RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-045567-25
vonnis van de meervoudige kamer van 25 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1991 te [geboorteplaats 1] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
raadsvrouw mr. A. Huseinovic, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich, samen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) met gebruik van dwang, geweld en/of bedreiging, dan wel dat verdachte medeplichtig is geweest aan deze opzetverkrachting.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting van [slachtoffer] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde
seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de
veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het
bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.
Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft
begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één
getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan
degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan
onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist
dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het
voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in
ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Daar staat
tegenover dat tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een
niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Verklaring aangeefster
Aangeefster verklaart dat zij in de avond/nacht van 6 op 7 februari 2025 aanwezig was in de
woning aan [adres] in [plaats] , samen met [medeverdachte] , zijn [ex-partner medeverdachte] (hierna: [ex-partner medeverdachte] ) en met de moeder en broer van medeverdachte. Dit betrof de woning van medeverdachte. Gedurende die avond/nacht werd er alcohol gedronken en drugs gebruikt en is er ruzie ontstaan, omdat medeverdachte kennelijk in de veronderstelling verkeerde dat aangeefster en [ex-partner medeverdachte] hem wilden bestelen. Tijdens deze ruzie heeft [ex-partner medeverdachte] de woning verlaten en is zij ondanks meerdere verzoeken van medeverdachte niet teruggekeerd. Op enig moment die avond is verdachte de woning binnengekomen. Hij bemerkte een vreemde sfeer en er was ruzie tussen medeverdachte en aangeefster. Vervolgens heeft medeverdachte aangeefster bespuugd, geslagen en haar verteld dat ze niet meer levend de woning uit zou komen. Aangeefster heeft geprobeerd zich aan deze situatie te onttrekken door naar de tuin te vluchten, maar is door verdachte en medeverdachte terug de woning in gebracht. Op dat moment verlieten de moeder en broer van medeverdachte de woning.
Aangeefster is vervolgens door medeverdachte uitgescholden, geslagen, geschopt en hij heeft met zijn handen of een kledingstuk haar keel dichtgedrukt. Ook heeft medeverdachte met een tondeuse de hoofdharen van aangeefster afgeschoren. De videobeelden die medeverdachte hiervan heeft gemaakt, zijn door hem naar [ex-partner medeverdachte] gestuurd. Op die beelden is ook verdachte te zien. Hierna heeft medeverdachte aangeefster gedwongen om hem te pijpen en heeft hij haar op twee verschillende plaatsen in de woning verkracht door zijn penis in haar vagina te penetreren, zonder gebruik van een condoom. Tijdens deze verkrachting pakte medeverdachte met zijn ene hand de keel van aangeefster beet en met zijn andere hand deed hij de benen van aangeefster uiteen. Ook deed medeverdachte zijn hand op de mond van aangeefster zodat niemand haar kon horen schreeuwen. Medeverdachte zei tegen aangeefster dat zij niks mocht zeggen tegen [ex-partner medeverdachte] . Anders zou hij aangeefster dood maken. Nadat de door [ex-partner medeverdachte] gewaarschuwde politie ter plaatse kwam, is de verkrachting gestopt.
Over verdachte heeft aangeefster verklaard dat hij op het begin heeft geprobeerd om medeverdachte rustig te krijgen, maar dat hij later aan de kant van medeverdachte stond. Verdachte heeft aangeefster uitgescholden, geschopt en een schoen op haar gezicht geduwd. Op het moment dat aangeefster de medeverdachte moest pijpen, heeft verdachte een vleesmes op haar knie gezet en met een vleeshamer op dat mes geslagen. De verkrachting heeft verdachte niet gezien, omdat hij in een andere kamer was. Wel heeft hij gehoord dat aangeefster om hulp riep. Verdachte heeft tegen aangeefster gezegd dat hij haar dood zou maken en dat zij hem moest pijpen, nadat zij medeverdachte had gepijpt. Zover is het echter niet gekomen, omdat de politie de woning binnenkwam. Verdachte is op dat moment niet door de politie aangetroffen.
Gedurende het hierboven omschreven voorval heeft aangeefster meermaals om hulp
geroepen en verdachte en medeverdachte tevergeefs tot kalmte gemaand en gevraagd om haar te laten gaan.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster
betrouwbaar is. De rechtbank stelt vast dat aangeefster op twee momenten een verklaring
heeft afgelegd, namelijk tijdens het informatief zedengesprek op 7 februari 2025 - enkele
uren na het voorval - en tijdens haar aangifte op 8 februari 2025. Aangeefster heeft op deze
momenten gedetailleerd en consistent verklaard over zowel de seksuele handelingen als
over de omstandigheden waaronder die plaatsvonden. De rechtbank ziet geen reden om aan
de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is
voor de verklaring van aangeefster. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De
rechtbank wijst op de bevindingen van de politie na het op 7 februari 2025 binnentreden van
de woning, waarbij is omschreven op welke wijze zij aangeefster aantroffen en in welke
gemoedstoestand aangeefster op dat moment verkeerde. Daarnaast wijst de rechtbank op de beschrijving van het bij aangeefster waargenomen letsel, de beschrijving en vertaling van video’s die tijdens het voorval zijn gemaakt (waarop twee mannen zichtbaar en hoorbaar waren), de getuigenverklaring en telefoongegevens van [ex-partner medeverdachte] en de verklaring van medeverdachte. Verder is door de politie in de woning een mes, een vleeshamer en een tondeuse aangetroffen. Gelet op al dit steunbewijs gaat de rechtbank uit van de omstandigheden en handelingen zoals deze door aangeefster zijn beschreven.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die
(mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij
- al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van
wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met
duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet
op prijs te stellen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet
worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door
dwang, geweld of bedreiging.
De rechtbank is van oordeel dat onomstotelijk uit de door aangeefster beschreven omstandigheden en handelingen blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met verdachte en medeverdachte ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor verdachte en de medeverdachte duidelijk was. Ook blijkt hieruit dat dit seksuele contact met medeverdachte met gebruik van verschillende manieren van dwang, geweld of bedreiging heeft plaatsgevonden.
Medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat bij het begaan van het strafbare
feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de
medeverdachte.
De rechtbank overweegt dat de verdachte ten tijde van het voorval bij medeverdachte en
aangeefster in de woning aanwezig was, zich niet heeft onttrokken aan de situatie en
aangeefster ook niet doortastend te hulp is geschoten. Integendeel, volgens aangeefster heeft
ook hij haar uitgescholden, met de dood bedreigd, geslagen, geschopt. Daarnaast heeft verdachte de medeverdachte geholpen met aangeefster terug de woning in te brengen toen zij de tuin in was gevlucht. Hiermee heeft de verdachte eraan bijgedragen dat medeverdachte de seksuele handelingen bij aangeefster kon verrichten. Door het gebruik van een vleesmes en een vleeshamer heeft hij de omstandigheden zelfs nog beangstigender en kwalijker voor aangeefster gemaakt. Verdachte heeft zelf weliswaar geen seksuele handelingen bij aangeefster verricht, maar dat was kennelijk wel het plan. Hij zou na medeverdachte ‘aan de beurt’ zijn. Dat dit deel van het plan uiteindelijk niet is voltooid, is enkel en alleen te danken aan het ingrijpen door de politie. Al het voorgaande is voldoende om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, samen met de
medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
omstreeks 7 februari 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1988 te [geboorteplaats 2] te Polen, seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft zijn mededader - zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] en- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en heen en weer bewogen,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, immers hebben verdachte en zijn mededader, - die [slachtoffer] (met een vuist) tegen het hoofd en/of in het gezicht en tegen het lichaam, geslagen en geschopt en- de hoofdharen van die [slachtoffer] afgeschoren en- die [slachtoffer] bij de keel gegrepen en de keel van die [slachtoffer] met zijn handen of een kledingstuk dicht geknepen en- die [slachtoffer] een vleesmes op haar knie gezet en (vervolgens) met een vleeshamer op de achterkant van dat vleesmes geslagen en- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze tegen niemand iets mocht zeggen, omdat verdachte en zijn mededader, zakelijk weergegeven, 'haar dan dood zou maken'.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die
fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging
geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de omstandigheid dat de rol van verdachte bij het feit anders was dan die van de medeverdachte. Bij hem regeerde op die avond angst en hij was niet bestand tegen medeverdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan opzetverkrachting, met
toepassing van dwang, geweld en bedreiging. Opzetverkrachting is een zeer ernstig feit en
verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische
integriteit van aangeefster. Dit geldt temeer gelet op de setting waarin deze verkrachting
plaatsvond, die aangeefster als buitengewoon vernederend en beangstigend moet hebben
ervaren. Aan deze setting is slechts door toedoen van de politie een einde gekomen.
Medeverdachte heeft alleen de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten en het botvieren van zijn kennelijke woede vooropgesteld. Verdachte heeft hierbij een kwalijke en onmisbare rol gehad. Verdachte heeft eerst geprobeerd om medeverdachte af te remmen, maar is uiteindelijk meegegaan in alle ernstige gedragingen en heeft mogelijkheid gezien om zijn eigen seksuele lusten vrij spel te geven. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn strafbare handelen voor aangeefster of deze gevolgen simpelweg op de koop toe genomen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Slachtoffers van een verkrachting kunnen immers nog zeer lange tijd last hebben van de psychische gevolgen daarvan.
De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte legt de schuld bij medeverdachte neer en toont geen inzicht in zijn eigen strafbare handelen. Hierdoor is het voor de rechtbank volstrekt onduidelijk hoe hij tot deze daad is gekomen en of er aanleiding is te veronderstellen dat hij dit een volgende keer weer zo zou doen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Nederlandse en Poolse strafblad van verdachte,
waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedendelict.
Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een
gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de
bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in
soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het
Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor
gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, van het Wetboek
van Strafrecht, zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in
artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Op de laatstgenoemde verkrachting met
ernstig geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang hanteren de
oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden als uitgangspunt.
De rechtbank ziet aanleiding om dit als uitgangspunt te nemen bij de op te leggen straf.
Strafverzwarend in het geval van verdachte is dat de verkrachting plaatsvond in een voor
aangeefster uitermate vernederende setting. Zo is aangeefster uitgescholden, bespuugd en
mishandeld, zijn zelfs de hoofdharen van aangeefster grotendeels afgeschoren en zijn er
video’s van aangeefster gemaakt en verstuurd. Ook strafverzwarend is dat bij de
verkrachting gebruik is gemaakt van een vleesmes en een vleeshamer. De rechtbank beschouwt de combinatie van deze uitermate vernederende setting, het geweld dat
is gebruikt en de dreiging met geweld als zeer strafverzwarend. Tot slot wordt in lijn met
artikel 254, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht in straf eveneens
in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat sprake is van medeplegen.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte zelf geen seksuele handelingen heeft verricht bij aangeefster. Het is medeverdachte die het voortouw heeft genomen en de seksuele handelingen heeft verricht.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de
penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke
invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van
Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 243 en 254 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzetverkrachting voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang,
geweld en bedreiging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde
personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest
heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde
gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, mr. S. Tempel en mr. S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 februari 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 7 februari 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1988 te [geboorteplaats 2] te Polen, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader, meermalen, althans eenmaal- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] en/of- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of (vervolgens) (heen en weer) bewogen, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader, meermalen, althans eenmaal,- die [slachtoffer] (met een vuist) op/tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans het lichaam, geslagen en/of geschopt en/of- de hoofdharen van die [slachtoffer] afgeschoren en/of- die [slachtoffer] bij de keel gegrepen en/of in de keel geknepen en/of de keel van die [slachtoffer] met zijn/hun handen en/of een kledingstuk dicht geknepen gehouden en/of- die [slachtoffer] een vleesmes op haar knie, althans het lichaam, gezet en (vervolgens) met een vleeshamer op de achterkant van dat vleesmes geslagen, althans gedreigd te slaan en/of- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze tegen niemand iets mocht zeggen, omdat verdachte en/of zijn mededader, zakelijk weergegeven, 'haar dan dood zou maken', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;(art. 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art. 254 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op 7 februari 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1988 te [geboorteplaats 2] te Polen, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft die [medeverdachte] meermalen, althans eenmaal- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] en/of- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of (vervolgens) (heen en weer) bewogen, terwijl die [medeverdachte] wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, immers heeft die [medeverdachte] , meermalen, althans eenmaal,- die [slachtoffer] (met een vuist) op/tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans het lichaam, geslagen en/of geschopt en/of- (de) hoofdharen van die [slachtoffer] afgeschoren en/of- die [slachtoffer] bij de keel gegrepen en/of in de keel geknepen en/of de keel van die [slachtoffer] met zijn handen en/of een kledingstuk dicht geknepen gehouden en/of- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze tegen niemand iets mocht zeggen, omdat verdachte, zakelijk weergegeven, 'haar dan dood zou maken', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 februari 2025 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door- die [slachtoffer] te slaan en/of- die [slachtoffer] een vleesmes op haar knie, althans het lichaam, te zetten en (vervolgens) met een vleeshamer op de achterkant van dat vleesmes te slaan, althans gedreigd heeft op dat vleesmes te slaan en/of- niet in te grijpen en/of alarm te slaan en/of (derden) te waarschuwen;(art. 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art. 254 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht,
art. 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)