ECLI:NL:RBZWB:2026:1261

ECLI:NL:RBZWB:2026:1261

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 02-175565-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor de eendaadse samenloop van opzetaanranding voorafgegaan en vergezeld van dwang en geweld en mishandeling, mishandeling van een ambtenaar en vernieling. Gevangenisstraf 264 dagen, tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-175565-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 februari 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [aangeefster] opzettelijk heeft aangerand en daarbij dwang en/of geweld heeft toegepast;feit 2: [aangeefster] heeft geslagen;feit 3: politieagent [aangever] heeft mishandeld dan wel beledigd door hem in het gezicht

te spugen;feit 4: een politiecel heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar heeft gemaakt.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gekwalificeerde opzetaanranding van feit 1, feit 2, de belediging van feit 3 subsidiair en feit 4 wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft vrijspraak gevraagd voor de mishandeling van feit 3 primair.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Voor het ten laste gelegde onder feit 3 primair is een kwalificatieverweer gevoerd. Voor feit 3 subsidiair en feit 4 voert de verdediging geen bewijsverweer.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 4 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal voor dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid Sv en acht de rechtbank feit 4 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 februari 2026;

- de aangifte van [persoon] namens politie Zeeland-West-Brabant van 9 juni 2025.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1: (gekwalificeerde) opzetaanranding

Mevrouw [aangeefster] heeft op 8 juni 2025 om 13:09 uur verklaard over wat haar kort daarvoor is overkomen, nadat zij te voet naar huis ging na een kerkdienst aan de [straat] in Tilburg. Ze werd aangesproken door een lange donkere man met een blauw shirt die haar onder (zo bleek) valse voorwendselen mee liet lopen naar achter de kerk, waar hij haar mouw vastpakte en haar een pad introk. Hij zei dat zij zijn telefoon had gestolen en bleef dat roepen, waarbij hij aan haar tas trok en haar bij haar blouse pakte. Ze voelde dat zijn hoofd tegen haar voorhoofd aankwam. Het lukte haar haar tasje uit zijn hand te trekken en waarna zij terugliep naar de kerk. De man liep achter haar aan, versnelde en kwam voor haar staan. Hij sloeg haar met een vuist in het gezicht op haar linkerwang. Toen ze daarop wilde vluchten, pakte hij haar bij haar heupen en kwam toen dicht tegen haar aan staan. Wat ze voelde duurde heel even. Op een gegeven moment lukte het haar los te komen en rende ze terug naar de kerk.

Op 10 juni 2025 heeft aangeefster op vragen van de politie aanvullend verklaard wat de man precies deed en over wat zij voelde. De man stond achter haar, hield met zijn beide handen haar heupen stevig vast en stootte zijn geslachtsdeel minstens vijf keer tegen haar kont. Daarbij bewoog hij haar heupen ook richting zijn geslachtsdeel. Tijdens het stoten kreunde de man meerdere keren en zei “aah aah aah”.

Anders dan voor de verdediging is deze aanvullende verklaring van twee dagen later voor de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van aangeefster te twijfelen. De politie omschrijft immers dat zij tijdens het opnemen van de aangifte zagen dat zij erg geëmotioneerd was, huilde en dat haar handen trilden. Het is dan ook goed voorstelbaar dat aangeefster zo kort na het incident nog zo hoog in haar emotie zat dat zij pas later in rust bij zichzelf kon nagaan wat er precies was gebeurd. Daarbij heeft zij in haar aangifte direct te kennen gegeven dat zij aangifte wenst te doen van mishandeling én aanranding.

Bovendien worden belangrijke delen van haar verklaringen bevestigd door andere onderdelen van het eindproces-verbaal, die deels ook steunbewijs vormen. Zo ziet [getuige] aangeefster teruglopen naar de kerk en dat ze bezorgd en angstig is. Ze vertelt dan meteen dat ze is geslagen door een man. Nadat de getuige aangeefster gauw de kerk binnen laat, ziet hij dat een donkere man met een blauwe hoody naar de kerk komt lopen. Hij omschrijft dat de man een boze en agressieve blik had. De getuige laat dan een broeder naar de man gaan en die vertelt bij terugkomst dat de man had gezegd dat hij dat van die gestolen telefoon had verzonnen. Ook had die man tegen de broeder gezegd dat hij de vrouw helemaal niet kende, dat de broeder de politie moest bellen en dat de man opgesloten moest worden, omdat hij anders iemand iets aan zou gaan doen. De vrouw van deze getuige had gezien dat aangeefster met haar hand telkens haar linkerwang/kaak vasthield. Volgens de getuige had de man poeder op zijn gezicht bij zijn voorhoofd en zijn wang.

[verbalisant] komt even later ter plaatse en ziet op aanwijzingen van een aantal mensen de (haar ambtshalve bekende) verdachte bij de toegangsdeur van een flat aan de [straat] staan. Verdachte heeft een donkere huidskleur, een blauwe trui aan en zij ziet een witte poederachtige vlek op zijn voorhoofd. Als verbalisant verdachte aanspreekt, zegt hij: “Lekker poesje.” Vervolgens verplaatst verdachte zijn blik ter hoogte van haar koppel waarbij hij kusgebaren maakt met zijn lippen.

Als verdachte vervolgens om 14:50 uur wordt voorgeleid bij de vrouwelijke hulpofficier trekt verdachte zijn broek uit, masturbeert en geef te kennen dat hij haar wel eens “keihard wil neuken”. Dit seksueel ontremd handelen door verdachte past naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van aangeefster die heeft beschreven hoe verdachte tegen haar kont had bewogen met zijn geslachtsdeel.

Steunbewijs voor feit 1 vormen de hiervoor genoemde waarnemingen van de gemoedstoestand van aangeefster en de waarneming van de gemoedstoestand van de man (naar later blijkt: verdachte). Dat geldt ook voor het waargenomen vasthouden van haar linkerwang/kaak door aangeefster. Ook het seksueel grensoverschrijdend gedrag van verdachte tegenover [verbalisant] kort na het incident met aangeefster en het seksueel ontremd handelen van verdachte tegenover een hulpofficier van justitie twee uur later, gebruikt de rechtbank als steunbewijs. Dat steunbewijs hoeft namelijk niet te zien op de door aangeefster concreet genoemde seksuele handelingen. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in haar belastende verklaringen worden genoemd, ondersteuning vindt in één of meer bewijsmiddelen. Het ondersteunende bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van aangeefster en moet bovendien uit een andere bron komen.

Tegenover de verklaringen van aangeefster en het steunbewijs staat de ontkenning van verdachte. Hij heeft op zitting niet alleen verklaard dat het incident met aangeefster niet heeft plaatsgevonden, maar ook de door de verbalisant en hulpofficier genoemde seksuele gedragingen ontkend. Dit maakt dat de rechtbank zijn ontkenning als ongeloofwaardig terzijde schuift.

De rechtbank gaat daarom uit van het door aangeefster geschetste verloop, wat maakt dat het voor verdachte volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat hij seksuele handelingen bij haar verrichtte, terwijl daartoe bij haar de wil ontbrak. De opzetaanranding kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. Daarbij is ook dwang en geweld door verdachte gebruikt, zoals omschreven in de ten laste gelegde feitelijkheden van verdachte toen aangeefster (de eerste keer) van hem vluchtte. De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel oordelen dat ook de ten laste gelegde feitelijkheden tot het moment dat aangeefster de eerste keer vluchtte bedoeld waren om de latere opzetaanranding mogelijk te maken en/of te vergemakkelijken. Van die feitelijke gedragingen zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken.

Gelet op het voorgaande kan de gekwalificeerde opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.

Feit 2 mishandeling

Gelet op wat hiervoor bij feit 1 is overwogen, kan ook het slaan tegen het gezicht van aangeefster wettig en overtuigend bewezen worden.

Feit 3 primair: mishandeling

Anders dan de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte erkende op korte afstand spugen in het gezicht van bijzonder opsporingsambtenaar [aangever] als mishandeling moet worden aangemerkt. [aangever] heeft hierover verklaard dat hij zich direct heel vies voelde en het ongelooflijk smerig vond dat hij speeksel van iemand in zijn gezicht had. Gelet op het arrest van de HR van 27 mei 2025 (ECLI:HR:2025:774) is dat voldoende om te concluderen dat verdachte bij [aangever] “opzettelijk een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam teweeg heeft gebracht”. Dat moet ook onder mishandeling als bedoeld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht worden verstaan. Gelet daarop kan het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 8 juni 2025 te Tilburg met [aangeefster] seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

met zijn, verdachtes, geslachtsdeel meermaals tegen het achterwerk stoten en (daarbij) bewegen van de heupen van die [aangeefster] in de richting van zijn, verdachtes, geslachtsdeel en daarbij 'aah aah aah' zeggen of kreunende geluiden maken, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld door achter voornoemde [aangeefster] aan te lopen en voor haar te gaan staan en haar eenmaal in het gezicht te slaan en haar stevig bij de heupen vast te pakken;

2

op 8 juni 2025 te Tilburg [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] eenmaal te slaan tegen het gezicht;

3

op 8 juni 2025 te Tilburg [aangever] (bijzonder opsporingsambtenaar bij [team] ) heeft mishandeld door die [aangever] te spugen in het gezicht, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [aangever] teweeg heeft gebracht, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

4

op 9 juni 2025 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel die aan Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt..

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bij einduitspraak. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging voor de duur van twee jaren. Daarbij heeft zij de (mogelijke) gevolgen van een tbs-maatregel voor de verblijfsstatus van verdachte meegewogen, wat weer gevolgen kan hebben voor de resocialisering binnen een eventuele tbs-behandeling. Verdachte heeft een verblijfsvergunning tot 16 februari 2030 en het opleggen van een tbs-maatregel kán leiden tot intrekking van die vergunning. Daarom is terughoudendheid geboden, maar dit maakt de oplegging van de maatregel niet onmogelijk en er zijn bovendien geen alternatieven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank kritisch te kijken naar de vraag of tbs met dwangverpleging in deze zaak wel passend is. Gewezen wordt op de nadelige gevolgen voor de verblijfsvergunning van verdachte en er zijn alternatieven. De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte geen maatregel op te leggen, maar een straf met daarin een uitgebreid voorwaardelijk deel. Daarmee kan door bijzondere voorwaarden worden voorzien in een gedwongen behandeling dan wel begeleiding.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding en mishandeling. Op klaarlichte dag heeft hij een voor hem onbekende vrouw onder valse voorwendselen meegevoerd buiten het zicht van anderen Hij heeft haar geslagen, stevig vastgepakt bij haar heupen en tegen haar wil seksuele handelingen met haar verricht. Hoewel zijn handelingen en de duur ervan relatief beperkt zijn gebleven, heeft het slachtoffer angstige momenten beleefd en ook nadien heeft zij last gehad van gevoelens van angst, onveiligheid en spanningsklachten. Nadat verdachte was aangehouden heeft hij zijn ontremd gedrag voortgezet, door een verbalisant te mishandelen en zijn cel te besmeuren met zijn ontlasting. Verdachte heeft met zijn gedrag bijgedragen aan het versterken van in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid. De rechtbank acht zijn gedrag niet alleen ernstig, maar ook hoogst verontrustend.

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij op zestienjarige leeftijd door de kinderrechter is veroordeeld tot een werkstraf en een leerstraf voor een poging diefstal met braak. Op zijn twintigste is verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, bedreiging met brandstichting en met verkrachting. In 2019 is hij eerst voor twee aanrandingen en een diefstal veroordeeld tot 17 dagen gevangenisstraf, waarvan 14 dagen voorwaardelijk. Later dat jaar is hij voor onder andere brandstichting en mishandeling van een beroepsbeoefenaar veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Daarbij is onder andere opgelegd dat verdachte zou worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek, medicatie zou nemen en zich zou onthouden van alcohol en drugs. Verdachte heeft zich niet aan de voorwaarden gehouden, zodat het gehele voorwaardelijke deel van de straf in 2021 ten uitvoer is gelegd.

Die justitiële geschiedenis wordt ook genoemd in de door psycholoog dr. [psycholoog] en psychiater dr. [psychiater] opgestelde rapportages. Zij hebben op respectievelijk 20 en 23 september 2025 een rapport uitgebracht over verdachte. Beiden concluderen dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde dan wel andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis (met kortdurende floride symptomen en manische componenten) en een stoornis in antisociaal gedrag dan wel andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Verder is sprake van een licht verstandelijke beperking of ontwikkelingsstoornis en een (al dan niet lichte) stoornis in het gebruik van cannabis.

Deze stoornissen waren volgens beide deskundigen aanwezig bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Hoofdzakelijk wegens de ontkenning van verdachte en de summiere informatie die hij geeft over de aanranding en mishandeling van aangeefster kunnen de rapporteurs geen delictscenario onderbouwen. Daarom onthouden ze zich van een toerekeningsadvies voor die twee feiten, maar wel wordt gewezen op het gelijktijdigheidsverband. Het bespugen van een opsporingsambtenaar en de besmeuring van een cel zijn hem op zijn minst verminderd aan hem toe te rekenen. De kans op herhaling van zowel gewelddadig gedrag als een zedendelict wordt door de rapporteurs als hoog ingeschat, omdat er bij verdachte sprake is van een gebrek aan ziektebesef of inzicht, er veel risicofactoren zijn en nauwelijks beschermende factoren.

De rechtbank volgt de overwegingen en conclusies van de deskundigen en neemt deze over. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de stoornissen van invloed moeten zijn geweest op alle bewezenverklaarde feiten, omdat het allemaal ontremd gedrag betreft en er maar beperkte tijd tussen heeft gezeten. De rechtbank acht verdachte dan ook verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van het plegen van alle bewezenverklaarde feiten. Het risico dat verdachte opnieuw een geweld- of een zedendelict is hoog.

Volgens de deskundigen zijn interventies op het gebied van psycho-educatie, medicatie, seksualiteit en verslaving noodzakelijk om het hoge risico op het plegen van een geweld- of zedendelict te kunnen verlagen. Er is een verplichte, intensieve en langdurige behandeling in een gespecialiseerde en gesloten / beveiligde setting nodig.. Voor het kader waarin de noodzakelijke behandeling vorm dient te worden gegeven, adviseren de deskundigen daarom aan verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen. Een tbs met voorwaarden of een ambulante behandeling is ontoereikend, ook gezien het verleden van (deels voorwaardelijke) straffen. Ter zitting hebben de deskundigen een en ander desgevraagd herhaald en bevestigd. Samenvattend hebben zij verklaard dat het de persoon van verdachte is die de tbs met dwangverpleging noodzakelijk maakt.

Oplegging tbs-maatregel

Anders dan de verdediging is de rechtbank op grond van de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling niet disproportioneel, maar noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- de opzetaanranding (feit 1) en mishandeling van een politieagent (feit 3) zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

Gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, acht de rechtbank ook dwangverpleging noodzakelijk om de kans op herhaling tot een voor de maatschappij aanvaardbaar niveau terug te brengen. De rechtbank is zich ervan bewust dat tbs met dwangverpleging een zwaar middel is. Het is echter de meest passende maatregel, omdat de rechtbank met de deskundigen van oordeel is dat er geen reëel alternatief is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de justitiële geschiedenis van verdachte en herhaalt hier de verklaring van verdachte op zitting dat niet alleen de aanranding en de mishandeling, maar ook het kort daarna masturberen bij een hulpofficier van justitie niet heeft plaatsgevonden Dat is zorgwekkend en onderstreept het gebrek aan (ziekte)besef, de ernst van zijn problematiek en daarmee de noodzaak van een tbs met dwangverpleging.

De rechtbank realiseert zich dat het opleggen van een tbs-maatregel kan leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning van verdachte en vervolgens wellicht beperkte(re) mogelijkheden tot resocialisatie met zich brengt. De veiligheid van de maatschappij dient in dit geval echter zwaarder te wegen dan de (mogelijke) gevolgen voor de verblijfsvergunning van verdachte. Onbehandeld terugkeren in de maatschappij is naar het oordeel van de rechtbank onverantwoord.

De rechtbank overweegt tot slot dat de tbs zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gevangenisstraf

Naast de tbs-maatregel acht de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest tot en met de dag van uitspraak passend en geboden. Daarbij gaat de rechtbank uit van 264 dagen voorarrest, zoals ook ter zitting is genoemd.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

Feit 1 en 2

Benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 3.219,04 voor de feiten 1 en 2, bestaande uit € 219,04 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij in beginsel verplicht is om de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

De door [aangeefster] gevorderde vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 219,04, die de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank volledig toewijsbaar. Na betwisting door de verdediging op zitting heeft [aangeefster] dit deel van haar vordering op zitting nader toegelicht. Hoewel de verdediging in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren, heeft bij dupliek geen nieuwe betwisting van de vordering plaatsgevonden.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft gesteld dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de feiten en de rechtbank begrijp dat zij haar vordering heeft gegrond op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek, namelijk dat zij ‘op andere wijze in haar persoon is aangetast’ .

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval. [aangeefster] heeft onder andere geschreven dat zij sinds het incident veel psychische klachten ervaart. Zij voelt voortdurend angst en spanning en is vaak onrustig, vooral als ze buiten is. [aangeefster] schaamt zich en voelt zich vies door wat er is gebeurd en voelt zich minder veilig op straat door de dag. Zij heeft regelmatig nachtmerries en heeft hulp gezocht bij een Poolstalige psycholoog. [aangeefster] heeft daarbij een stuk ingebracht waaruit die gesprekken met een Poolstalige psycholoog blijken. De rechtbank stelt de schadevergoeding voor immateriële schade naar billijkheid vast op €1.500,-. De rechtbank heeft daarbij gelet op de onderbouwing en de hoogte van schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag waarop de feiten werden gepleegd, te weten 8 juni 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Feit 3

Benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 535,- voor feit 3. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij in beginsel verplicht is om de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Als grondslag voor zijn vordering tot immateriële schadevergoeding voert benadeelde partij aan dat hij in angst of onzekerheid heeft verkeerd over een mogelijke besmetting met Hepatitis B. De rechtbank verstaat dat als een beroep op een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld art. 6:106 sub b BW.

Hiervoor heeft de rechtbank reeds overwogen aan welke criteria een vordering moet voldoen om in aanmerking te komen voor immateriële schadevergoeding wegens aantasting in de persoon op andere wijze. De enkele angst voor besmetting met hepatitits B is daarvoor onvoldoende. Hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde gevoelens van vervuiling, frustratie en boosheid bij de benadeelde partij teweeg hebben gebracht, is dit niet voldoende om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen. Het kan zo zijn dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dat verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Ook hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake en daarom zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 55, 57, 241, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1: opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld

en

feit 2: mishandeling

en

feit 3: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

en

feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 264 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel voor feit 1 en 3

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partijen

T.a.v. feiten 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 1.719,04, waarvan € 219,04 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster] € 1.719,04 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 17 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

T.a.v. feit 3

- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter,

en mr. P.E. van Althuis en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 26 februari 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Tilburg met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

- ( stevig) bij de heupen vastpakken, en/of

- ( vervolgens) tegen voornoemde [aangeefster] aan staan, althans dicht bij haar staan, en/of

- met zijn, verdachtes, geslachtsdeel meermaals, althans eenmaal, tegen het achterwerk stoten en/of

- ( daarbij) bewegen van de heupen van die [aangeefster] tegen/in de richting van zijn, verdachtes, geslachtsdeel en/of

- daarbij 'aah aah aah' te zeggen en/of kreunende geluiden te maken terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door voornoemde [aangeefster]

- bij de mouw en/of arm vast te pakken en/of

- een pad in te trekken en/of

- aan de tas te trekken en/of bij de blouse te pakken en/of

- met zijn, verdachtes, voorhoofd het voorhoofd van voornoemde [aangeefster] te raken en/of

- achter voornoemde [aangeefster] aan te lopen en/of voor haar te gaan staan, en/of

- eenmaal in het gezicht althans tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, en/of

- ( stevig) bij de heupen vast te pakken;

( art 241 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Tilburg [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, te slaan tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Tilburg, [aangever] (bijzonder opsporingsambtenaar bij [team] ) heeft mishandeld, door die [aangever] te spugen in het gezicht, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [aangever] teweeg heeft gebracht, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Tilburg opzettelijk iemand, te weten [aangever] (bijzonder opsporingsambtenaar bij [team] ) in tegenwoordigheid van die [aangever] door feitelijkheden heeft beledigd, door die [aangever] in het gezicht, althans in de richting van die [aangever] , te spugen terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht )

4

hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Zeeland West Brabant, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?