RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-127065-24 (ontneming)
vonnis van de rechtbank van 17 februari 2026
in de ontnemingszaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Angola) op [geboortedag] 1990,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. I. Azarkan, advocaat te Roosendaal.
1. De procedure
De officier van justitie heeft de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026, waarbij officier van justitie mr. M.S. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 3 februari 2026.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de strafzaak tegen betrokkene onder parketnummer 02-127065-24.
Betrokkene is op 17 februari 2026 door de meervoudige kamer van deze rechtbank veroordeeld voor de invoer van cocaïne, voorbereidingshandelingen tot de invoer van en handel in cocaïne, witwassen, het bemiddelen in wapens en een poging tot uitlokking van een afpersing. Aan betrokkene is een gevangenisstraf van 60 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. De rechtbank verwijst voor een overzicht van de bewezenverklaring naar het vonnis in de strafzaak van betrokkene.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman naar voren is gebracht.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De schriftelijke ontnemingsvordering van de officier van justitie van 7 januari 2026 strekt tot een schatting van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.298.200,00 en tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 3 februari 2026 de vordering gewijzigd in die zin dat overeenkomstig de gemaakte procesafspraken het gevorderde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot € 521.450,00.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de ontnemingszaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.
4. De procesafspraken
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM) en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 26 januari 2026 is ondertekend door de officier van justitie en door betrokkene en zijn raadsman. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de strafzaak inclusief de bijbehorende ontnemingsvordering.
Het afdoeningsvoorstel houdt, voor zover voor de ontnemingsvordering van belang, het volgende in:
De verdediging
- Betrokkene zal geen nadere onderzoekswensen indienen en/of (inhoudelijke) verweren voeren ten aanzien van de ontnemingsvordering;
- Betrokkene zal tevens geen draagkrachtverweren voeren met betrekking tot de berekening en vaststelling van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, en ook het opleggen van de genoemde betalingsverplichting van betrokkene niet betwisten;
- Betrokkene beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot toewijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;- Betrokkene en de raadsman zullen in het kader van de inhoudelijke behandeling het bovenstaande herhalen.
Het Openbaar Ministerie - Het OM zal ter zitting requireren tot:* schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 521.450,00 (zie voor de berekening en toelichting van dit bedrag bijlage B) en oplegging van een betalingsverplichting tot ditzelfde bedrag;
* De rechtbank wordt verzocht deze afspraak niet te zien als een ontnemingsschikking ex artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering maar te beslissen in de ontnemingsprocedure zoals partijen voor ogen hebben.
- Wanneer de afspraken op enige wijze worden ontbonden of het bovenstaande niet/niet tijdig/niet geheel voor de inhoudelijke behandeling ter zitting zal zijn nagekomen, komt de zaak terug in de stand waarin deze zich voor het maken van de afspraken bevond;- Indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen betrokkene, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen;
- Beide partijen geven aan geen belang te zien bij een hoger beroep indien de rechtbank conform de gemaakte procesafspraken vonnist. Mocht er tóch appel worden ingesteld na een vonnis dat gelijkluidend is aan de procesafspraken dan kan het Hof het appel niet-ontvankelijk verklaren omdat er geen belang bij is;
- Betrokkene heeft met deze afspraken - na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen - vrijwillig afstand gedaan van verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan;
- Betrokkene zal tijdens de inhoudelijke zitting aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken.
De gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat betrokkene bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Betrokkene is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsman en betrokkene hebben ter zitting bevestigd achter het voorstel te staan. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. De reden voor hem om procesafspraken te maken is dat hij door het maken van procesafspraken eerder duidelijkheid krijgt over de afloop van de procedure. Betrokkene begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de betalingsverplichting zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan betrokkene op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
5. Het oordeel van de rechtbank
De grondslag van de ontneming
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld voor een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is het feit dat tot een veroordeling heeft geleid of een andere strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, er op enige manier voor heeft gezorgd dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de beoordeling van de ontneming zijn voor de rechtbank de voorwaarden van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht leidend. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de procesafspraken, omdat daaruit volgt dat op bepaalde punten door de daarbij betrokken partijen overeenstemming is bereikt.
De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de vordering tijdig is ingediend.
De rechtbank heeft acht geslagen op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals die is opgenomen in de procesafspraken onder bijlage B. Deze berekening wordt door de bij de procesafspraken betrokken procespartijen onderschreven. Onder bijlage B wordt voldoende inzichtelijk gemaakt op welke manier het te ontnemen bedrag tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening mede gegrond op de bewezen verklaarde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen. Tevens is daarin op juiste wijze het aandeel van betrokkene verdisconteerd. Dit betekent dan ook dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een totaalbedrag van
€ 521.450,00.
De rechtbank stelt vast dat in de procesafspraken niets is opgenomen met betrekking tot de vast te stellen duur van de gijzeling die kan worden gevorderd bij het uitblijven van betaling. De rechtbank overweegt in dit kader ambtshalve het volgende.
Bij het opleggen van een ontnemingsmaatregel bepaalt de rechter ex artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Hierbij wordt voor elke volle € 100,00 van het opgelegde bedrag één dag gerekend. De maximale duur van de gijzeling bedraagt drie jaar. Gelet op het vastgestelde totaalbedrag van de ontneming zal in dit geval de maximale gijzelingsduur worden bepaald.
Bij feiten gepleegd vóór 25 juli 2020 betekent dit een maximum van 1.080 dagen. Bij feiten gepleegd op of ná 25 juli 2020 betekent dit een maximum van 1.095 dagen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2021:812 en ECLI:NL:HR:2022:805). Nu de door betrokkene gepleegde feiten deels vóór en deels na 25 juli 2020 zijn gepleegd, zal de rechtbank in het voordeel van betrokkene een maximale duur van de gijzeling hanteren van 1.080 dagen.
6. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 521.450,00;
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 521.450,00, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1.080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 februari 2026.
De oudste en jongste rechter alsmede de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De procesafspraken