ECLI:NL:RBZWB:2026:10505

ECLI:NL:RBZWB:2026:10505

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer 02-193015-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Veroordeling 6 x diefstal, 2 x schennispleging en 4 x overtreden gebiedsverbod. ISD-maatregel 2 jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummers: 02-137822-26, 02-134432-26, 02-168233-26, 02-174425-26, 02-226432-26, 02-190155-26, 02-190398-26, 02-191074-26 en 02-193015-26 (ttz.gev.)

Parketnummer TUL: 02-038565-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

thans gedetineerd te PI [plaats 1] ,

raadsvrouw mr. V.C. Serrarens, advocaat te Middelburg .

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. B.E.M. van Andel en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaken met parketnummers 02-137822-26, 02-134432-26, 02-168233-26 en 02-174425-26 naar deze kamer verwezen.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging van de zaak met parketnummer 02-174425-26 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(02-137822-26)

1. zich in de periode van 3 april 2026 tot en met 4 april 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een frituurpan van [benadeelde 1] ;

2. zich op 16 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 2] ;

3. zich op 24 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 3] ;

4. zich op 24 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 4] ;

5. zich op 28 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 5] ;

(02-134432-26)

zich op 9 mei 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van winkelgoederen van Aldi;

(02-168233-26)

1. zich op 10 juni 2026 schuldig heeft gemaakt aan schennispleging;

2. zich op 10 juni 2026 schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een bezem en een deur(klink) van [benadeelde 6] ;

3. zich in de periode van 7 juni 2026 tot en met 10 juni 2026 schuldig heeft gemaakt aan schennispleging;

(02-174425-26)

op 18 juni 2026 te Goes een gebiedsverbod heeft overtreden;

(02-226432-26)

op 2 juli 2026 te Goes een gebiedsverbod heeft overtreden;

(02-190155-26)

op 3 juli 2026 te Goes een gebiedsverbod heeft overtreden;

(02-190398-26)

op 5 juli 2026 te Goes een gebiedsverbod heeft overtreden;

(02-191074-26)

op 6 juli 2026 te Goes een gebiedsverbod heeft overtreden;

(02-193015-26)

1. zich op 6 juli 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 7] ;

2. zich op 6 juli 2026 schuldig heeft gemaakt aan heling van een fiets.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

(02-137822-26)

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 4 april 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een frituurpan van [benadeelde 1] . Verder acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vier ten laste gelegde fietsendiefstallen, met dien verstande dat zij ten aanzien van de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten partiële vrijspraak vordert voor de braak, verbreking of inklimming.

(02-134432-26)

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal van winkelgoederen van Aldi heeft begaan.

(02-168233-26)

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 heeft begaan, met dien verstande dat zij vordert verdachte vrij te spreken van het onderdeel ‘tegen de glazen ruit van die woning’.

Ten aanzien van feit 2 vordert zij verdachte vrij te spreken.

Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 3 op 7 juni 2026 heeft begaan.

(02-174425-26), (02-226432-26), (02-190155-26), (02-190398-26) en (02-191074-26)

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde overtredingen van het gebiedsverbod heeft begaan.

(02-193015-26)

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1. Zij vordert verdachte van feit 2 vrij te spreken.

Het standpunt van de verdediging

(02-137822-26)

De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de ten laste gelegde fietsendiefstallen volgt zij het standpunt van de officier van justitie, in die zin dat er ten aanzien van feit 2 en feit 5 geen sprake is van braak, verbreking of inklimming en zij verdachte van dat onderdeel verzoekt vrij te spreken.

(02-134432-26)

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van dit feit kan komen.

(02-168233-26)

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 verzoekt zij verdachte vrij te spreken.

(02-174425-26), (02-226432-26), (02-190155-26), (02-190398-26) en (02-191074-26)

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde overtredingen van het gebiedsverbod, met uitzondering van het onder parketnummer 02-174425-26 tenlastegelegde. Ten aanzien van dat parketnummer verzoekt zij verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit.

(02-193015-26)

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Zij verzoekt verdachte van feit 2 vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

(02-137822-26)

Ten aanzien van feit 1

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 4 april 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een frituurpan van [benadeelde 1] .

Ten aanzien van feit 2

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 16 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 2] .

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de diefstal heeft plaatsgevonden door middel van braak, verbreking of inklimming. De rechtbank zal verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 24 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 3] .

Ten aanzien van feit 4

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 24 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 4] .

Ten aanzien van feit 5

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 28 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 5] .

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de diefstal heeft plaatsgevonden door middel van braak, verbreking of inklimming. De rechtbank zal verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.

(02-134432-26)

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 9 mei 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van winkelgoederen van Aldi.

(02-168233-26)

Ten aanzien van feit 1

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 10 juni 2026 in de tuin van de woning van [benadeelde 6] schuldig heeft gemaakt aan schennispleging door het tonen van zijn geslachtsdeel aan [benadeelde 6] en het zich aftrekken.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich op 10 juni 2026 tegen de glazen ruit van de woning van [benadeelde 6] heeft afgetrokken. De rechtbank zal verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

[benadeelde 6] heeft aangifte gedaan van vernieling van een bezem, die zou hebben plaatsgevonden op 8 juni 2026, en van vernieling van een deur(klink), die zou hebben plaatsgevonden ongeveer vijf weken vóór de aangifte daterend van 10 juni 2026. Nu het dossier geen ander bewijs bevat dat de aangifte ondersteunt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde vernieling.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is gelet op de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat het verdachte is geweest die zich op 7 juni 2026 schuldig heeft gemaakt aan schennispleging door de in de tenlastelegging genoemde handelingen te verrichten. De verklaring van [benadeelde 8] vindt steun in de verklaring van [persoon] , aan wie [benadeelde 8] over de seksuele benadering heeft verteld en die daarbij zelf heeft waargenomen dat [benadeelde 8] erg gespannen was. [benadeelde 8] heeft de man die de handelingen verrichtte bovendien herkend op een foto die haar kort na het voorval werd getoond. Zij heeft verklaard dat medebewoners van Emergis hem ‘ [naam] ’ noemen. [persoon] heeft verklaard dat verdachte een terreinverbod had en hem op 7 juni 2026 zelf op het terrein van Emergis heeft gezien.

(02-174425-26), (02-226432-26), (02-190155-26), (02-190398-26) en (02-191074-26)

De rechtbank leidt uit het dossier af dat bij besluit van 16 juni 2026 met het [kenmerk] aan verdachte een gebiedsverbod is opgelegd, geldend van 17 juni 2026 tot en met 8 september 2026 voor de gebieden Centrum en Stationsgebied van Goes .

Op 18 juni 2026 bevond verdachte zich in de binnenstad van Goes . De verbalisanten die hem op dat moment hebben aangetroffen, hebben in hun proces-verbaal vermeld dat zij het gebiedsverbod nogmaals aan verdachte hebben uitgereikt. De rechtbank kan echter niet met zekerheid vaststellen dat verdachte, op het moment dat verbalisanten hem in de binnenstad van Goes aantroffen, op de hoogte was van het gebiedsverbod dat bij besluit van 16 juni 2026 aan hem is opgelegd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het overtreden van het gebiedsverbod op 18 juni 2026.

Voor de feiten van 2, 3, 5 en 6 juli 2026 ligt dit anders. Het gebiedsverbod is in ieder geval op 18 juni 2026 aan verdachte uitgereikt en aan hem uitgelegd, zodat hij op die latere data op de hoogte was van dit verbod. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich op die data telkens binnen het verboden gebied bevond. De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 2, 3, 5 en 6 juli 2026 te Goes het gebiedsverbod heeft overtreden.

(02-193015-26)

Ten aanzien van feit 1

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 6 juli 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets van [benadeelde 7] .

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij twee damesfietsen heeft gestolen. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de fiets waarmee verdachte op 6 juli 2026 is aangetroffen een herenfiets betreft. Verder stelt zij op basis van het dossier vast dat het ringslot van deze fiets was vernield en dat zich ook geen sleutel in de cilinder bevond.

Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank echter verder onvoldoende aanwijzingen dat de fiets van diefstal afkomstig was, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(02-137822-26)

1.

op 4 april 2026 te Goes , een frituurpan, die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

op 16 maart 2026 te Goes , een fiets (merk: Crivit Urban 3.0Y), die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

op 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente Goes , een fiets (merk: Dutch ID), die aan [benadeelde 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

op 24 maart 2026 te Goes , een fiets (merk: Gazelle), die aan [benadeelde 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

5.

op 28 maart 2026 te Goes , een mountainbike fiets (merk: Santos), die aan [benadeelde 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(02-134432-26)

op 9 mei 2026 te Goes , winkelgoederen, die aan supermarkt Aldi toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(02-168233-26)

1.

op 10 juni 2026 te Goes , opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten in de tuin van de woning van [benadeelde 6] , terwijl een persoon, te weten [benadeelde 6] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten:

- het tonen van zijn geslachtsdeel aan die [benadeelde 6] en

- het zich aftrekken;

3.

op 7 juni 2026 te [plaats 3] , gemeente Goes , opzettelijk op een niet openbare plaats, te weten op het terras/terrein van Emergis, terwijl een persoon, te weten [benadeelde 8] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten:

- zijn broek trachten naar beneden te trekken en

- meermalen zijn hand in zijn broek te doen bij zijn geslachtsdeel en

- zijn hand in zijn broek op/bij zijn geslachtsdeel te houden en

- met ontbloot bovenlijf zijn, verdachtes, tepels vast te houden en

- die [benadeelde 8] de woorden toe te voegen: "Je maakt me zo geil";

(02-226432-26)

op 2 juli 2026 te Goes , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk] , krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Goes , inhoudende - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8 september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en Stationsgebied van Goes , immers heeft hij, verdachte, (na uitreiking van dat bevel) zich op 2 juli 2026 te Goes bevonden en begeven op de [straat 1] ;

(02-190155-26)

op 3 juli 2026 te Goes , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk] , krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Goes , inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8 september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en het Stationsgebied van Goes (weergegeven op de daarbij gevoegde kaartweergave), door zich op voornoemde datum omstreeks 18.45u op [straat 2] te bevinden;

(02-190398-26)

op 5 juli 2026 te Goes , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk] , krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Goes ,

inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8 september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en het Stationsgebied van Goes (weergegeven op de daarbij gevoegde kaartweergave), door zich op voornoemde datum omstreeks 03.50 uur op [straat 2] te bevinden;

(02-191074-26)

op 6 juli 2026 te Goes , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk] , krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Goes ,

inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8 september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en het Stationsgebied van Goes (weergegeven op de daarbij gevoegde kaartweergave), door zich op voornoemde datum om 00.36 uur in/op [locatie] , te bevinden;

(02-193015-26)

1.

op 6 juli 2026 te Goes , een fiets (merk Gazelle, framenummer [nummer] ), die aan

[benadeelde 7] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat oplegging van een ISD-maatregel niet passend is. In het advies van de reclassering van 23 september 2026 is onvoldoende onderbouwd of een plan van aanpak mogelijk is en of gedragsverandering met oplegging van een ISD-maatregel kan worden gegarandeerd. In de afgelopen twee jaar heeft verdachte slechts één strafbaar feit gepleegd. Verder blijkt dat verdachte niet eerder een reclasseringstoezicht opgelegd heeft gekregen. Zonder garantie dat een ISD-maatregel het gewenste effect gaat hebben, zal er sprake zijn van een kale opsluiting van twee jaar en de omstandigheid dat verdachte geen huis meer heeft. De verdediging verzoekt dan ook primair om een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht op te leggen. Subsidiair verzoekt zij een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, zodat verdachte de kans krijgt om aan zichzelf te werken met reclasseringstoezicht. Zij benadrukt daarbij dat er geen klinische opname als voorwaarde moet worden gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen, waaronder vijf fietsendiefstallen, een diefstal van een frituurpan en een diefstal van winkelgoederen van Aldi.

Daarnaast heeft hij zich twee keer schuldig gemaakt aan schennispleging en heeft hij vier keer een gebiedsverbod overtreden. Door het begaan van de diefstallen heeft verdachte laten zien dat hij geen respect heeft voor eigendommen van anderen. Met de schennispleging heeft verdachte ongevraagd en ongewenst anderen, in dit geval [benadeelde 6] en [benadeelde 8] , geconfronteerd met zijn handelingen. Een dergelijke onverwachte confrontatie kan een onaangename ervaring zijn en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken. Dat dit voor [benadeelde 8] het geval is geweest, blijkt uit haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Door het meermalen overtreden van het gebiedsverbod heeft verdachte laten zien dat hij geen respect heeft voor ambtelijke bevelen die bedoeld zijn om verdere overlast en aantasting van de openbare orde in aangewezen gebieden te voorkomen.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 25 september 2026, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, waaronder in de afgelopen jaren meerdere keren voor diefstallen en twee keer voor schennispleging.

Aan de veroordeling in 2025 voor schennispleging is een proeftijd gekoppeld die van 25 april 2025 tot 5 mei 2027 loopt. De rechtbank stelt vast dat verdachte een deel van de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende die lopende proeftijd. Verdachte is desondanks weer de fout ingegaan. Ook stelt de rechtbank vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank slaat acht op het rapport van de reclassering van 23 september 2026. Uit dit rapport blijkt dat de reclassering criminogene risicofactoren ziet gelegen in het psychosociaal functioneren van verdachte in combinatie met zijn drugsgebruik en zijn pro criminele houding. Hij toont weinig probleeminzicht en ontkent psychiatrische problemen te hebben. Er is sprake van fors drugsgebruik en een preoccupatie met seksualiteit. In het verleden heeft verdachte een zorgmachtiging gehad en hij krijgt vanwege een eerder vastgestelde psychotische stoornis een antipsychoticum. Hij is in behandeling geweest bij Emergis, maar Emergis heeft sinds juli 2026 geen contact meer met hem. Verdachte toont zich zorgmijdend. Ondanks een fors delictverleden heeft hij nooit een toezicht gehad, omdat hij zijn medewerking aan reclasseringsrapportages weigerde. Ook heeft hij zijn medewerking niet verleend aan een Pro Justitia consult. De reclassering heeft geconcludeerd dat het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden hoog zijn.

De reclassering adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Om de kans op recidive terug te dringen, is het van belang dat verdachte (klinisch) wordt behandeld. De ISD-maatregel wordt als meest aangewezen manier of middel gezien om dit te verwezenlijken en om het patroon van vastzitten, vrijkomen en terugvallen in delictgedrag te doorbreken. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel, (de mogelijkheid om mee te werken aan) het intensieve zorgprogramma in combinatie met de duur van de maatregel is naar de mening van de reclassering de enige mogelijkheid om positieve gedragsverandering en stabiliteit in het leven van verdachte te bewerkstelligen. Daarnaast vindt zij de maatregel gewenst ter beveiliging van de maatschappij. In het rapport heeft de reclassering een plan van aanpak met betrekking tot de intramurale en extramurale fase van de ISD-maatregel beschreven.

Is de ISD-maatregel mogelijk?

De rechtbank overweegt dat niet lichtvaardig moet worden besloten tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Dit is immers een zware maatregel die is bedoeld als laatste redmiddel om gedragsverandering bij stelselmatige daders te bewerkstelligen.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of het opleggen van een (voorwaardelijke of onvoorwaardelijke) ISD-maatregel noodzakelijk en wenselijk is of dat een andere afdoening meer passend is.

Allereerst moet worden vastgesteld of verdachte aan de wettelijke criteria voldoet voor het opleggen van een ISD-maatregel. De rechtbank stelt vast dat aan de eisen van artikel 38m, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, wordt voldaan.

Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De feiten zijn ook begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Daarnaast moet worden voldaan aan het criterium van zeer actieve veelplegers zoals bedoeld in de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers. De rechtbank stelt vast dat verdachte ook hieraan voldoet. Tegen verdachte zijn immers over een periode van vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan in ieder geval één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

Gelet op het voorgaande is het mogelijk om een ISD-maatregel op te leggen.

Is de ISD-maatregel noodzakelijk?

De ISD-maatregel is niet alleen wettelijk mogelijk, maar naar het oordeel van de rechtbank ook noodzakelijk. De reclassering heeft duidelijk gemotiveerd uiteengezet waarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel het enige aangewezen kader is waarbinnen kan worden toegewerkt naar gedragsverandering ter voorkoming van recidive. Daar komt bij dat de

ISD-maatregel met name is gericht op langdurige insluiting ter bescherming van de maatschappij tegen zeer actieve veelplegers. Dat betekent dat een ISD-maatregel ook aangewezen kan zijn wanneer verdachte niet wenst mee te werken.

De door de verdediging aangedragen alternatieven, zoals een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden of een voorwaardelijke ISD-maatregel, zijn geen reële alternatieven, omdat er sprake is van een forse en langdurige problematiek bij verdachte en hij daarvoor professionele begeleiding nodig heeft. Uit de reclasseringsrapportage van 23 september 2026 blijkt dat verdachte zich zorgmijdend en niet begeleidbaar opstelt. Verdachte heeft tijdens de zitting weliswaar naar voren gebracht dat hij nu wel ‘met de reclassering wil praten’, maar die enkele mededeling is voor de rechtbank onvoldoende basis voor het vertrouwen dat een hulpverleningstraject in een voorwaardelijk kader soelaas gaat bieden. Daarin weegt ook mee dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat het van belang is dat verdachte klinisch wordt behandeld om de kans op recidive terug te dringen, maar uit het standpunt van de verdediging volgt dat verdachte daar (nog steeds) niet toe bereid is.

Conclusie

De rechtbank is op grond van de bevindingen van de reclassering en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar wenselijk en noodzakelijk is en zal deze maatregel daarom aan verdachte opleggen. Om voldoende tijd beschikbaar te houden voor het beoogde traject, wordt de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

(02-137822-26)

[benadeelde 1] (feit 1)

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 150,00 aan materiële schade (€ 70,00 voor een frituurpan en € 80,00 aan snackbarkosten als gevolg van het niet hebben van een frituurpan), te vermeerderen met de wettelijke rente en daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij geen nadere onderbouwing bevat en zij is dan ook van oordeel dat de hoogte van de schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is wel aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van de diefstal van de frituurpan. Zij schat deze schade op een bedrag van € 50,00 voor de frituurpan.

De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 4 april 2026.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

[benadeelde 2] (feit 2)

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 1.353,98 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de diefstal en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt, voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2026. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke geldboete van € 350,00 die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 april 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 184, 254b en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 02-168233-26 onder 2 ten laste gelegde feit, van het onder parketnummer 02-174425-26 ten laste gelegde feit en van het onder parketnummer 02-193015-26 onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

(02-137822-26)

feit 1: diefstal;

feit 2: diefstal;

feit 3: diefstal;

feit 4: diefstal;

feit 5: diefstal;

(02-134432-26)

diefstal;

(02-168233-26)

feit 1: opzettelijk, terwijl een persoon daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, op een

niet openbare plaats handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid

verrichten;

feit 3: opzettelijk, terwijl een persoon daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, op een

niet openbare plaats handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid

verrichten;

(02-226432-26)

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift

gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

(02-190155-26)

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift

gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

(02-190398-26)

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift

gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

(02-191074-26)

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift

gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

(02-193015-26)

feit 1: diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

Benadeelde partijen

(02-137822-26)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1) van € 50,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 april 2026 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 50,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 april 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 1 dag gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 2) van

€ 1.353,98 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 16 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 1.353,98 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 16 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 13 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 10 april 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-038565-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro);

- bepaalt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 (zeven) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlasteleggingen

(02-137822-26)

1.

hij, in of omstreeks de periode 3 april 2026 tot en met 4 april 2026 te Goes ,

een frituurpan, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan

[benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

2.

hij, op of omstreeks 16 maart 2026 te Goes ,

een fiets (merk: Crivit Urban 3.0Y), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen

goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

3.

hij, op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente Goes ,

een fiets (merk: Dutch ID), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3]

, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

4.

hij, op of omstreeks 24 maart 2026 te Goes ,

een fiets (merk: Gazelle), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4]

, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

5.

hij, op of omstreeks 28 maart 2026 te Goes ,

een fiets (merk: Mountainbike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen

goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

(02-134432-26)

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Goes , althans in Nederland,

winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt

Aldi, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

(02-168233-26)

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2026 te Goes , althans in Nederland, opzettelijk

op een niet openbare plaats, te weten in de tuin van de woning van [benadeelde 6] ,

terwijl een persoon, te weten [benadeelde 6] , daarbij haars ondanks tegenwoordig

was, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft

verricht, te weten:

- het tonen van zijn geslachtsdeel aan die [benadeelde 6] en/of

- het zich aftrekken (tegen de glazen ruit van die woning);

( art 254b Wetboek van Strafrecht )

2.

hij op of omstreeks 10 juni 2026 te Goes , althans in Nederland, opzettelijk en

wederrechtelijk een bezem en/of een deur(klink), in elk geval enig goed, dat/die

geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 6] , toebehoorde heeft

vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juni 2026 tot en met

10 juni 2026, te [plaats 3] , gemeente Goes , althans in Nederland, opzettelijk op een

niet openbare plaats, te weten op het terras/terrein van Emergis, terwijl een

persoon, te weten [benadeelde 8] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, een of

meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te

weten:

- zijn broek trachten naar beneden te trekken en/of

- ( meermalen) zijn hand in zijn broek te doen (bij zijn geslachtsdeel) en/of

- zijn hand (in zijn broek) op/bij zijn geslachtsdeel te houden en/of

- ( met ontbloot bovenlijf) zijn, verdachtes, tepels vast te houden en/of

- die [benadeelde 8] de woorden toe te voegen: "Je maakt me zo gei", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking;

( art 254b Wetboek van Strafrecht )

(02-174425-26)

hij op of omstreeks 18 juni 2026 te Goes

opzettelijk

niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk]

krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet,

gedaan door of namens de burgemeester van Goes , in elk geval een ambtenaar

als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht,

eerste en/of tweede lid,

inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met

8 september 2026 niet mocht bevinden in/op het gebied zoals aangegeven op de kaart behorende bij voornoemd gebiedsverbod,

door, zich op voornoemde datum om(streeks) 05.54 uur in/op [gebied]

, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied

te bevinden;

( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

(02-226432-26)

hij op of omstreeks 2 juli 2026 te Goesopzettelijkniet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk][kenmerk] , krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van deGemeentewet,gedaan door of namens de burgemeester van Goes , in elk geval een ambtenaar alsbedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende- zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot(en met) 8 september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en Stationsgebiedvan Goes , immers heeft hij, verdachte, (na uitreiking van dat bevel) zich op 2 juli2026 (te Goes ) bevonden en/of begeven op de [straat 1] , althans op eenopenbare weg of plaats gelegen in het Centrum;

( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

(02-190155-26)

hij op of omstreeks 3 juli 2026 te Goes , althans in Nederland, opzettelijk

niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk]

krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de

Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Goes in elk geval een

ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede

lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8

september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en/of het Stationsgebied van

Goes (weergegeven op de daarbij gevoegde kaartweergave) door, zich op

voornoemde datum omstreeks 18.45u in/op [straat 2] , althans op een

openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

(02-190398-26)

hij op of omstreeks 5 juli 2026 te Goes

opzettelijk

niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk]

krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet,

gedaan door of namens de burgemeester van Goes , in elk geval een ambtenaar als

bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht,

eerste en/of tweede lid,

inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8

september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en/of het Stationsgebied van

Goes (weergegeven op de daarbij gevoegde kaartweergave),

door, zich op voornoemde datum om(streeks) 03.50 uur in/op [straat 2] ,

althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

(02-191074-26)

hij op of omstreeks 6 juli 2026 te Goes ,

opzettelijk

niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, [kenmerk]

krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet,

gedaan door of namens de burgemeester van Goes , in elk geval een ambtenaar als

bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht,

eerste en/of tweede lid,

inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 17 juni 2026 tot en met 8

september 2026 niet mocht bevinden in het Centrum en/of het Stationsgebied van

Goes (weergegeven op de daarbij gevoegde kaartweergave),

door, zich op voornoemde datum om(streeks) 00.36 uur in/op [locatie]

, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied

te bevinden;

( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

(02-193015-26)

1.

hij op of omstreeks 6 juli 2026 te Goes , althans in Nederland,

een fiets (merk Gazelle, framenummer [nummer] ), in elk geval enig goed, dat/die

geheel of ten dele aan [benadeelde 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft

weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

2.

hij op of omstreeks 6 juli 2026 te Goes , althans in Nederland,

een fiets (merk Kalkhoff), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft

gehad, en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand