[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigden: mr. M. Hendriks en mr. N. ten Donkelaar),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen (de naheffingsaanslagen) en boeten (de boetebeschikkingen) opgelegd. Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
Tijdvakken in de periode:
1-1-2016 t/m
31-12-2016
1-1-2017 t/m
31-12-2017
1-1-2018 t/m
31-12-2018
Dagtekening:
20 december 2021
16 december 2022
28 november 2023
Bedrag naheffingsaanslag:
€ 18.434
€ 20.190
€ 153.920
Bedrag boete:
€ 4.808
€ 5.278
€ 5.278
Bedrag belastingrente:
€ 3.447
€ 3.769
€ 29.814
De inspecteur heeft met belanghebbende een vaststellingsovereenkomst gesloten om een deel van het geschil te beslechten en heeft vervolgens de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van (delen van) stukken gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op het verzoek van de inspecteur beslist.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende: de gemachtigden, vergezeld van [persoon 1] en namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of sprake is van misbruik van bevoegdheden. Tevens beoordeelt de rechtbank of de inspecteur artikel 8:42 van de Awb of het verschoningsrecht heeft geschonden. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de naheffingsaanslagen, zoals die luiden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt daarbij enkel het deel van de naheffingsaanslagen waarover uitdrukkelijk geen overeenstemming is bereikt in de vaststellingsovereenkomst (zie hierna in 4.5). Verder beoordeelt de rechtbank of de verzuimboete over het jaar 2018 terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Voorts beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikkingen tot juiste bedragen zijn vastgesteld. Ten slotte beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van misbruik van bevoegdheden of van schending van artikel 8:42 van de Awb. Van schending van het verschoningsrecht is evenmin sprake. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht en tot juiste bedragen zijn vastgesteld. Dit brengt mee dat ook de belastingrentebeschikkingen tot juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete over het jaar 2018 terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. De verzuimboete dient evenwel verminderd te worden in verband met de overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). Tevens heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende is een dochtermaatschappij van [BV] . [persoon 2] is enig aandeelhouder van [BV] . Naast belanghebbende houdt [BV] aandelen in diverse andere BV’s, die samen bekend staan als [bedrijf] . De activiteiten van [bedrijf] bestaan uit het exploiteren van vakantieparken, inclusief de op de parken gevestigde horeca, het verhuren van ruimte voor stacaravans, chalets en jaarplaatsen alsmede de in- en verkoop van stacaravans en chalets.
In september 2016 waren ongeveer 120 personen in vaste dienst bij [bedrijf] . Daarnaast had [bedrijf] 600 tijdelijke krachten.
De inspecteur heeft aangekondigd een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over het jaar 2014. Tijdens het boekenonderzoek ontstond het vermoeden van strafbare feiten. Hierop heeft de Belastingdienst de zaak aangemeld bij de FIOD en het Openbaar Ministerie. In oktober 2018 is besloten tot strafrechtelijke behandeling van de zaak. Op 21 mei 2019 heeft de FIOD een inval gedaan bij [bedrijf] waarbij administratie in beslag is genomen. In 2019 heeft de inspecteur de officier van justitie twee maal, op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), verzocht om gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. De FIOD heeft op verschillende momenten stukken aan de inspecteur ter beschikking gesteld. In oktober 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat het boekenonderzoek wordt uitgebreid naar de jaren 2015 tot en met 2017.
Tot de dossiers behoren onder meer het eindproces-verbaal van de FIOD en processen-verbaal van getuigenverhoren.
Bij brief van 8 november 2023 heeft de inspecteur aangekondigd het boekenonderzoek uit te breiden naar het jaar 2018 en een verzuimboete op te leggen wegens het niet tijdig betalen van loonheffingen over het jaar 2018.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen en boeten opgelegd. Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (zie1.1). De naheffingsaanslagen over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 hebben deels betrekking op de correcties met betrekking tot het element “zwarte lonen”. Voor de overige correctieposten, de daarmee samenhangende belastingrente en de boeten over de voornoemde tijdvakken hebben belanghebbende en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten. De naheffingsaanslag over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 ziet volledig op de correcties met betrekking tot de “zwarte lonen”.
Tot de gedingstukken behoort tevens een door de FIOD aangetroffen document, gelabeld als DOC-205.
Op 15 april 2025 heeft de strafkamer van de Rechtbank Oost-Brabant onder meer het volgende overwogen:“De Buitenlandse Europese MedewerkersBij verschillende parken van de [bedrijf] B.V. waren ook buitenlandse Europese medewerkers, oftewel afgekort BEM-mers, werkzaam. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat vanuit het hoofdkantoor aan de parkbeheerders werd gemaild dat de urenbriefjes van de BEM-mers niet gemaild mochten worden, maar vernietigd moesten worden (doc 189 t/m doc 192). [getuige] , medewerker op de afdeling personeelszaken, heeft verklaard dat door [persoon 2] was gekozen om voor deze medewerkers geen contracten op te maken. Door de urenstaten en/of -briefjes te vernietigen, was in de administratie niet te zien hoe veel uren deze medewerkers voor welk bedrag werkzaamheden uitvoerden. Ook dit is bewust buiten de boeken gehouden.(…)
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 mei 2019, in de gemeente Asten en/of te [plaats] , telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot:
- het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en/of - het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers,
telkens opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd en/of doen of laten voeren en/of telkens opzettelijk deze boeken, bescheiden of andere gegevensdragers niet heeft bewaard en/of doen of laten bewaren,
immers heeft verdachte, en/of een of meer van zijn medeverdachte(n) toen aldaar -zakelijk weergegeven telkens in strijd met voornoemde verplichting(en)
telkens opzettelijk- geen registratie in Newyse ter zake de verhuur van accommodaties aan rangers/in verband met lang verhuur/sociale verhuur bijgehouden en/of bewaard en/of laten of doen bijhouden en/of laten of doen bewaren, en/of - een of meer blokkering(en) in verband met de verhuur van accommodaties aan rangers/in verband met lang verhuur/sociale verhuur in het registratiesysteem Newyse verwijderd en/of laten of doen verwijderen en/of - geen registratie in Newyse van de omzet uit verhuur van accommodaties aan rangers/in verband met lang verhuur sociale verhuur bijgehouden en/of bewaard en/of laten of doen bijhouden en of laten of doen bewaren, en/of - een onvolledige/niet sluitende financiële administratie ter zake de ontzet uit verhuur van accommodaties aan rangers/in verband met lang verhuur/sociale verhuur bijgehouden en/of bewaard en of laten of doen bijhouden en/of laten of doen bewaren, en/of - op onvolledige/niet sluitende wijze een kasboek en/of dagstaten en/of weekstaten en/of verzamelstaten en/of een grootboekadministratie, althans een kasadministratie ter zake de contante opbrengsten in verband met de verhuur van accommodaties aan rangers/in verband met lang verhuur/sociale verhuur bijgehouden en/of bewaard en/of laten of doen bijhouden en/of laten of doen bewaren en/of - een of meer onderliggende stuk(ken) in de vorm van aan rangers gerichte correspondentie ter zake de huur en huurprijs van een accommodatie op [belanghebbende] B.V. niet bewaard en/of laten of doen bewaren en/of - een of meer tot de loonadministratie behorende urenlijst(en) en/of urenbriefje(s) en/of werkrooster(s) van Buitenlandse Europese Medewerkers (BEM) niet opgemaakt en/of bewaard en/of laten of doen opmaken en/of laten of doen bewaren, waardoor niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van de belastingplichtige, alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens konden worden gekend, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. (…)
Daarnaast is gebleken dat de urenregistratie en urenbriefjes van een bepaald soort medewerkers, namelijk de ‘buitenlandse Europese medewerkers’, in opdracht van het hoofdkantoor van de [bedrijf] moesten worden vernietigd. Gebleken is dat het voeren van deze gebrekkige administratie in ieder geval in de hele ten laste gelegde periode, van 1 januari 2014 tot en met 21 mei 2029, heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat ten minste vijf jaar lang bewust een geldstroom buiten de administratie is gehouden, die niet in de belastingheffing is betrokken en waardoor te weinig belasting is geheven. Dit komt neer op fiscale fraude.”
Motivering
Heeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden?
5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het gaat belanghebbende dan om de RIEC-stukken en de tripartite-stukken.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van de inspecteur dat hij nooit de beschikking heeft gehad over stukken van het RIEC- en het tripartite-overleg. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 8:42 van de Awb niet is geschonden.
Heeft de inspecteur zijn bevoegdheden misbruikt?
Belanghebbende stelt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft misbruikt door het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden voor zijn informatiebehoefte.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft misbruikt. De inspecteur heeft gedetailleerd uiteengezet hoe zijn contact met de FIOD is verlopen en daaruit volgt niet dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden. Belanghebbende heeft haar stelling (ook naar aanleiding van bedoelde uiteenzetting) bovendien niet nader geconcretiseerd.
Heeft de inspecteur inzage gehad in verschoningsgerechtigde stukken?
Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte inzage heeft gehad in correspondentie met verschoningsgerechtigden. Deze correspondentie is bij de actiedag van de FIOD in beslag genomen en maakt onderdeel uit van het onderzoeksdossier van de FIOD. Belanghebbende wijst erop dat in het proces-verbaal inzake het filteren van stukken staat beschreven dat er vier stukken zijn uitgegrijsd, terwijl de in beslag genomen administratie duizenden verschoningsgerechtigde stukken bevatte. Hieruit leidt belanghebbende af dat er vertrouwelijke correspondentie is achtergebleven in het onderzoeksdossier van de FIOD. Belanghebbende wijst erop dat de inspecteur inzage heeft gehad in dit onderzoeksdossier, zodat de inspecteur dus toegang heeft gehad tot verschoningsgerechtigde stukken. Dit levert volgens belanghebbende een ernstige schending van haar rechten op, zodat de naheffingsaanslagen om die reden niet in stand kunnen blijven.
De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de FIOD de in beslag genomen stukken volledig heeft geschoond en dat de FIOD dit mondeling aan de inspecteur heeft bevestigd. De inspecteur heeft verder verklaard dat hij in het onderzoeksdossier waarin hij inzage heeft gehad geen verschoningsgerechtigd materiaal heeft aangetroffen.
De rechtbank begrijpt dat de omgang met verschoningsgerechtigd materiaal in de strafrechtelijke procedure een onderwerp van geschil is. In deze procedure beschikt de rechtbank echter niet over concrete aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de inspecteur. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de inspecteur geen kennis heeft genomen van verschoningsgerechtigd materiaal. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank op dit punt geen sprake is van een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door de inspecteur. Overigens ziet de rechtbank, ook indien wel van een schending zou worden uitgegaan, onvoldoende aanknopingspunten om daaraan de door belanghebbende voorgestane gevolgen te verbinden.
Naheffingsaanslagen 2016 en 2017
6. De inspecteur heeft over de onderhavige tijdvakken de naheffingsaanslagen opgelegd waarbij voor de zwarte lonen een correctie is toegepast van € 8.000 per jaar aan netto betaald loon (de correcties). De correcties zijn gebaseerd op de processen-verbaal van getuigenverhoren (zie 4.3) waarin onder meer is verklaard dat contante betalingen van € 200 per week werden gedaan aan één werknemer. De inspecteur is uitgegaan van betalingen gedurende 4 weken per maand en 10 maanden per jaar.
Belanghebbende heeft zich verweerd en in de kern aangevoerd dat de correcties enkel gebaseerd zijn op de verklaringen van één voormalige werknemer die later aanvullend verklaard heeft dat de werknemer die € 200 contant ontving, slechts één maand heeft gewerkt. Tevens heeft deze getuige tijdens zijn tweede verhoor aangegeven dat hij een einde heeft gemaakt aan de zogenoemde rangerverhuur. Belanghebbende leidt hieruit af dat er geen contante ontvangsten meer waren om contante uitgaven te betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voor alle nageheven tijdvakken de correctie aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht de eerste verklaring van de voormalige werknemer meer betrouwbaar nu, zoals de inspecteur ook heeft gesteld, die persoon in zijn aanvullende verklaring aan heeft gegeven geïntimideerd te zijn door de aandeelhouder van belanghebbende. De rechtbank acht aannemelijk dat de voormalig werknemer met zijn tweede verklaring zijn eerder gegeven verklaring wilde afzwakken. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat er onvoldoende contant geld was om de zwarte lonen te betalen aangezien uit de eerste getuigenverklaring van de voornoemde voormalige werknemer volgt dat het loon uit de rangerverhuur werd betaald en er ook andere contante inkomsten waren vanuit reguliere reserveringen, de horeca, kaartjes van het zwembad, gokautomaten, snoepautomaten en de biljart. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op alle feiten en omstandigheden, voldoende grond om aan te nemen dat de desbetreffende tijdvakken een constant beeld vertonen wat betreft de van belang zijnde feitelijke situatie. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslagen, zoals die luiden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd.
Naheffingsaanslag 2018
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag 2018 gebaseerd op het door de FIOD aangetroffen document, gelabeld als DOC-205 (het document). Dit document is gevonden in een persoonlijke werkmap van een werknemer. Het document bestaat uit tabellen met overzichten per maand waarin – steeds volgens dezelfde opmaak – inkomsten uit contante verhuur alsmede contante uitgaven in de maanden september 2018 tot en met januari 2019 zijn opgenomen. In de overzichten zijn verschillende vakjes gekleurd. Op enkele versies van de overzichten staan in de gekleurde vakjes ook namen van personen ingevuld. Op basis van de kleuren heeft de inspecteur de contante betalingen gecorrigeerd mede aan de hand van de verklaringen van getuigen. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een gemiddeld bedrag aan nettoloonbetalingen gebaseerd op de aangetroffen overzichten over de maanden september tot en met december 2018. De correctie bedraagt € 7.664,63 per maand gedurende 12 maanden, derhalve € 91.975,56.
Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ten onrechte heeft verondersteld dat de contante uitgaven alleen betrekking hebben op zwarte lonen. Volgens belanghebbende hebben contante uitgaven onder meer betrekking gehad op het onderhoudskosten van het park, waaronder materialen.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor de nageheven tijdvakken aannemelijk heeft gemaakt dat deze betrekking hebben op de uitbetaling van zwarte lonen. Naast het document waarop de voornoemde correcties gebaseerd zijn, is een getuigenverklaring aanwezig van [persoon 3] die uitbetaling van zwarte lonen bevestigt en toelicht. Dat een deel van de contante betalingen deels zou kunnen zien op andere uitgaven, heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd. Niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de uitgaven zien op andere uitgaven dan de in het document opgenomen uitbetalingen. Dit brengt mee dat ook de naheffingsaanslag 2018 terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Verzuimboete 2018
De inspecteur heeft bij de naheffingsaanslag een verzuimboete opgelegd (zie 1.1). De inspecteur kan een verzuimboete opleggen aan de belastingplichtige die de belasting, welke op aangifte moet worden afgedragen, niet (tijdig) heeft betaald. De boete bedraagt dan 10 procent van de verschuldigde belasting tot het wettelijk maximum in 2018 van € 5.278. Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Het enkele feit dat de belasting niet tijdig is voldaan, is voldoende om in verzuim te zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende in alle tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 te weinig belasting op aangifte afgedragen (zie 6.5). Dat betekent dat belanghebbende in verzuim is en dat de verzuimboete als uitgangspunt terecht aan belanghebbende is opgelegd. De verzuimboete blijft slechts achterwege indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of pleitbaar standpunt. Dit is echter niet gesteld of gebleken. De verzuimboete is derhalve terecht opgelegd. Deze is naar het oordeel van de rechtbank ook passend en geboden.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de boete te verminderen omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 8 november 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de verzuimboete voor het eerst is aangekondigd (zie 4.4). De rechtbank doet uitspraak op 25 februari 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) twee jaar en vier maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met vier maanden. De verzuimboete wordt daarom met 5% gematigd tot € 5.014.
Belastingrente
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen, zoals die luiden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures.
De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltijd voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding, behoudens bijzondere omstandigheden. Niet in geschil is dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is.
De onderhavige zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van vier andere vennootschappen die eveneens deel uitmaken van [bedrijf] . Het betreft de zaken met zaaknummers 25/570 tot en met 25/577. De rechtbank overweegt dat de beroepen betrekking hebben op (nagenoeg) hetzelfde onderwerp. Daarnaast zijn de zaken in de bezwaarfase (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. Gelet hierop bestaat er voor alle fases van de procedures een zodanige samenhang dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriëleschadevergoeding voor alle zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt toegekend.
De rechtbank stelt vast dat het oudste bezwaarschrift op 4 januari 2022 bij de inspecteur is ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 25 februari 2026. Sinds de indiening van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak is een periode van afgerond 50 maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase bedraagt samen 26 maanden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500. De overschrijding van de redelijke termijn komt volledig voor rekening van de inspecteur omdat de bezwaarfase in totaal 36 maanden heeft geduurd en daarmee 30 maanden te lang. Aangezien de rechtbank samenhang heeft aangenomen (zie 4.22), zal de rechtbank de toegekende immateriëleschadevergoeding evenredig over de betreffende vennootschappen verdelen. Belanghebbende heeft daarom recht op een immateriëleschadevergoeding van 1/5 deel, zijnde € 500.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen, zoals die luiden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, in stand blijven. De rechtbank zal de verzuimboete over het jaar 2018 ambtshalve verminderen tot € 5.014 in verband met ‘undue delay’.Tevens heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 500.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934, factor 1,5 wegens samenhang en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 350,25, waarvan 1/5 deel, zijnde € 70,05 aan belanghebbende toekomt. De inspecteur moet deze kosten vergoeden.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de verzuimboete 2018;
- vermindert de verzuimboete 2018 tot een bedrag van € 5.014;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 70,05 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. J.A. den Braber-Riemens, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 25 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.