ECLI:NL:RBZWB:2026:10682

ECLI:NL:RBZWB:2026:10682

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-11-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 02-126493-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen van verlengde uitvoer cocaïne en heroïne. Gevangenisstraf 42 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-126493-26

vonnis van de meervoudige kamer van 3 november 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie)

wonende te [woonadres] (Duitsland)

raadsman mr. G.V. van der Bom, advocaat te ‘s-Gravenhage

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander bezig was met het uitvoeren van 4,8 kilo cocaïne en 3,9 kilo heroïne.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van 4,8 kilo cocaïne en 3,9 kilo heroïne.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat verdachte niet wist van de aanwezigheid van de drugs in de auto. Daarnaast is er sprake van meerdere vormverzuimen die zouden moeten leiden tot uitsluiting van bewijs. Verdachte zou gelet op beide verweren moeten worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 28 april 2026 een verborgen ruimte werd ontdekt in de auto waarin verdachte reed. Op 29 april 2026 werd in die verborgen ruimte 4800 gram cocaïne en 3900 gram heroïne gevonden. Verdachte was op dat moment de bestuurder en medeverdachte zat als bijrijder in de auto. Door verdachte is tijdens de zitting verklaard dat zij onderweg waren naar Frankrijk en dat op de navigatie Straatsburg was ingevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de harddrugs aanwezig waren in de auto.

Wetenschap

De rechtbank is van oordeel dat verdachte als bestuurder van een auto wordt geacht te weten wat er in de auto aanwezig is. Het uitgangspunt is dat hij als bestuurder verantwoordelijk is voor wat hij vervoert.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd onjuist is en dat hij gebruik maakte van de auto van een bekende van hem. Deze bekende, waarvan hij de naam niet wil noemen, zou hem hebben gevraagd om naar de ex-eigenaar van de auto in Nederland te rijden. Hij had geen naam, adres of telefoonnummer van deze persoon. Deze persoon zou een blauwe zak in de auto gezet hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij deze blauwe zak heeft gezien en dat deze zak in de bagageruimte van de auto is achtergebleven. Hij heeft niet gekeken wat er in de zak zat. De rechtbank stelt vast dat de drugs niet in de bagageruimte van de auto, maar in een verborgen ruimte zijn aangetroffen. Door niet te controleren wat er daadwerkelijk in de tas zat voordat hij naar het buitenland reed, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij strafbare goederen zou vervoeren.

Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. Ter zitting heeft hij bevestigd dat hij zijn verklaring zoals afgelegd bij de politie voorafgaand aan de aanhouding heeft afgestemd met zijn medeverdachte voor het geval ze door de politie zouden worden gecontroleerd. Deze medeverdachte heeft uiteindelijk bekend dat hij met verdachte meereed om de uitvoer van de drugs te controleren. Het gedrag van verdachte past niet bij een persoon die van niets weet, en wel bij een persoon die wetenschap van een strafbaar feit probeert te verhullen. Alles overziend stelt de rechtbank vast dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs die hij naar het buitenland vervoerde.

Vormverzuimen

De verdediging heeft vervolgens aangevoerd dat er onvoldoende onderbouwd is waarom de auto waarin verdachte reed in de ANPR werd geplaatst. Daarnaast zijn er kentekengegevens geraadpleegd zonder voorafgaand schriftelijk bevel. Tot slot is verdachte op 28 april 2026 niet gewezen op zijn recht om te mogen zwijgen en is er geen gebruik gemaakt van een tolk toen hem toestemming werd gevraagd om de auto te doorzoeken. Al deze handelingen zouden hebben bijgedragen aan de mogelijkheid om op 29 april 2026 de auto te doorzoeken. De verdediging is van mening dat dit vormverzuimen zijn die zouden moeten leiden tot bewijsuitsluiting van al het bewijs dat hieruit is gevolgd, inclusief de doorzoeking van de auto die heeft geleid tot het aantreffen van de drugs. Verdachte zou vrijgesproken moeten worden bij gebrek aan bewijs.

- ANPR

De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen van een voertuig in de ANPR valt binnen de bevoegdheden van de politie als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet. Het is voor deze algemene opsporingsbevoegdheid niet nodig dat er sprake is van een concrete verdenking van een specifiek strafbaar feit. Hierdoor is het ook niet nodig dat de plaatsing in de ANPR uitgebreider wordt onderbouwd dan in het dossier is gedaan. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim. Uit het dossier blijkt vervolgens dat de ANPR live is bekeken. Ook dit valt binnen de bevoegdheden van artikel 3 van de Politiewet. Dat de politie op dat moment ook terug zou hebben gekeken in gegevens die bewaard zijn, blijkt niet uit het dossier. Er is daarom geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering en er was ook geen schriftelijk bevel nodig. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit geen vormverzuim op.

- Ontbreken cautie en tolk 28 april 2026

De doorzoeking van de auto op 28 april 2026 vond plaats tijdens een controle op basis van de Wegenverkeerswet. Uit het dossier volgt niet dat er verder sprake was van een verdenking van een concreet strafbaar feit. Om die reden was er op dat moment geen sprake van een verhoorsituatie. Verdachte hoefde daarom niet gewezen te worden op het recht om te mogen zwijgen. Ook bij dit onderdeel was er dus geen vormverzuim.

Vervolgens heeft de rechtbank gezien dat verdachte voorafgaand aan de controle van de auto op 28 april 2026 zelf toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking van de auto. Uit het proces-verbaal van bevindingen over dit gesprek volgt niet dat verdachte heeft laten merken dat hij de verbalisant niet begreep. Uit de beschrijving van de woordelijke en non-verbale communicatie blijkt juist dat verdachte de verbalisant kon verstaan en ook begreep. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de door verdachte verleende toestemming voor de controle waarbij de verborgen ruimte werd ontdekt.

De rechtbank verwerpt alle verweren en bepaalt dat alle bewijsmiddelen mogen worden gebruikt voor het bewijs.

Conclusie

Alles overwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van 4800 gram cocaïne en 3900 gram heroïne.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 29 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

- ongeveer 4800 gram cocaïne, en- ongeveer 3900 gram heroïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf van 46 maanden op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de bepaling van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van harddrugs. De gemiddelde gebruikershoeveelheid van cocaïne en heroïne is 0,5 gram per keer. Van de in totaal 8,7 kilo harddrugs zou dus 17.400 keer gebruikt kunnen worden. Het gebruik van cocaïne en heroïne brengt grote schade mee voor de gezondheid. De hoeveelheid drugs die verdachte samen met zijn medeverdachte het land uit probeerde te brengen, zou een enorme schade toe kunnen brengen en vele levens van gebruikers en hun naasten kunnen raken. Daarbij komt dat harddrugs voor criminele organisaties zeer winstgevend zijn. De aangetroffen hoeveelheid drugs heeft een geschatte straatwaarde tussen € 400.000,00 en € 450.000,00. Criminelen hebben er zeer veel voor over om mee te delen in de winst. Dit zorgt ervoor dat de keten van de harddrugs van productie tot gebruiker wordt omgeven door geweld. Verdachte heeft met zijn handelen de gezondheidsschade, de drugscriminaliteit en het geweld in stand geprobeerd te houden en dat is naar het oordeel van de rechtbank een ernstig feit.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Bij de aangetroffen hoeveelheid is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 44 tot 46 maanden genoemd. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank stelt vast dat verdachte in tegenstelling tot zijn medeverdachte geen inzicht heeft getoond en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Aan de andere kant zal de rechtbank rekening houden met de persoonlijke omstandigheden die door verdachte zijn aangevoerd en zijn blanco strafblad in Nederland. Alles overwegende legt zij aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden op en bepaalt zij dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht hierop in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. D. van Kralingen en

mr. A. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 november 2026.

9. Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 29 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijktezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijkbuiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans in bezit heeft gehad,- ongeveer 4800 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- ongeveer 3900 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand