Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 05-116054-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende op het [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. F. Folkers, advocaat te Gorinchem.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte persoonsgegevens van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] heeft misbruikt door op sociale media accounts aan te maken op hun naam, daarbij foto's van hen te gebruiken en met die accounts andere personen te benaderen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De aangiftes worden ondersteund door elkaar en door de getuigenverklaringen, de screenshots en het technisch onderzoek. Verdachte heeft voor al deze belastende omstandigheden geen enkele verklaring gegeven. De verklaring van verdachte dat hij is gehackt of gespooft, is volstrekt ongeloofwaardig en technisch niet mogelijk.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte ontkent de feiten. Er kan niet worden uitgesloten dat iemand anders heeft ingelogd op de wifi van verdachte, hiermee toegang heeft gekregen tot zijn IP-adres, vervolgens verschillende accounts heeft aangemaakt en met deze accounts chatgesprekken heeft gevoerd. Ook kan niet worden uitgesloten dat iemand anders toegang heeft verkregen tot het e-mailaccount van verdachte en hem de foto’s vanuit zijn eigen account heeft gemaild. Verdachte heeft deze e-mailberichten en foto’s nooit gezien.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aan verdachte is identiteitsfraude, meermaals gepleegd, ten laste gelegd.
Alternatief scenario?
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet degene is geweest die op sociale media de accounts heeft aangemaakt op naam van de slachtoffers en evenmin dat hij degene is geweest die daarmee anderen heeft benaderd. Hij heeft echter geen verklaring kunnen geven voor het gebruik van zijn vaste IP-adres bij het aanmaken van de accounts, de op zijn laptop aangetroffen e-mailberichten met daarin foto’s van aangeefsters die vanaf zijn IP-adres zijn verstuurd en de op zijn telefoon aangetroffen screenshots van (sociale media-accounts van) aangeefsters en e-mailaccounts op hun naam. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de enkele verklaring van verdachte dat hij de dader niet kan zijn geweest zich zonder nadere onderbouwing niet laat vertalen in een (toetsbaar) alternatief scenario. De rechtbank ziet de verklaring van verdachte als een zogenaamd bewijsverweer en zal hier, los van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, verder niet op ingaan.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1 in de periode 12 juni 2022 tot en met 31 december 2023 te [woonplaats] , in de gemeente Altena, opzettelijk en wederrechtelijk meermalen identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [aangeefster 1] heeft gebruikt door:- op Instagram en Facebook accounts op naam van die [aangeefster 1] aan te maken en- op deze accounts gebruik te maken van foto's waarop die [aangeefster 1] is afgebeeld en- op deze accounts gebruik te maken van de naam van die [aangeefster 1] en- via die accounts uit naam van die [aangeefster 1] in gesprek te gaan met één of meerdere personenmet het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
feit 2 in de periode 20 juni 2023 tot en met 25 december 2023 te [woonplaats] , in de gemeente Altena, opzettelijk en wederrechtelijk meermalen identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [aangeefster 2] heeft gebruikt door:- op Instagram en Facebook accounts op naam van die [aangeefster 2] aan te maken en- op deze accounts gebruik te maken van foto's waarop die [aangeefster 2] is afgebeeld en- op deze accounts gebruik te maken van de naam van die [aangeefster 2] en- via die accounts uit naam van die Gerrtisen in gesprek te gaan met één of meerdere personenmet het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
feit 3 in de periode 27 mei 2021 tot en met 25 januari 2024 te [woonplaats] , in de gemeente Altena, opzettelijk en wederrechtelijk meermalen identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [aangeefster 3] heeft gebruikt door- op Instagram en Facebook accounts op naam van die [aangeefster 3] aan te maken en- op deze accounts gebruik te maken van foto's waarop die [aangeefster 3] is afgebeeld en- op deze accounts gebruik te maken van de naam van die [aangeefster 3] en- via die accounts uit naam van die [aangeefster 3] in gesprek te gaan met één of meerdere personenmet het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een contactverbod met de drie slachtoffers op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel en die maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om geen gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Dit zou zijn gezin en familie ontwrichten. De raadsvrouw heeft daartoe gewezen op het feit dat verdachte een alleenstaande vader is die voor zijn dochter zorgt en ook de zorg voor zijn moeder draagt. Hij heeft geen strafblad en heeft zijn leven op orde.
Verdachte heeft verklaard dat hij, als hij naar de gevangenis moet, zijn baan en zijn woning kwijtraakt.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft gedurende een lange periode doelbewust misbruik gemaakt van de identiteit van aangeefsters door op hun naam valse sociale-media-accounts aan te maken en deze te gebruiken om veelal seksueel getinte berichten naar hun vrienden en bekenden te sturen. Hij deed zich daarbij voor als aangeefsters en leek over persoonlijke informatie van aangeefsters te beschikken. De gedragingen die met de nepaccounts hebben plaatsgevonden, hebben een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefsters en hun gevoel van veiligheid fors aangetast. De rechtbank acht dit ernstige feiten en begrijpt goed dat hetgeen hier is gebeurd, diep ingrijpt in het leven van aangeefsters. Uit de schriftelijke slachtoffer-verklaringen blijkt ook op indringende wijze welke impact de feiten op hen hebben gehad. Zij hebben uitvoerig uiteengezet hoe zij gedurende lange tijd hebben moeten leven met angst en onzekerheid. Zij hebben in de tenlastegelegde periodes voortdurend niet geweten wie achter de nepaccounts zat en wanneer het opnieuw zou gebeuren. Dit heeft bij elk van de slachtoffers op hun eigen manier diepe sporen achtergelaten.
[aangeefster 1] is steeds angstiger geworden. De enorme onzekerheid over een periode van jaren, heeft bij haar gevoelens van extreme angst en ernstige achterdocht veroorzaakt. Zij wantrouwde iedereen om haar heen. Familie en vrienden, maar ook onbekenden. Haar reeds bestaande PTSS-klachten zijn in ernstige mate verergerd. Jarenlang heeft [aangeefster 1] zich afgevraagd wie achter deze feiten zat, wie haar dit aandeed en vooral waarom. Haar vragen blijven nog steeds grotendeels onbeantwoord.
Uit de slachtofferverklaring van [aangeefster 2] volgt haar schaamte voor de berichten die uit haar naam werden gestuurd. Het feit dat door verdachte op een gegeven moment ook de naam van haar dochter werd gebruikt, vindt zij het allerergst. Zij is bang dat ook haar dochter aangesproken gaat worden op de berichten. [aangeefster 2] is onzeker binnen haar relaties en is door de gedragingen van verdachte erg gesloten geworden. Zij vraagt zich af waarom verdachte haar dit heeft aangedaan. Ook voor haar blijft die vraag onbeantwoord.
[aangeefster 3] heeft omschreven dat zij boos, verdrietig, teleurgesteld, angstig, ongelukkig en depressief tegelijk is. Ook zij schaamde zich tegenover anderen. Omdat in de nepberichten stond dat zij was verhuisd, was [aangeefster 3] bang dat de dader wist waar ze woonde. Zij leefde mede daardoor in angst en onwetendheid. Zij is door het handelen van verdachte tien jaar belemmerd in haar doen en laten en in haar geluk. Zij hield relaties op een afstand en kon haar werk soms niet uitvoeren.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
Uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport volgt dat er geen problemen op de praktische leefgebieden worden waargenomen. Het is de reclassering echter niet gelukt om zaken echt uit te diepen vanwege de vermijdende houding en de slachtofferrol die verdachte zich aanmeet. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat en het ontbreekt verdachte aan een hulpvraag. Nu er na het politieverhoor geen nieuwe meldingen zijn geweest van soortgelijk gedrag, ziet de reclassering geen mogelijkheden en meerwaarde voor het inzetten van reclasseringsinterventies binnen een verplicht kader.
Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de zorg draagt voor zijn dochter, spaart voor haar studie en dat hij zijn woning en baan kwijt zal raken als aan hem een gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank heeft daar kennis van genomen. Tegelijkertijd weegt de rechtbank mee dat verdachte na het stopgesprek is doorgegaan met het plegen van de feiten en geen openheid van zaken heeft gegeven. Hij heeft zich gedurende het proces gepresenteerd als slachtoffer van de situatie en geen inzicht gegeven in zijn handelen of de achterliggende motieven. Daarmee heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en blijven veel vragen van de slachtoffers onbeantwoord. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
Strafoplegging
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de straf die door de officier van justitie is geëist, te weten een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op de duur en intensiteit van de feiten, het aantal slachtoffers en de proceshouding van verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel voldaan aan het recidivecriterium voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank zal daar echter niet toe overgaan. Nadat de zaak aan het rollen is gekomen en justitie de feiten heeft opgepakt, zijn de gedragingen gestopt. De rechtbank acht de gevangenisstraf die aan verdachte zal worden opgelegd, mede gelet op de hoogte daarvan en het voorwaardelijke deel met een proeftijd van drie jaar, een voldoende stevige stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
7. Het beslag
De rechtbank stelt vast dat er conservatoir beslag is gelegd op de (spaar)rekening van verdachte tot bewaring van het recht van verhaal voor een op te leggen schadevergoedingsmaatregel. Het is niet aan de rechtbank om daar bij dit vonnis een beslissing op te nemen.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partijen [aangeefster 1] (feit 1), [aangeefster 2] (feit 2) en [aangeefster 3] (feit 3) vorderen een schadevergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade en € 10.000,00 aan voorschot voor de kosten voor tenuitvoerlegging. De benadeelde partij [aangeefster 3] vordert daarnaast een schadevergoeding van € 394,74 aan materiële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partijen te vergoeden.
Immateriële schade
De benadeelden hebben, ieder afzonderlijk, aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank acht per benadeelde een bedrag van € 5.000,00 billijk en zal de vorderingen tot dit bedrag toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de lange periode waarin de benadeelden in onzekerheid hebben verkeerd over wie degene was die de nepaccounts op hun naam heeft aangemaakt, de frequentie waarmee dit gebeurde en het feit dat er mensen in de directe omgeving van benadeelden werden benaderd door de nepaccounts. Met het beperken van de hoogte van het gevorderde bedrag wil de rechtbank op geen enkele manier afbreuk doen aan de impact die het strafbare handelen op de slachtoffers heeft gehad. Zij heeft aansluiting gezocht bij bedragen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van de bewezenverklaarde periode. Bij [aangeefster 1] stelt de rechtbank deze datum vast op 6 maart 2023, bij [aangeefster 2] op 22 september 2023 en bij [aangeefster 3] op 26 september 2022. De rechtbank overweegt daarbij dat de schade bij deze feiten niet op een enkel moment is ontstaan. De rechtbank gaat ervan uit dat vanaf de ingangsdatum van de feiten de schade geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank zal de vorderingen aan immateriële schade voor het overige afwijzen.
Voorschotten en materiële schade
Voor de gevorderde voorschotten voor de kosten voor tenuitvoerlegging is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedragen zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.
De door [aangeefster 3] gevorderde materiële schade lijkt, gelet op de bijlage bij de vordering, te zien op 2020. Als dat klopt, vallen die kosten buiten de bewezenverklaarde periode en komt de gevorderde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank is nu niet geheel duidelijk waarop de gevorderde schade ziet.
Verdere behandeling van genoemde delen van de vorderingen, te weten de gevorderde voorschotten en de door [aangeefster 3] gevorderde materiële schade, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partijen daarvoor niet-ontvankelijk in hun vorderingen zullen worden verklaard. Die delen van de vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 231b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, 2 en 3, telkens: identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partijen
feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 1] van € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering tot immateriële schade af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, te weten het gevorderde voorschot, niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
feit 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 2] van € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering tot immateriële schade af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, te weten het gevorderde voorschot, niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
feit 3
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 3] van € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2022 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering tot immateriële schade af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, te weten het gevorderde voorschot en de gevorderde materiële schade, niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van
* het slachtoffer [aangeefster 1] € 5.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
* het slachtoffer [aangeefster 2] € 5.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
* het slachtoffer [aangeefster 3] € 5.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling per betalingsverplichting 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. R. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 24 februari 2026.
De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1 hij in of omstreeks de periode van 12 juni 2022 tot en met 31 december 2023 te [woonplaats] , in de gemeente Altena, althans in Nederlandopzettelijk en wederrechtelijk meermalen, althans eenmaal, identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [aangeefster 1] heeft gebruikt door:- op Instagram en/of Facebook, althans social media platforms, accounts op naam van die [aangeefster 1] aan te maken en/of- op deze accounts gebruik te maken van foto's waarop die [aangeefster 1] is afgebeeld en/of- op deze accounts gebruik te maken van de naam van die [aangeefster 1] en/of- via die account(s) uit naam van die [aangeefster 1] in gesprek te gaan met één of meerdere personenmet het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
feit 2 hij in of omstreeks de periode van 20 juni 2023 tot en met 25 december 2023 te [woonplaats] , in de gemeente Altena, althans in Nederlandopzettelijk en wederrechtelijk meermalen, althans eenmaal, identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [aangeefster 2] heeft gebruikt door:- op Instagram en/of Facebook, althans social media platforms, accounts op naam van die [aangeefster 2] aan te maken en/of- op deze accounts gebruik te maken van foto's waarop die [aangeefster 2] is afgebeeld en/of- op deze accounts gebruik te maken van de naam van die [aangeefster 2] en/of- via die account(s) uit naam van die Gerrtisen in gesprek te gaan met één of meerdere personenmet het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
feit 3 hij in of omstreeks de periode van 27 mei 2021 tot en met 25 januari 2024 te [woonplaats] , in de gemeente Altena, althans in Nederlandopzettelijk en wederrechtelijk meermalen, althans eenmaal, identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [aangeefster 3] heeft gebruikt door- op Instagram en/of Facebook, althans social media platforms, accounts op naam van die [aangeefster 3] aan te maken en/of- op deze accounts gebruik te maken van foto's waarop die [aangeefster 3] is afgebeeld en/of- op deze accounts gebruik te maken van de naam van die [aangeefster 3] en/of- via die account(s) uit naam van die [aangeefster 3] in gesprek te gaan met één of meerdere personenmet het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.