RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 01-120998-26
bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 28 oktober 2026
(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsvrouw mr. H.E. Berman.
Procedure
Op 02 september 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 20 oktober 2026 is op griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsvrouw gehoord.
Beoordeling
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen, met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenisstraf opgelegd onder parketnummer 21-000140-24 kan uitzitten.
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Het gaat in deze zaak om de vraag welk uitgangspunt moet gelden bij de beoordeling of de voorlopige hechtenis moet worden geschorst om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten.
In haar uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) constateerde de rechtbank dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zijn jarenlange lijn van ‘schorsen, tenzij’ in zijn uitspraak van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1865) omgewisseld heeft voor het uitgangspunt ‘niet schorsen, tenzij’. De rechtbank oordeelde dat deze nieuwe lijn van het gerechtshof niet wordt beargumenteerd, en daardoor de rechtbank niet overtuigt.
In een reeks van latere uitspraken heeft de rechtbank argumenten aangedragen waarom het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ moet zijn. De redenen zijn - kort samengevat – de volgende:
De rechtbank constateert dat het gerechtshof een dialoog met de rechtbank over deze argumenten niet aangaat.
In zijn uitspraak van 3 september 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026: 2531) herhaalt het gerechtshof het uitgangspunt ‘niet schorsen, tenzij’ en beargumenteert dat uitgangspunt met de bedoeling van de minister met de Regeling. Die bedoeling zou zijn dat de executievolgorde van de Regeling dwingend is, en dat dit blijkbaar schorsing van de voorlopige hechtenis om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten, als regel onmogelijk maakt.
De rechtbank merkt allereerst op dat de toelichting op de Regeling nergens vermeldt dat schorsing van de voorlopige hechtenis in dit soort zaken wordt verhinderd door de dwingende volgorde van de executie in de Regeling. Voorts constateert de rechtbank dat het gerechtshof de argumenten van de rechtbank uit de toelichting op de Regeling, namelijk dat een eventuele dwingende executievolgorde in dit soort zaken niet aan schorsing in de weg staat (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594), niet betrekt bij zijn oordeel, evenmin als de andere door de rechtbank aangedragen argumenten in de latere uitspraken voor ‘schorsen, tenzij’.
Nu het gerechtshof in 2025 zijn ommezwaai van ‘schorsen, tenzij’ naar ‘niet schorsen, tenzij’ niet heeft beargumenteerd, en in latere uitspraken niet ingaat op de argumenten van de rechtbank voor het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’, heeft de rechtbank in haar beslissing van 5 augustus 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:7238) prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad der Nederlanden. Deze vragen hebben volgens de site van de Hoge Raad der Nederlanden op het moment van deze beslissing nog steeds de status ‘ingekomen’.
De rechtbank heeft zich daarom de vraag gesteld welk uitgangspunt moet worden gehanteerd in de tijd dat de Hoge Raad der Nederlanden de vragen nog niet heeft beantwoord: gerechtshof en rechtbank verschillen immers fundamenteel van inzicht over het juiste uitgangpunt, en tussen beide vindt (vooralsnog) geen vruchtbare dialoog hierover plaats.
Op 2 september 2026 (ECLI:RBZWB:2026:9975) besliste de rechtbank dat in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad der Nederlanden de rechtbank de lijn van het gerechtshof zal volgen, om de strafketen niet onnodig te belasten. Daarna is er over deze uitspraak overleg geweest in de rechtseenheidsgremia van het strafteam van de rechtbank, met als resultaat dat de rechtbank het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’, blijft hanteren. De argumenten hiervoor zijn dat anders de rechten van verdachten/veroordeelden zouden worden verkort, en dat belang weegt zwaarder dan de werkbelasting van de rechterlijke macht, zeker nu het aantal van dit soort zaken overzienbaar is. Daarbij komt dat het gerechtshof zelf aangeeft dat er ‘van een onweerlegbaar, vaststaande lijn van de gerechtshoven’ geen sprake is (23 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1979), en het recht in dit soort zaken niet is uitgekristalliseerd.
De rechtbank wordt in deze lijn bevestigd doordat diverse gerechten na het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad der Nederlanden op 5 augustus 2026 eveneens het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ (blijven) hanteren, zoals de Rechtbank Oost-Brabant (18 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5923), de Rechtbank Midden-Nederland (11 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5476) en de Rechtbank Limburg (niet gepubliceerd). Op 9 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den-Haag zich daarbij gevoegd (ECLI:NL:GHDHA:2026:3034), waarbij het gerechtshof een soortgelijk argument als de rechtbank bezigt tegen de stelling dat de Regeling zich tegen schorsing van de voorlopige hechtenis zou verzetten om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten, namelijk: ‘Artikel 1.4 van de ministeriele Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen ziet op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, niet op de beslissingen zelf.’.
Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte schorsen om de onherroepelijke gevangenisstraf zoals opgelegd onder parketnummer 21-000140-24 uit te zitten. De schorsing van de voorlopige hechtenis zal eindigen op het moment dat de verdachte de straf helemaal heeft uitgezeten, en tijdens de executie van de straf voor detentiefasering in aanmerking komt.
Beslissing
De rechtbank:
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 29 oktober 2026 om 10:00 uur tot het moment waarop de tenuitvoerlegging van de (voorwaardelijk opgelegde) gevangenisstraf onder parketnummer 21-000140-24 afloopt dan wel verdachte in aanmerking komt voor verlof of strafonderbreking of om welke reden dan ook wordt vrijgelaten uit de penitentiaire inrichting;
onder de volgende voorwaarden:
1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
5. De verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie.
6. De verdachte zal bij wijziging van zijn of haar adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie.
7. De verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de terechtzitting aanwezig zijn.
Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 28 oktober 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. J.S. Dobosz, rechters,
in tegenwoordigheid van J.A.C.M. van 't Westende, griffier.