RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/452746 / JE RK 26-1703
Datum uitspraak: 30 september 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zeeland-West-Brabant,locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [plaats] ,
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd in Etten-Leur.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de mondeling gegeven beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 september 2026, schriftelijk uitgewerkt op 29 september 2026, en alle daarin vermelde stukken;
het e-mailbericht van mr. Feiner van 25 september 2026;
het e-mailbericht van mr. Feiner van 29 september 2026 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de stiefvader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige door de Raad ingediende verzoek met het door de Raad ingediende verzoek ten aanzien van [halfbroertje] , het (half)broertje van [minderjarige] , in de zaak met kenmerk C/02/452748 / JE RK 26-1704, zijn deze verzoekschriften gelijktijdig mondeling behandeld. In laatstgenoemde zaak is bij separate beschikking beslist.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over de verzoeken van de Raad gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met kinderrechtermr. Sumner. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 25 september 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 september 2026 tot 9 oktober 2026. Ook is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 september 2026 tot 2 oktober 2026.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging in een netwerkpleeggezin.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft deels, zonder de belanghebbenden te horen, op deze verzoeken beslist. Daarover moeten de belanghebbenden nog worden gehoord. Daarnaast ligt nog het resterende deel van de verzoeken ter beoordeling voor.
4. De standpunten
De Raad heeft ter onderbouwing van de verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Er zijn zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] (en haar halfbroertjes en halfzusjes). De kinderen geven aan dat zij geslagen en geschopt zijn door de stiefvader. Zij voelen zich onveilig in de thuissituatie. Er loopt een politieonderzoek. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Daarbij komt dat er emotionele druk op de kinderen uitgeoefend kan worden door de ouders, waardoor gevreesd wordt dat de kinderen niet meer vrijuit durven te praten. De Raad vindt het belangrijk dat zo spoedig mogelijk, met de inzet van passende hulpverlening onder regie van de GI, wordt gewerkt aan herstel van de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie en wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] (en de andere drie uithuisgeplaatste kinderen). Daarvoor moeten veiligheidsafspraken worden gemaakt waar de GI op toeziet. De Raad vindt het een goede optie dat de stiefvader tijdelijk de woning verlaat, wanneer de kinderen daar weer komen wonen. De GI heeft tijd nodig om een en ander te realiseren. MST-CAN bevindt zich nog in de opstartfase. De Raad vraagt zich wel af of dit toereikend is. Er kan ook nog gedacht worden aan de inzet van Ambulante Spoedhulp. De Raad geeft daarbij aan dat de huidige inzet vanuit Centrale Zorg Groep (CZG) niet ideaal is. CZG is ingezet om zo spoedig mogelijk de veiligheid van de kinderen te waarborgen. CZG is echter geen jeugdhulpinstantie die SKJ geregistreerd is. Er wordt toezicht gehouden, maar er wordt niet met de moeder en de stiefvader aan doelen gewerkt.
De Raad biedt excuses aan voor het verloop van het proces. Vanwege een storing bij de Raad is het op schrift stellen van het mondelinge verzoek en het verstrekken van de stukken niet gelopen zoals gebruikelijk. Hierdoor is informatie laat bij de moeder en de stiefvader terecht gekomen. De Raad begrijpt dat dit vervelend is geweest voor de moeder en de stiefvader.
Door en namens de moeder en de stiefvader is ingestemd met het resterende deel van het verzoek om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI. De moeder en de stiefvader voeren wel verweer tegen de voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing en zijn het niet eens met de wijze waarop het voortraject en het afgeven van de spoedbeslissing is verlopen. Dit moet ingevolge de artikelen 6 en 8 EVRM als geheel bij de procedure worden betrokken. Sinds 18 september 2026 zijn [minderjarige] en haar halfbroertje en halfzusjes door Veilig Thuis uit huis geplaatst. De moeder heeft daar toen mee ingestemd, omdat haar werd verteld dat het de wens van de kinderen was om niet naar huis te komen. Dit bleek achteraf niet te kloppen en er is een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Bovendien was er sprake van een geheime plaatsing en de moeder mocht niet bij de overleggen aanwezig zijn. Van een vrijwillige uithuisplaatsing was dan ook geen sprake. Dit moet worden gezien als onttrekking aan het ouderlijk gezag. Ook was bekend dat de moeder werd bijgestaan door een advocaat. Er had eerst telefonisch contact opgenomen kunnen worden zonder ernstig en onmiddellijk gevaar voor de minderjarigen. Het criterium ex artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dan ook volstrekt ten onrechte toegepast. Het jongste halfbroertje van [minderjarige] is opgevangen door de grootouders (stiefvaderszijde). Hij verblijft met ingang van 22 september 2026 weer bij de moeder en de stiefvader met de inzet van 24-uurs toezicht van CZG. De moeder wil dat ook de andere kinderen weer thuis komen wonen. Zij mist haar kinderen. Hierbij is de wens van de kinderen leidend voor de moeder. De moeder en de stiefvader zijn bereid om veiligheidsafspraken te maken met de GI. Een langere uithuisplaatsing van de kinderen is niet nodig. De moeder wil graag dat het 24-uurs toezicht betrokken blijft naast de inzet van MST-CAN. Het blijft voor de moeder lastig om te vertellen wat er in de thuissituatie gebeurt. De kinderen raken met elkaar in conflict en de moeder en stiefvader moeten hen dan uit elkaar halen. Het beeld dat de kinderen beschrijven blijft vaag en zij lijken daarover een andere beleving te hebben. Hier is de inzet van MST-CAN voor nodig. Met 24-uurs toezicht kan de intensiteit van de kinderen worden geobserveerd.
De stiefvader staat er ook voor open om de woning voorlopig te verlaten. Het is wel belangrijk dat hij vanuit de thuissituatie kan deelnemen aan het MST-CAN-traject. De moeder en de stiefvader hadden graag eerder hulpverlening willen hebben en zijn meewerkend.
De GI heeft naar aanleiding van de kennismaking met de moeder en de stiefvader de indruk dat er sprake is van probleembesef bij de moeder en de stiefvader. Dit maakt dat er kan worden gewerkt aan doelen om te komen tot het oplossen van de problemen. In de thuissituatie is 24-uurs begeleiding ingezet van CZG voor het jongste halfbroertje van [minderjarige] . Dit kan volgens de begeleider van CZG worden uitgebreid naar het hele gezin. Ook zal er MST-CAN worden ingezet voor het bieden van opvoedondersteuning aan de moeder en de stiefvader. Dit is de zwaarste vorm van ambulante hulpverlening, waarbij handvatten worden gegeven over hoe om te gaan met onder meer het gedrag van de kinderen. Dit kan mogelijk worden aangevuld met Ambulante Spoedhulp. De GI merkt dat er sprake is van een bepaalde onmacht naar de kinderen toe. Daar moet met de inzet van MST-CAN aan worden gewerkt. Wanneer dit wordt ingezet, moet ook de stiefvader daar gefaseerd bij worden betrokken. De GI vindt het in dat kader belangrijk dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt, waarna er snel stappen kunnen worden gezet om te komen tot een thuisplaatsing.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] , samengevat, aangegeven dat zij en haar halfbroertje en halfzusjes geslagen en/of geschopt zijn door de stiefvader. [minderjarige] ziet nu in dat dit niet goed was. De moeder heeft dit wel eens gezien, maar is er niet altijd bij aanwezig geweest. [minderjarige] was dan bang en voelde zich onveilig. Zij heeft paniekaanvallen gekregen. Die zijn sinds de uithuisplaatsing toegenomen in hevigheid. [minderjarige] wil graag terug naar huis.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Op grond van artikel 1:265b, tweede lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Bij beschikking van 25 september 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken. Ook is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van één week. Het resterende deel van de verzoeken van de Raad is aangehouden. Deze beslissing is genomen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter is van oordeel dat op basis van de op dat moment beschikbare informatie ten aanzien van de onveiligheid van [minderjarige] (en haar halfzusjes en halfbroertje) in de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader, op dat moment aan de gronden voor de maatregelen werd voldaan. Dit laat onverlet dat de kinderrechter grote vraagtekens plaatst bij het traject voorafgaand aan de spoedbeslissing, waarover hierna meer.
Ten aanzien van het resterende deel van de verzoeken overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er veel zorgen zijn over de thuissituatie van [minderjarige] De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad over de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen in het gezin. Deze zorgen zijn voornamelijk gelegen in de opvoedsituatie bij de moeder en de stiefvader. Er bestaat een ernstig vermoeden van mishandeling van de kinderen en de politie is in dat verband een onderzoek gestart, welk onderzoek nog niet is afgerond. Door het mogelijke fysieke geweld zijn er zorgen over (eerder opgelopen) lichamelijk letsel bij [minderjarige] . De mishandelingen hebben bovendien geleid tot een gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] . Zij is angstig geweest en heeft te kampen met paniekaanvallen. Het baart de kinderrechter zorgen dat zowel de moeder als de stiefvader de ernst van de zorgen niet volledig lijken in te zien. Dat dit gedrag voortkomt uit een pedagogisch onvermogen en een gevoel van machteloosheid in de opvoeding, doet niet af aan de ernst van de signalen die door de kinderen worden geuit en hun gevoel van onveiligheid.
Het is de afgelopen jaren binnen het vrijwillig kader niet gelukt om passende hulp in te zetten om de problematiek binnen de thuissituatie op te lossen en de zorgen over de kinderen weg te nemen. Het vrijwillig kader is dan ook niet (langer) afdoende om de acute en ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen.
Daarom zal de kinderrechter het (niet weersproken) resterende verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toewijzen.
De kinderrechter zal, op basis van hetgeen tijdens de zitting is besproken, het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen. De kinderrechter stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing een zware maatregel is die diep ingrijpt in het gezinsleven en slechts dient te worden ingezet wanneer er geen andere mogelijkheid bestaat om de bedreigingen in de ontwikkeling van een minderjarige te doen wegnemen. Een uithuisplaatsing heeft te gelden als uiterste middel.
Tijdens de zitting is het de kinderrechter voldoende gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de veiligheid in de thuissituatie te waarborgen en een verdere uithuisplaatsing van [minderjarige] te voorkomen. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat door en namens de moeder en de stiefvader is toegezegd dat zij hun medewerking verlenen aan de noodzakelijk geachte veiligheidsafspraken en de in te zetten hulpverlening. In dat kader is besproken dat de stiefvader bereid is om de woning te verlaten, zodat [minderjarige] (en haar halfzusjes en halfbroertje) weer thuis kunnen komen wonen bij de moeder. In de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader is er bovendien reeds ingezet op 24-uurs toezicht voor het jongste halfbroertje van [minderjarige] . Dit toezicht blijft voorlopig betrokken en kan zo nodig worden uitgebreid. Ook zal er op korte termijn MST-CAN worden ingezet. De moeder en de stiefvader zijn hiervoor reeds aangemeld en er hebben intakegesprekken plaatsgevonden. In de tussentijd zal er vanuit de GI worden onderzocht of er een mogelijkheid bestaat tot inzet van Ambulante Spoedhulp.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een terugkeer van [minderjarige] naar de thuissituatie mogelijk is. Daarbij vindt de kinderrechter het van belang dat in ieder geval de volgende veiligheidsafspraken gelden:
de stiefvader verblijft elders en is niet in de woning aanwezig wanneer de kinderen daar zijn;
de inzet van 24-uurs toezicht vanuit CZG wordt voortgezet;
MST-CAN wordt zo spoedig mogelijk ingezet;
de stiefvader zal pas terugkeren in de thuissituatie wanneer de GI dit verantwoord vindt en wanneer de kinderen zich daar voldoende veilig bij voelen. De terugkeer van de stiefvader zal gefaseerd plaatsvinden.
Of, en zo ja welke, nadere veiligheidsafspraken noodzakelijk zijn, laat de kinderrechter verder aan de GI over.
Tenslotte overweegt de kinderrechter dat zij sterke bedenkingen heeft bij het traject dat aan de spoedbeslissing van 25 september 2026 vooraf is gegaan. Het is naar het oordeel van de kinderrechter maar zeer de vraag of gesproken kan worden van een vrijwillige uithuisplaatsing van [minderjarige] en haar halfbroertje en -zusjes; in ieder geval vanaf 21 september 2026. De kinderrechter heeft daarover zeer grote twijfels. Getuige de opname van het telefoongesprek tussen de moeder en twee medewerksters van Veilig Thuis op 21 september 2026 heeft de moeder duidelijk aangegeven dat ze de kinderen terug naar huis wil en dat zij het niet eens is met de gang van zaken. Vanuit Veilig Thuis is druk op de moeder uitgeoefend om toch in te stemmen en is haar medegedeeld dat de kinderen in ieder geval vóór 5 oktober 2026 en mogelijk ook daarna nog niet naar huis komen. Voorts is gebleken dat de verblijfplaats van drie kinderen een aantal dagen geheim is gehouden voor de moeder en dat zij ook niet bij overleg aanwezig heeft mogen zijn. Het had in ieder geval op maandag 21 september 2026 bij Veilig Thuis bekend moeten zijn dat de moeder niet meer achter de uithuisplaatsing kon staan zoals deze eerder besproken was. Pas op vrijdagmiddag kort na 17.00 uur is hierop gehandeld door indiening van het mondelinge spoedverzoek door de Raad. Dit betekent dat de kinderen in ieder geval vanaf maandag tot vrijdag tegen de avond zonder toestemming van de ouder met gezag én zonder toestemming van de kinderrechter uit huis geplaatst zijn geweest. De kinderrechter is van oordeel dat de geschetste gang van zaken zeer zorgelijk en onacceptabel is. Het enkele feit dat er sprake was van een geheime plaatsing van drie van de vijf kinderen roept al zeer grote twijfels op over de vrijwilligheid van de uithuisplaatsing in het voortraject. Naar het oordeel van de kinderrechter lijkt er dan ook sprake geweest te zijn van onttrekking van de kinderen aan het ouderlijk gezag.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 december 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 door mr. M. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.