RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/443908 / KG ZA 26-12
Vonnis in kort geding van 25 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. J. Boogaard,
tegen
1. GEMEENTE MIDDELBURG,
te Middelburg,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.M. Pieterse,2. MORTIERE GRONDEXPLOITATIE C.V.,
te Rosmalen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.G. Gebel,
3. GRONDBEDRIJF MORTIERE BEHEER I B.V,
te Rosmalen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.G. Gebel,4. GRONDBEDRIJF MORTIERE BEHEER II B.V,
te Rosmalen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.G. Gebel,5. HEIJMANS INFRA B.V,
te Rosmalen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.G. Gebel,6. HEIJMANS WONINGBOUW B.V,
te Rosmalen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.G. Gebel.
Eiser wordt hierna aangeduid als [eisende partij] , gedaagde sub 1 als de Gemeente en gedaagden sub 2 tot en met 6 gezamenlijk als het Consortium.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de producties 1 tot en met 18 van [eisende partij] ,- de conclusie van antwoord van de Gemeente met productie 1 tot en met 5,
- de conclusie van antwoord van het Consortium met producties 1 tot en met 6,- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eisende partij] ,- de pleitnota van de Gemeente,
- de pleitnota van het Consortium.
2. De feiten
[eisende partij] is eigenaar van een perceel grond gelegen aan de [adres] ter grootte van één hectare met daarop een woonhuis en een grote landbouwschuur, (hierna: de woonkavel).
Op aan de woonkavel grenzende percelen, hierna: ‘de omliggende percelen’, zijn door de Gemeente en het Consortium vanaf 2007 infrastructurele en andere bouwkundige werkzaamheden verricht. [eisende partij] stelt dat hij als gevolg hiervan schade heeft geleden en heeft de Gemeente en het Consortium hiervoor aansprakelijk gesteld.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) heeft bij arrest van 17 januari 2023 geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder in de vorm van wateroverlast op de woonkavel van [eisende partij] en dat de gemeente en het Consortium in dat kader onrechtmatig jegens [eisende partij] hebben gehandeld. Het hof heeft de Gemeente en het Consortium veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat.
Voor de ontwikkeling van woningbouwprojecten Mortiere fases 9B, 9 D en E zijn omgevingsvergunningen afgegeven nadat daarvoor op 30 april 2020 respectievelijk 17 december 2020 door het Consortium aanvragen waren ingediend. Tegen deze besluiten is [eisende partij] in bezwaar en beroep gegaan als gevolg waarvan aanvullende maatregelen in de omgevingsvergunning verplicht zijn gesteld om te voldoen aan de voorwaarde dat de ontwikkeling geen negatieve hydrologische effecten heeft op de omgeving, waaronder de woonkavel van [eisende partij] . Het gaat om de volgende maatregelen:
- handhaving van de watergang langs de [straat 1] , inclusief verbinding met de hemelwaterriolering die met een terugslagklep is aangesloten op de [watergang]. Deze maatregel is reeds uitgevoerd maar aanvullend is voorgesteld de duiker in de toeritdam te verlagen naar NAP -1.80 m.
- de aanleg van een sloot aan de noordwestzijde van het perceel van [eisende partij] , die is aangesloten op de watergang langs de [straat 1] . De sloot is reeds aangelegd maar de verbinding met de watergang moet nog gerealiseerd worden (een tweede afvoer).
- de aanleg van een greppel/wadi aan de noordoostelijke zijde van het perceel met daaronder een drain op NAP -1,80 m om het grondwater en het infiltrerende hemelwater af te voeren, de drain is aangesloten op voornoemde sloot. Deze maatregel dient aangevuld te worden met een diepere ligging van de drain met daaronder een grindkoffer.
- de aanleg van een grindkoffer met drain langs de [straat 2] , die is aangesloten op voornoemde wadi. Deze maatregel is in zijn geheel nog niet uitgevoerd.
[eisende partij] heeft tegen de aangepaste omgevingsvergunningen waarin voornoemde maatregelen verplicht zijn gesteld ook beroep aangetekend. De Raad van State heeft in haar uitspraak van 13 augustus 2025 deze beroepen ongegrond verklaard.
De werkzaamheden zijn beschreven in [besteknummer] (hierna: het bestek). Het Consortium heeft bij e-mail van 23 december 2025 aan [eisende partij] meegedeeld dat vanaf begin februari 2026 een start zal worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert – samengevat – de Gemeente en het Consortium te verbieden de werkzaamheden “Mortiere aanvullende Maatregelen Perceel [eisende partij] ”, [besteknummer] (hierna: de werkzaamheden) uit te voeren, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente en het Consortium in de proceskosten.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Gemeente en het Consortium vanaf 2007 infrastructurele werkzaamheden hebben verricht als gevolg waarvan de omliggend percelen hoger zijn komen te liggen dan de woonkavel van [eisende partij] waar zij eerst lager gelegen waren. De gewijzigde waterloop, het wegnemen van de afwaterings-mogelijkheden en het afwisselend sterk stijgen en dalen van het grondwaterpeil zorgen voor wateroverlast en schade aan de opstallen door inklinking van de grond en daardoor verlaging van de draagkracht van de funderingen (op staal). Het hof heeft in haar arrest van 17 januari 2023 voor recht verklaard dat de Gemeente en het Consortium daarmee onrechtmatig jegens [eisende partij] hebben gehandeld. Nu willen zij de (onrechtmatig geoordeelde) werkzaamheden hervatten. De geplande werkzaamheden zullen opnieuw schade aan de opstallen op het woonkavel veroorzaken.
[eisende partij] en zijn gezin hebben recht op een veilige en gezonde leefomgeving. De werkzaamheden zullen zorgen voor verslechtering van de situatie. Ook doorkruisen de werkzaamheden het deskundigenonderzoek dat door de rechtbank is gelast in het vonnis van 2 juli 2025. Ook is de vergunning van het Waterschap Scheldestromen nog niet onherroepelijk.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
[eisende partij] stelt dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vordering omdat de werkzaamheden tot schade aan zijn opstallen zullen leiden. De Gemeente en het Consortium betwisten dat sprake is van een spoedeisend belang omdat nergens uit blijkt dat de werkzaamheden schade zullen veroorzaken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij] voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dat eventuele schade als gevolg van de werkzaamheden voldoende aanleiding vormen voor een spoedeisend belang wordt door de Gemeente en het Consortium als zodanig niet betwist. De beoordeling of en in hoeverre de maatregelen schade (kunnen) veroorzaken zal bij de inhoudelijke behandeling aan de orde komen en is voor het spoedeisend belang niet van belang.
Is [eisende partij] niet-ontvankelijk?
De rechtbank is, anders dan het Consortium stelt, van oordeel dat er geen sprake is van niet-ontvankelijkheid omdat een bestuursrechtelijke weg openstond en is bewandeld. Uitvoering geven aan werkzaamheden waarvoor een onherroepelijke vergunning is verleend kan, onder omstandigheden, toch onrechtmatig zijn zodat het gegeven dat de bestuursrechtelijke weg is bewandeld niet betekent dat een eiser in een procedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank automatisch niet-ontvankelijk is.
Is de vordering toewijsbaar?
[eisende partij] vordert de Gemeente en het Consortium te verbieden de werkzaamheden uit te voeren. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van de vergunning voor deze werkzaamheden de bestuursrechtelijke weg van bezwaar en beroep is doorlopen. Een verbod is naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen dan gerechtvaardigd als voldoende aannemelijk wordt dat de kans op en de mate waarin schade zal ontstaan zodanig is dat, alle belangen meewegende, een verbod gerechtvaardigd is. Daarbij zal duidelijk moeten zijn dat de belangen van [eisende partij] , in dit specifieke geval de kans op schade aan zijn perceel en/of opstallen, door de bestuursrechter onvoldoende is meegewogen.
De voorzieningenrechter overweegt dat voor de beoordeling van deze vordering enkel de nu geplande werkzaamheden zoals omschreven in het bestek van belang zijn. Of en in welke mate de reeds uitgevoerde werkzaamheden schade hebben veroorzaakt is in deze procedure niet relevant. Het hof heeft in haar arrest van 17 januari 2023 geoordeeld dat de reeds uitgevoerde werkzaamheden onrechtmatige hinder in de vorm van wateroverlast hebben veroorzaakt. Dat de onderhavige, nog uit te voeren, werkzaamheden onrechtmatig zijn volgt niet uit dat arrest.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende (gemotiveerd) heeft gesteld dat de geplande werkzaamheden schade zullen veroorzaken en overweegt daartoe het volgende.
Ten aanzien van de geplande werkzaamheden stelt [eisende partij] dat het verlagen van de duiker tot gevolg heeft dat in perioden van droogte nog meer water wordt afgevoerd en er dus nog meer uitdroging plaatsvindt wat de draagkracht van de funderingen op het perceel van [eisende partij] verder aantast. [eisende partij] verwijst daarvoor naar passages uit het deskundigenrapport van de gerechtelijke deskundige in de procedure bij het hof (hierna: Antea). In dit deel van het deskundigenrapport bespreekt de deskundige (een deel van) de geplande maatregelen en beveelt deels andere maatregelen aan. Dat de voorgestelde maatregelen te lage waterstanden en daarmee schade zullen veroorzaken volgt daar echter niet uit en is daarmee dus niet onderbouwd. Hoewel Antea in zijn algemeenheid waarschuwt voor zetting van de grond op de woonkavel door te lage waterstanden, blijkt uit geen van de door [eisende partij] aangehaalde passages dat te lage waterstanden te verwachten zijn. Integendeel, in alle stukken wordt gesproken van het voorkomen van wateroverlast.
Verder stelt [eisende partij] dat maatregel 6 in het bestek, het aanbrengen van een tweede afvoer, tot hogere waterstanden bij natte periodes zal leiden omdat de bodem van de sloot waarmee verbinding wordt gemaakt hoger gelegen is en die sloot altijd vol water staat. [eisende partij] suggereert met zijn stelling dat het water uit ‘de volle sloot’ naar de sloot bij de woonkavel zal stromen en daar voor hogere waterstanden zal zorgen. Dat blijkt echter nergens uit en in wezen gaat het dan om de afvoercapaciteit van de tweede afvoer. Over die afvoercapaciteit stelt [eisende partij] niets.
Ook stelt [eisende partij] dat de grindkoffer geen waterafvoerende functie ten behoeve van de [straat 2] heeft omdat op de grens van deze straat een gesloten trottoirband ligt. In het licht van de door gedaagden aangehaalde uitspraak van de Raad van State waarbij wordt aangenomen dat de grindkoffer zelf een waterafvoerende functie heeft en verder naar tweezijden water afvoert, mocht van [eisende partij] een nader gemotiveerde stelling worden verwacht.
Tot slot stelt [eisende partij] , in algemene zin, dat uit de door hem overgelegde rapportages van Factor Civil Engineering B.V. (hierna: Factor) en Bouwraadhuis volgt dat de werkzaamheden tot extra schade zullen leiden. Deze rapportages zien op de schade die reeds is opgetreden aan de opstallen van [eisende partij] . Of en in welke mate de werkzaamheden schade zullen veroorzaken volgt hier niet uit.
[eisende partij] stelt verder nog dat de werkzaamheden het onderzoek van de gerechtelijk deskundigen zullen doorkruisen. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat er reeds een concept deskundigenrapport is en dat het deskundigenonderzoek dus al heeft plaatsgevonden. Hoe de werkzaamheden dit onderzoek nog kunnen doorkruisen is door [eisende partij] verder niet toegelicht en vormt evenmin aanleiding om de vordering van [eisende partij] toe te wijzen. Ook de omstandigheid dat de vergunning van het Waterschap Scheldestromen nog niet onherroepelijk is, vormt – zonder toereikende onderbouwing, die ontbreekt – onvoldoende aanleiding de werkzaamheden te verbieden.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat [eisende partij] een algemeen verbod vordert zonder daarbij concreet te maken tot wanneer en onder welke voorwaarden het verbod moet gelden. Onduidelijk blijft of [eisende partij] nader onderzoek wenst of dat hij aanpassingen van de werkzaamheden wenst en welke aanpassingen dat dan zouden moeten zijn. De vordering is in die zin te onbepaald en ook om die reden niet toewijsbaar.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eisende partij] zal worden afgewezen.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de Gemeente en het Consortium betalen.
De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00.
De proceskosten van het Consortium worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eisende partij] af.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van de Gemeente van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van het Consortium van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.