Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.067721.24
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1984,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. N. Heijkant, advocaat te Dongen.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 april 2022 tot en met 3 augustus 2023 zijn stiefkinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hen met de hand tegen het hoofd en lichaam te slaan en door [slachtoffer 2] met een boek in zijn buik te slaan. De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn betrouwbaar en het dossier bevat voor deze gedragingen voldoende steunbewijs. De officier van justitie vordert verdachte partieel vrij te spreken van de overige geweldsfeiten, omdat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat. Ook vordert zij vrijspraak van het uitschelden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , nu deze psychische mishandeling niet valt onder de reikwijdte van artikel 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak van verdachte omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de ten laste gelegde gedragingen. Ten aanzien van het slaan met het boek heeft verdachte verklaard dat hij het boek enkel tegen [slachtoffer 2] heeft aangedrukt. Er was geen sprake van een slaande of duwende beweging. Er is geen opzet geweest en er is ook geen pijn of letsel juridisch en objectief waargenomen. Deze handeling kan dan ook niet worden gekwalificeerd als mishandeling.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zowel fysieke als psychische mishandeling van zijn stiefkinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de periode 1 april 2022 tot en met 3 augustus 2025.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een boek in zijn buik te slaan. [slachtoffer 2] heeft hierover verklaard dat tijdens een vakantie in Zuid-Frankrijk verdachte hem had laten schrikken en [slachtoffer 2] hard gilde, waarop verdachte met een boek in zijn buik had geslagen. Deze verklaring van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaring van verdachte. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij een boek tegen [slachtoffer 2] heeft aangehouden, maar dat hij niet de indruk kreeg dat dit pijn bij [slachtoffer 2] deed.
Aan verdachte is ook ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou hebben geslagen tegen het hoofd en lichaam. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor deze gedragingen worden ondersteund door de verklaring van de getuige buurvrouw [getuige] . Zij zou hebben gezien dat verdachte wel eens een corrigerende tik uitdeelde aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt in dit kader dat door deze getuige in haar verklaring niet is ingegaan op een periode waarin zij dit zou hebben waargenomen. Haar verklaring zou ook kunnen zien op de periode dat verdachtes [ex-partner] bij hem woonde. Deze periode is echter niet tenlastegelegd. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank haar verklaring niet als steunbewijs kan gebruiken.
Ook voor de overige geweldshandelingen op de tenlastelegging ontbreekt in het dossier voldoende zelfstandig en objectief steunbewijs. De rechtbank zal verdachte daarom partieel hiervan vrijspreken.
Verdachte wordt tot slot verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan psychische mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door hen woordelijk uit te schelden. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of psychische mishandeling – indien bewezen – valt onder de reikwijdte van artikel 300 lid 4 Sr. De rechtbank is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak niet het geval is en verwijst naar de conclusie van de AG, ECLI:NL:PHR:2026:238. Indien de verweten gedragingen al kunnen worden bewezen, leveren het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs op dat deze gedragingen als een strafbare mishandeling kunnen worden gekwalificeerd in die zin dat bij de slachtoffers pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat de slachtoffers als gevolg daarvan in hun gezondheid zijn benadeeld. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in of omstreeks de periode van 15 juli 2022 tot en met 3 augustus 2023 op een camping te Frankrijk, een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorende tot zijn gezin, namelijk, [slachtoffer 2] , geboren [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats 2] , opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet [slachtoffer 2] met een boek in de buik, geslagen waardoor hij pijn heeft bekomen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstaf van 80 uur, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, dan wordt verzocht artikel 9a Sr toe te passen en te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. De zaak moet namelijk worden gezien tegen de achtergrond van falende hulpverlening van de instanties. Daar komt bij dat er geen sprake is van berechting binnen een redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn minderjarige pleegzoon [slachtoffer 2] door hem met een boek in zijn buik te slaan.
Over verdachte is een reclasseringsrapport opgesteld. De reclassering heeft de indruk dat verdachte in het verleden structureel overvraagd is geweest met betrekking tot de pleegzorg voor zijn voormalige pleegkinderen. Verdachte heeft twee biologische kinderen maar kreeg een nieuwe relatie met een vrouw die ook drie kinderen had. Aanvankelijk had verdachte de rol van stiefouder maar nadat de moeder vanwege psychische- en verslavingsproblematiek niet voor haar eigen kinderen kon zorgen, werd verdachte pleegouder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De relatie met hun moeder was toen al verbroken. De (gedrags)problematiek van de pleegkinderen groeide hem boven het hoofd. Na de tenlastegelegde periode is er rust gekomen. Verdachte kan zich weer op zijn werk als zzp'er in de bouw concentreren en op de zorg voor zijn eigen kinderen. Hij heeft co-ouderschap met de moeder van zijn biologische kinderen. Er zijn in de afgelopen jaren geen meldingen geweest van een onveilige situatie in het gezin van verdachte. Verdachte heeft geen hulpvraag voor de reclassering en de reclassering ziet momenteel geen aanknopingspunten voor reclasseringsinterventies. Bij een veroordeling adviseren zij dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft oog voor de uiterst nare gezins- en opvoedsituatie waarmee [slachtoffer 2] op jonge leeftijd al te maken heeft (gehad). De rechtbank kan bij het bepalen van de straf echter enkel rekening houden met het bewezen verklaarde feit. In dit geval is de rechtbank gekomen tot een zeer beperkte bewezenverklaring met een relatief geringe ernst, waarbij het voor de rechtbank aannemelijk is geworden dat de door verdachte gepleegde gedraging als corrigerend was bedoeld in het kader van de opvoeding en niet gericht op letsel/pijn. Dat neemt niet weg dat ook een dergelijke corrigerende handeling normoverschrijdend en strafbaar is, maar de ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt in het geheel niet de oplegging van een onvoorwaardelijke of zware straf. Daarnaast houdt de rechtbank er in strafmatigende zin rekening mee dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn nu het feit dateert uit 2023.
Gelet op de bovengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het passend te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 7.529,79, bestaande uit € 7.500,- immateriële schade en € 29,79 aan materiële schade. Ook worden er proceskosten gevorderd.
Verdachte is vrijgesproken van de gedragingen jegens [slachtoffer 1] waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat op grond van het voorliggende dossier kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het eenmaal mishandelen van [slachtoffer 2] , door met een boek in zijn buik te slaan. De rechtbank komt daarmee tot een beperkte bewezenverklaring.
Verdachte heeft als gevolg van deze bewezenverklaarde handeling onrechtmatig gehandeld tegenover de benadeelde partij. Verdachte is dan ook verplicht de schade die de benadeelde partij als gevolg van deze handeling heeft opgelopen te vergoeden. De rechtbank wil daarmee niet afdoen aan de impact die de gehele situatie op [slachtoffer 2] zijn leven heeft gehad en nog steeds heeft.
Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 300,- aan immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 3 augustus 2023.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[slachtoffer 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] € 300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mr. K. Verschueren en mr. A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2026.
De jongste, oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 3 augustus 2023 te [plaats] ,althans in Nederland en/of een camping te Frankrijk,(een) kind(eren) dat/die hij verzorgde of opvoedde als behorende tot zijn gezin,namelijk- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats 2] ,- [slachtoffer 2] , geboren [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats 2] ,meermalen opzettelijk heeft mishandeld,immers heeft hij, verdachte, met dat opzetmeermalen, althans eenmaal,[slachtoffer 1]- met de (vlakke) hand(en), tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of- met de hand(en) in de wangen geknepen en/of- met de voet(en) tegen de billen, in de maag/buik en/of tegen de voet(en), althans het lichaam geschopt en/of- met de hand(en) bij de keel gegrepen en/of geknepen en/of- uitgescholden, door hem/haar kankerkinderen en/of mongolen te noemen,en/of [slachtoffer 2]- met de (vlakke) hand(en), tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of- met een schoen met stalen neus in de richting van en/of tegen het lichaam gegooid en/of- met een boek in de maag/buik, althans het lichaam geslagen en/of- uitgescholden, door hem/haar kankerkinderen en/of mongolen te noemen,waardoor hij/zij (telkens) pijn en/of letsel heeft/hebben bekomen en/of een hevigeonlust veroorzakende lichamelijke en/ofgeestelijke gewaarwording bij hem/haar/hen is veroorzaakt en/of de geestelijkegezondheid is benadeeld;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht )