ECLI:NL:RBZWB:2026:1267

ECLI:NL:RBZWB:2026:1267

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 02-095606-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van de poging tot moord c.q. doodslag omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een echt vuurwapen hanteerde. Veroordeling voor bedreiging met een (nep)vuurwapen van twee personen op een vol treinperron en in een treincoupé en een mishandeling. Beroep op noodweer en noodweer-exces wordt verworpen en de rechtbank legt aan verdachte 12 maanden gevangenisstraf op.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-095606-25

vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2027

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. M.G. Eckhardt, advocaat te ’s-Gravenhage.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte onder 1 al dan niet met voorbedachten rade, heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en onder 2 dat hij [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat op basis van de stukken vast is komen te staan dat verdachte betrokken was bij het incident op 23 maart 2025 op het station te Tilburg .

Bij dat incident was verdachte de persoon die [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) een vuistslag heeft gegeven. Ook heeft hij een wapen in zijn handen gehad, waarmee hij heeft gericht op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en daarbij heeft hij dat wapen ook afgedrukt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten.

feit 1: het primaire standpunt is dat het door verdachte gehanteerde wapen een nepvuurwapen was. Subsidiair is bepleit dat niet vaststaat dat het wapen, mocht het om een echt vuurwapen gaan, bruikbaar was, mede gelet op de door de politie aan de hand van de beelden beschreven storingen. Meer subsidiair was sprake van een noodweersituatie.

feit 2: verdachte werd verrast door en geconfronteerd met de agressief aanstormende aangever die verdachte daarbij ook verbaal bedreigde. Er was op dat moment sprake van een noodweersituatie waartegen verdachte zich op dat moment mocht verdedigen en die verdediging was proportioneel en noodzakelijk.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het door verdachte gehanteerde wapen is niet aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van wapendeskundige [naam] (pv-nummer [nummer] ) valt af te leiden dat specialisten van de afdeling Wapens, Munitie en Explosieven van de Forensische Opsporing Zeeland-West-Brabant (WME) de beelden van de incidenten hebben bestudeerd. Zij konden niet volledig vaststellen wat voor soort type/model wapen werd gebruikt gedurende het incident noch konden zij vaststellen dat dit een daadwerkelijk 'scherp' vuurwapen betrof. Zij hebben wel diverse functionaliteiten en handelingen benoemd waaruit een vermoeden ontstond dat dit een daadwerkelijk functionerend vuurwapen zou betreffen. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat het door verdachte gehanteerde wapen een echt vuurwapen was. Verdachte zal daarom van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Op grond van de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank de onder 1 subsidiair tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht wel wettig en overtuigend bewezen worden

Op grond van de bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat aangever [slachtoffer 1] op station Tilburg uit de trein is gestapt en dat verdachte daar toen voor de geopende treindeur stond. Aangever is direct naar verdachte toegelopen. Dat verdachte op dat moment iets (bedreigends) in de richting van verdachte zou hebben geroepen en/of verdachte zou hebben aangevallen zoals verdachte heeft verklaard, valt uit de bewijsmiddelen echter niet af te leiden. Op camerabeelden is juist te zien dat verdachte als eerste aangever een klap heeft gegeven. Als reactie daarop is vervolgens over en weer geslagen. De rechtbank acht de door verdachte geschetste feitelijke toedracht dan ook niet aannemelijk geworden, zodat verdachte geen beroep op noodweer toekomt. De rechtbank zal de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 subsidiair:

op 23 maart 2025 te Tilburg , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te richten en handelingen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft verricht, strekkende tot het afvuren van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

2

op 23 maart 2025 te Tilburg , [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door eenmaal die [slachtoffer 1] een vuistslag in het gezicht te geven.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte het nepvuurwapen heeft gebruikt ter afschrikking. Na de uit noodweer gepleegde mishandeling (feit 2) waarvoor vrijspraak is bepleit, bestond nog steeds een - doorlopende - noodweersituatie. Dit dient bij de bedreiging met het (nep)vuurwapen (feit 1) tot ontslag van alle rechtsvervolging te leiden. Voor het geval de grenzen van de noodzakelijke verdediging door het handelen van verdachte zouden zijn overschreden, komt verdachte een beroep op noodweerexces toe.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, omdat het verdachte was die met een vuurwapen achter [slachtoffer 2] aanliep, dit vuurwapen vervolgens richtte op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en daarbij ook handelingen met dat vuurwapen heeft verricht.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.3.2 reeds heeft overwogen was er op het moment dat [slachtoffer 1] uit de trein stapte en naar verdachte toe liep geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en derhalve niet van een noodweersituatie. Hieruit volgt dat er dan ook geen sprake geweest kan zijn van een doorlopende noodweersituatie. Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat [slachtoffer 2] op het perron van verdachte vandaan loopt/rent met zijn rug naar verdachte toegekeerd. Op dat moment pakt verdachte een (nep)vuurwapen en de rechtbank is van oordeel dat verdachte op dat moment andere keuzes had kunnen en moeten maken. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging, zodat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Er zijn daarom geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 54 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad en over hem is een positief reclasseringsrapport opgemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 23 maart 2025 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en daaraan voorafgaand heeft hij [slachtoffer 1] mishandeld door hem een vuistslag in zijn gezicht te geven. Dit vond plaats op zondagmiddag op een druk perron van station [geboorteplaats] en in een treincoupé waarin zich meerdere personen bevonden. [slachtoffer 1] is op de vlucht geslagen voor verdachte en is daarbij een treincoupé in gevlucht. Verdachte heeft hem achtervolgd terwijl hij op dat moment het (nep)vuurwapen zichtbaar in zijn handen had en dat ook op de vluchtende [slachtoffer 1] gericht hield. De schrik en angst bij de treinreizigers in die coupé is op de beelden goed te zien. Ook is te zien dat zich in die coupé kleine kinderen bevinden. Ook op het perron zijn de verbijstering en de angst bij de daar aanwezige reizigers goed te zien. Zij zijn daar eerst getuige van het vuistgevecht tussen onder andere verdachte en [slachtoffer 1] en daarna van de achtervolging van [slachtoffer 2] door verdachte terwijl hij een (nep)vuurwapen op hem richt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten niet kunnen worden gezien als een doorsneemishandeling en -bedreiging. Juist door het plegen van dit soort gewelddadige feiten met een (echt of nep) vuurwapen op een openbare plaats waar veel mensen samenkomen is de impact groot. Toevallige passanten zijn onbedoeld betrokken geraakt bij meerdere geweldshandelingen, die niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook bij de willekeurige getuigen tot gevoelens van angst en onveiligheid leidden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting is bij een bedreiging waarbij een (nep)vuurwapen wordt getoond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden het uitgangspunt. In het onderhavige geval gaat het om de bedreiging met een (nep) vuurwapen van twee personen en een mishandeling, onder de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden.

Verdachte is nog jong en heeft een blanco strafblad. Ook daar zal de rechtbank rekening mee houden, evenals met het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 20 november 2025. Daarin wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vorderen beiden een vergoeding voor geleden immateriële schade van ieder € 8.000,-. Voor [slachtoffer 2] zou die immateriële schade het gevolg zijn van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit (bedreiging) en voor [slachtoffer 1] voor de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde feiten (bedreiging en mishandeling).

Wat betreft de gevorderde immateriële schade ontstaan door feit 1 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat is nagelaten dit gestelde geestelijke letsel te onderbouwen. De verdachte heeft het gestelde geestelijke letsel betwist. De rechtbank kan onvoldoende objectief vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel. Verdere behandeling van de vorderingen vergt nader onderzoek en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade die ziet op de mishandeling van [slachtoffer 1] geldt het volgende. Door de verdediging is bepleit dat sprake is van eigen schuld vanwege al langer bestaande problematiek en aan dit incident voorafgegane geweldshandelingen door [slachtoffer 1] . Ook het dossier biedt aanknopingspunten voor een debat over (de component) eigen schuld bij de aangever. Dat vergt een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering, wat in deze fase van het onderzoek een onevenredige belasting van strafproces oplevert.

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zullen dan ook beiden niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Deze vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8. Het beslag

De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp (imitatiewapen)

is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het voorwerp bij het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten, is aangetroffen, terwijl het voorwerp dient tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Het voorwerp behoort aan verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 47, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 2: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1. Pistool (Omschrijving: PL2000-2025073404-G2842851, betrof na onderzoek imitatie-wapen, zwart, merk: Glock);

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 februari 2026.

Mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. S.P.W. van Dooren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

11. Bijlage I

De tenlastelegging

1 primair:

hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Tilburg , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

opzettelijk (en met voorbedachten rade)

van het leven te beroven, althans (zwaar) lichamelijk letsel toe te

brengen

een vuurwapen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

die [slachtoffer 2] te richten en meermalen, althans eenmaal, de trekker van

dat/een vuurwapen heeft overgehaald, althans een of meer

handeling(en) met dat/een vuurwapen verricht, strekkende tot het

afvuren van dat/een vuurwapen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Tilburg , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of

enig misdrijf waarvoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen

en/of goederen ontstaat, door een (vuur)wapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van het lichaam van die

[slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te richten en meermalen, althans eenmaal,

de trekker van dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp heeft overgehaald, althans een of meer

handeling(en) met dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp heeft verricht, strekkende tot het afvuren

van dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Tilburg , althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal die

[slachtoffer 1] een vuistslag in/op/tegen het gezicht te geven;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?