jonge leeftijd) een zeer uitgebreid strafblad heeft.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 18 maanden met aftrek van het voorarrest. Zij ziet gelet op de ernst van het feit en de hiervoor overwogen omstandigheden, geen ruimte voor een voorwaardelijk deel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vordering van de benadeelde partij
Benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 18.080,-, bestaande uit € 280,- aan materiële schade en € 17.800,- aan immateriële schade voor het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft hiervoor bewezenverklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiele schade
Gelet op de bewezenverklaring van het feit is de rechtbank overtuigd dat de benadeelde partij schade aan de spijkerbroek, het T-shirt en de schoenen heeft opgelopen. Omdat de gestelde hoogte van de schade niet met stukken is onderbouwd, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank schat de schade op de bedragen die zijn gevorderd en wijst de materiële schade tot dat bedrag toe.
Immateriële schade
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kan hier ook sprake van zijn indien dit volgt uit de aard en de ernst van de normschending van het strafbare feit en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke gevallen kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
Uit de toelichting op de vordering op zitting volgt dat de benadeelde partij lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,- toewijsbaar. Voor het overige deel van deze vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
poging tot doodslag;
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 jaren;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.780,-, waarvan € 280,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 juni 2026 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 2.780 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 juni 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 27 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, en mrs. E.B. Prenger en A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 30 juni 2026 te [geboorteplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven, als bestuurder van een stationwagen met enige/hoge snelheid tegen die voornoemde [slachtoffer] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2026 te [geboorteplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een stationwagen met enige/hoge snelheid tegen die voornoemde [slachtoffer] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )