ECLI:NL:RBZWB:2026:10507

ECLI:NL:RBZWB:2026:10507

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer 02-227961-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft als bestuurder van een auto schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor een ander letsel heeft opgelopen. Daarnaast heeft hij een auto bestuurd onder invloed van alcohol. Aan hem wordt opgelegd een taakstraf van 160 uur een ontzegging van de rijbevoegdheid van 9 maanden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-227961-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] (Bulgarije),

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

postadres is [adres] ,

raadsvrouw mr. M. Akça-Altun, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: als bestuurder van een auto schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

feit 2: onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde onder feit 1 bewezen. Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden. Hierdoor heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ook feit 2 acht de officier van justitie bewezen. Verdachte heeft onder invloed van alcohol gereden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1, omdat verdachte niet roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden en geen gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Indien de rechtbank daar anders over denkt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat het letsel van [slachtoffer] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 24 augustus 2025 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ter hoogte van de kruising Meidoornstraat met de Tuinzigtlaan in Breda. Bij dit verkeersongeval waren verdachte als bestuurder van een personenauto en [slachtoffer] als fietser betrokken. Verdachte reed met zijn auto en aanhangwagen over de Tuinzigtlaan, komende uit de richting van de Emerweg. Gekomen ter hoogte van de kruising met de Meidoornstraat, verleende verdachte geen voorrang aan de van links komende op het fietspad fietsende [slachtoffer] . Dat verdachte wel voorrang had moeten verlenen, bleek uit de op zijn rijbaan voor het fietspad aangebrachte haaientanden en de bebording. Door de aanrijding is bij [slachtoffer] fors letsel ontstaan. Gebleken is dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol, namelijk 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Dit zijn omgerekend ongeveer acht glazen met alcohol.

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), en zo ja, in welke mate.

Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in die zin is sprake wanneer de verdachte zich roekeloos, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Het rijgedrag van verdachte moet voor het vaststellen van (de mate van) schuld worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.

De rechtbank overweegt dat verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft geminderd bij het naderen van het kruispunt. Dit volgt uit de filmopname van de aanrijding, waarop te zien is dat verdachte met zijn auto niet afremt als hij het fietspad nadert. Ook heeft verdachte geen voorrang verleend aan [slachtoffer] , getuige het feit dat hij haar niet voor heeft laten gaan maar tegen haar aan is gereden. Verdachte heeft voordat hij de kruising op reed onvoldoende gekeken of deze vrij was van overige verkeersdeelnemers. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de situatie ter plaatse goed kende omdat hij in die buurt heeft gewoond en er vaak heeft gereden. Hij wist dus dat hier fietsers van links en rechts kunnen oversteken. Daarnaast had hij vanaf de Tuinzigtlaan goed zicht op het verkeer, omdat daar ter plaatse geen obstakels aanwezig zijn op of rond de kruising en de weg. Voorafgaand aan de aanrijding had verdachte [slachtoffer] daarom al langere tijd moeten en kunnen zien aankomen. Er is daarom ook geen sprake van een tijdelijke onoplettendheid. Verdachte heeft onvoldoende tot geen snelheid geminderd, heeft [slachtoffer] niet gezien, terwijl zij al langere tijd zichtbaar was, en geen voorrang verleend en heeft fietser [slachtoffer] met zijn auto aangereden. Daarnaast staat vast dat verdachte op het moment van de aanrijding onder invloed was van alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol de rijvaardigheid en het reactievermogen van een verkeersdeelnemer negatief beïnvloed. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat verdachte voor of tijdens de aanrijding op zijn telefoon heeft gezeten. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van hem als verkeersdeelnemer verwacht mocht worden. Naar het oordeel van de rechtbank levert de combinatie van de hiervoor omschreven verkeersovertredingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag op. Verdachte heeft dan ook schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW.

Letsel

Uit de medische informatie en de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat door het ongeval bij haar sprake was van rugpijn, gekneusde ribben, een gebroken middenvoetsbeentje, een wond op haar achterhoofd, een wond op haar been en pijnlijke enkels. Hoewel dit letsel ernstig is, voldoet het juridisch gezien niet aan de criteria voor zwaar lichamelijk letsel. Volgens vaste rechtspraak moet voor die kwalificatie sprake zijn van zwaar letsel (zoals gecompliceerde breuken of interne bloedingen), ingrijpend medisch handelen en/of een herstelduur van meerdere maanden. Daarvan is (gelukkig) geen sprake. Wel is het letsel van [slachtoffer] als gevolg van de aanrijding aan te merken als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of hinder is ontstaan. Zij heeft meer dan drie maanden niet auto kunnen rijden en is beperkt geweest in haar bezigheden. Zij heeft enig tijd slechts kleine stukjes kunnen lopen met behulp van twee wandelstokken. Ze voelde zichzelf niet meer en durft tot heden niet meer te fietsen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 24 augustus 2025 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Tuinzichtlaan in kruising met de Meidoornstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, onder invloed als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de WVW 1994 (te weten 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) te rijden en zijn aandacht in onvoldoende mate op de weg te houden en onvoldoende zijn snelheid te minderen bij het benaderen van de kruising en geen gevolg te geven aan meer verkeerstekens (verkeersbord B6 en haaientanden) en geen voorrang te verlenen aan een fietser, waardoor hij, verdachte, tegen voornoemde fietser is gereden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zodanig letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond, te weten: rugpijn en gekneusde ribben en een gebroken middenvoetsbeentje en een wond op het achterhoofd en een wond op het been en pijnlijke enkels;

2op 24 augustus 2025 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingehouden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Hij werkt in de bouw en is thuis kostwinner. Verdachte is na deze feiten niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 24 augustus 2025 als bestuurder van een auto met aanhangwagen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Hij heeft onder invloed van veel te veel alcohol deelgenomen aan het verkeer, heeft niet goed opgelet of de weg vrij was en heeft geen voorrang verleend aan een fietser die al een tijd zichtbaar was. Door de daarop volgende aanrijding heeft [slachtoffer] fors letsel opgelopen, namelijk rugpijn, gekneusde ribben, een gebroken middenvoetsbeentje, een wond op haar achterhoofd en been en pijnlijke enkels. Het is vanzelfsprekend dat de aanrijding veel impact heeft gehad op [slachtoffer] en een diepe indruk op haar heeft gemaakt. Dit blijkt ook uit haar schriftelijke slachtofferverklaring. Ze heeft tot de dag van vandaag pijn aan haar rug en door balans- en evenwicht problemen durft ze niet te fietsen.

De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn rijgedrag. Hij spreekt duidelijke bewijzen uit het dossier tegen. Zo heeft hij op de zitting verklaard en volgehouden dat de fietser opeens van de overkant kwam, terwijl op de ter zitting ook meermalen bekeken camerabeelden duidelijk te zien is dat de fietser van links kwam. Ook heeft verdachte gezegd dat hij maar anderhalf biertje heeft gedronken, terwijl uit de uitslag van het ademonderzoek blijkt dat dit er beduidend meer geweest zijn.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Op het rijden onder invloed met deze hoeveelheid geldt als uitgangspunt een geldboete van € 850,00. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een slachtoffer met lichamelijk letsel en een alcoholpromillage bij verdachte van minder dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, geldt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte op zitting heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van negen maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al is ingehouden, passend en geboden. Nu het feit enige tijd geleden is gepleegd en verdachte sindsdien geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, legt de rechtbank geen voorwaardelijk deel van de rijontzegging op.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval betreft waardoor een ander

zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte

of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

feit 2: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de

Wegenverkeerswet 1994 (540 microgram);

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen;

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van negen maanden;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van de Wetering, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 oktober 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, te weten eenpersonenauto, daarmede rijdende over de weg, de Tuinzichtlaan in kruising met de Meidoornstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, onder invloed als bedoeld in artikel 8 eerste lid en/of tweede lid van de WVW 1994 (te weten 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) tijdens het rijden een of meerdere handelingen te verrichten aan een mobiele telefoon, en/of zijn aandacht niet voortdurend, althans in onvoldoende mate op de weg en/of op de verkeersgebruiker(s) te houden en/of onvoldoende zijn snelheid te minderen bij het benaderen van de kruising, althans niet de snelheid van dat door hem, bestuurde motorrijtuig zodanig te regelen dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen en/of geen gevolg te geven aan een of meer verkeerstekens (verkeersbord B6 en/of haaientanden) en/of geen voorrang te verlenen aan een fietser, althans heeft hij, verdachte, de fietser (die op een fietsersoversteekplaats reed), niet voor laten gaan waardoor hij, verdachte, tegen voornoemde fietser is gereden en/of in botsing is gekomen, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond, te weten: rugpijn en/of gekneusde ribben en/of een gebroken middenvoetsbeentje en/of een wond op het achterhoofd en/of een wond op het been en/of pijnlijke enkels;(art. 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Tuinzichtlaan in kruising met de Meidoornstraat, onder invloed als bedoeld in artikel 8 eerste lid en/of tweede lid van de WVW 1994 (te weten 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) tijdens het rijden een of meerdere handelingen heeft verricht aan een mobiele telefoon, en/of zijn aandacht niet voortdurend, althans in onvoldoende mate op de weg en/of op de verkeersgebruiker(s) gehouden en/of onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het benaderen van de kruising, althans niet de snelheid van dat door hem, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen en/of geen gevolg gegeven aan een of meer verkeerstekens (verkeersbord B6 en/of haaientanden) en/of geen voorrang verleend aan een fietser, althans heeft hij, verdachte, de fietser (die op een fietsersoversteekplaats reed), niet voor laten gaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;(art. 5 Wegenverkeerswet 1994)

2hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;(art. 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand