RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-054973-25
vonnis van de meervoudige kamer van 2 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] (Syrië)
wonende te [woonadres]
waarnemend raadsvrouw mr. A. Huseinovic, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1: onder invloed van alcohol een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (zwaar) gewond zijn geraakt. Dit wordt verdachte in verschillende vormen verweten;2: de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten terwijl hij wist of moest vermoeden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gewond waren en schade hadden.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft gepleegd. Zij gaat er bij feit 1 primair van uit dat er sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag terwijl verdachte onder invloed van alcohol was.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair verweten feit. Zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank als het gaat om een bewezenverklaring voor feit 1 subsidiair en voor feit 2.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
4.3.2.1 Wat is er gebeurd?
Uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 27 april 2024 fietsten over de Eikenlaan in Sleeuwijk. Het was donker, het regende en het wegdek was nat. Beide fietsers voerden verlichting. Op de weg bevonden zich aan beide kanten zogeheten fietssuggestiestroken. Deze stroken hebben een andere kleur dan de rest van het wegdek. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden naast elkaar. Gezien vanuit de rijrichting van de fietsers reed [slachtoffer 1] op de fietssuggestiestrook aan de rechterzijde van de weg en reed [slachtoffer 2] buiten die strook direct naast haar.
Verdachte reed op 27 april 2024 in een auto. Hij reed beide fietsers tegemoet. Uit zijn verklaring bij de politie blijkt dat hij hierbij reed op het middengedeelte van de weg. Hij maakte geen gebruik van de ruimte op de fietssuggestiestrook die voor hem aan de rechterzijde van de weg lag. Vervolgens is er een botsing ontstaan met de fietsers die hem tegemoetkwamen. Verdachte heeft verklaard dat hij beide fietsers voorafgaand aan die botsing niet heeft gezien. De fietsers hebben verklaard dat verdachte hard reed. Verdachte zelf heeft bij de politie verklaard dat hij zijn snelheid verder had moeten minderen en langzamer had moeten rijden dan 30 kilometer per uur gelet op de situatie ter plaatse.
Na het ongeval is verdachte doorgereden en heeft hij beide gewonde fietsers achtergelaten. De politie heeft diezelfde nacht nog het voertuig van verdachte gevonden. Zij hebben de telefoon van verdachte afgeluisterd. Hierbij hoorden ze hem onder meer verklaren dat hij op een feest was. Verdachte heeft ook tegen verschillende personen verteld dat hij dronken was. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij is doorgereden.
Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedurende lange tijd lichamelijk en psychisch last hebben gehad van het ongeval. Hierdoor hebben zij enige tijd niet of slechts gedeeltelijk kunnen werken.
4.3.2.2 Was verdachte zodanig onder invloed dat hij geen auto kon besturen?
Hoewel verdachte in de telefoongesprekken tegen meerdere personen heeft gezegd dat hij ten tijde van het ongeval (erg) dronken was, ontkent hij dat bij de politie en ter zitting. Doordat verdachte na het ongeval is weggereden, heeft de politie niet kunnen testen of hij onder invloed was van alcohol en in welke mate dat dan was. Dat verdachte onder invloed zou zijn geweest, blijkt dus alleen uit zijn eigen mededelingen in de telefoongesprekken.
Voor de vraag of verdachte zodanig onder invloed was van alcohol dat hij niet meer in staat was een voertuig te besturen, is de enkele verklaring dat hij dronken was onvoldoende. De rechtbank ziet daarnaast dat er een verkeersongeval is ontstaan. Zij stelt echter vast dat het ongeval ook door andere factoren als onoplettendheid kan zijn veroorzaakt. Ook uit het ongeval zelf kan niet worden afgeleid dat verdachte zo dronken was dat hij daarom geen auto meer kon besturen. Het dossier bevat verder geen andere aanknopingspunten om vast te stellen in hoeverre verdachte onder invloed was van alcohol.
Gelet op voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
4.3.2.3 Welke mate van schuld had verdachte aan het ongeval?
Wat moet de rechtbank toetsen?
Primair wordt verdachte verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 6 WVW. De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of en in welke mate er sprake is van schuld van verdachte aan de aanrijding.
Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld zoals hiervoor bedoeld.
Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, moet de rechtbank op grond van het voornoemde toetsingskader vaststellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.
De beoordeling van de rechtbank
Uit de verklaring van verdachte ter zitting leidt de rechtbank af dat verdachte veronderstelt dat hij op de middelste strook tussen de fietssuggestiestroken moest rijden. In die redenering meent verdachte zo veel mogelijk rechts te hebben gereden. Deze redenering is echter onjuist. Een fietssuggestiestrook is geen fietspad. Voor fietsers is het niet verplicht om op een fietssuggestiestrook te rijden. De suggestiestrook is een onderdeel van de rijbaan en auto’s mogen gewoon op die strook rijden. Door dit niet te doen heeft verdachte niet zoveel mogelijk rechts aangehouden op de rijbaan.
Van een gemiddelde bestuurder mag worden verwacht dat hij oplet, tegemoetkomend verkeer ziet en daarop zijn snelheid aanpast en zoveel mogelijk rechts blijft rijden. Wanneer het regenachtig en donker is, wordt zelfs meer waakzaamheid verwacht van automobilisten. Zeker wanneer er op een weg ook ander verkeer te verwachten is.
Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de fietsers in het geheel niet heeft gezien voorafgaand aan de botsing. Deze onoplettendheid heeft gezorgd voor een keten van verkeersfouten. Verdachte reed hierdoor met een snelheid die hoger was dan gelet op de verkeerssituatie veilig was. Hij heeft onvoldoende rechts gereden en is ook niet uitgeweken naar rechts. Verder heeft hij zijn auto niet tot stilstand gebracht om een botsing te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee meerdere verkeersfouten heeft gemaakt. Zij kwalificeert deze handelingen als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag.
4.3.2.4 Hoe wordt het letsel gekwalificeerd?
De juridische toets om te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel is hoog. In het algemeen hangt dit af van de aard en ernst van het letsel, de vraag of medische ingrepen nodig zijn en de tijd die gemoeid is met het herstel. Hoewel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beiden letsel opliepen bij het ongeval, blijkt uit de stukken dat het naar verwachting volledig zal herstellen. Er was ook geen operatie nodig. Om die reden kan het letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Uit het procesdossier en uit de verklaring ter zitting volgt wel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] na het ongeval geruime tijd moesten herstellen van het lichamelijke en psychische letsel. Zij hebben na ruim drie maanden doorgegeven dat zij nog altijd niet (volledig) aan het werk waren. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat bij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] sprake is van letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan.
4.3.2.5 Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen. Zij is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Dit heeft tot gevolg gehad dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zodanig letsel is ontstaan dat zij daardoor tijdelijk gehinderd werden in de uitoefening van hun normale bezigheden.
Feit 2 De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en op wat hiervoor is overwogen onder feit 1. Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel en schade hadden opgelopen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. primair
op 27 april 2024 te Sleeuwijk, gemeente Altena, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Eikenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
- terwijl het buiten donker was
- te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en
- niet uiterst rechts aan te houden en
- zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was,
waardoor [slachtoffer 1] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke
ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en
waardoor [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan;
2
als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest hij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Sleeuwijk, gemeente Altena op de Eikenlaan,
op 27 april 2024 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan anderen te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
letsel en schade was toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft onoplettend en onvoorzichtig gereden en daarmee een ongeval veroorzaakt. Een ongeval waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig gewond zijn geraakt. Hij heeft zich totaal niet om hen bekommerd, maar heeft slechts heel even geremd en is er vervolgens vandoor gegaan. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.
Uit de verklaring die de slachtoffers ter zitting hebben afgelegd, blijkt hoe groot de gevolgen voor beide slachtoffers zijn geweest. De eerste momenten na het ongeval was [slachtoffer 1] ervan overtuigd dat zij haar partner kwijt was, omdat zij hem niet zag ademen. Gelukkig bleek [slachtoffer 2] nog te leven. Het (psychische) letsel van beide slachtoffers heeft hen langdurig gehinderd in hun dagelijkse leven. Het raakte hen dat zij na het ongeval niet in staat waren voor hun kinderen te zorgen waardoor zij bijna twee weken bij anderen moesten verblijven.
Hoewel verdachte spijt heeft betuigd, lijkt hij naar het oordeel van de rechtbank niet volledig de verantwoordelijkheid voor zijn handelen te nemen. Op de zitting benoemt hij geen fouten die hij zelf heeft gemaakt. Ook menen de slachtoffers verdachte op het tentfeest in het dorp te hebben gezien en heeft verdachte zelf in een afgeluisterd telefoongesprek verklaard dat hij op een feest is geweest en alcohol heeft gedronken. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte zoveel had gedronken dat hij geen auto meer kon besturen, ziet zij wel duidelijke aanwijzingen dat verdachte wel degelijk alcohol had gedronken. De ontkennende houding van verdachte op dit punt, maakt ook dat zijn spijt minder oprecht overkomt.
Volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht is een geldboete van € 1.300,00 euro en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gepast voor feit 1 primair. De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak niet één maar twee personen letsel hebben opgelopen. Daarnaast heeft verdachte ook nog de plaats van het ongeval verlaten. Daardoor kon ook niet meer vastgesteld worden of verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden. Dit alles maakt dat een hogere straf in dit geval aangewezen is. De rechtbank kijkt hiervoor naar een trede hoger in de categorie aanmerkelijke schuld. In deze trede wordt als oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 9 maanden genoemd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die door en namens verdachte zijn aangevoerd. Zij begrijpt dat verdachte werkt als chauffeur. Zij ziet hierin echter geen aanleiding om een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen. Dit zou niet in verhouding staan tot de ernst van het feit.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd
Feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
Maatregel
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 9 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. R.T. Poort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 maart 2026.
Mr. Poort is niet in gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
9. Bijlage I
De tenlastelegging
1
Hij op of omstreeks 27 april 2024 te Sleeuwijk, gemeente Altena,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Eikenlaan, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk
geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onoplettend,
-terwijl het buiten donker was -onder
invloed als bedoeld in artikel 8 eerste lid en/of tweede lid
van de WVW 1994
te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig
verkeer ter plaatse geboden was, en/of
niet (uiterst) rechts aan te houden, en/of
zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen
een afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij
was,
waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een
hoofdwond en/of enig letsel aan de rechterhand en/of een
snijwond in het linker dijbeen en/of traumatisch hoofdletsel, of
zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke
ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan, en/of
waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een
hoofdwond en / of traumatisch hoofdletsel, of zodanig lichamelijk
letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of
verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan;
zulks terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in
artikel 8, eerste lid en/of tweede lid, WVW 1994
subsidiair
hij op of omstreeks 27 april 2024 te Sleeuwijk, gemeente Altena
als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee
rijdende op de weg, de Eikenlaan,
- terwijl het buiten donker was -
onder invloed als bedoeld in artikel 8 eerste lid en/of tweede lid
van de WVW 1994
heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig
verkeer ter plaatse geboden was, en/of
niet (uiterst) rechts heeft aangehouden, en/of
zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht
binnen een afstand waarover verdachte de weg kon overzien en
deze vrij was,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer
op die weg werd gehinderd althans kon worden gehinderd;
2
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig
betrokken was geweest hij een verkeersongeval
dat had plaatsgevonden in Sleeuwijk, gemeente Altena op/aan de
Eikenlaan,
op of omstreeks 27 april 2024
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest
vermoeden, aan (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of
[slachtoffer 2] )
letsel en/of schade was toegebracht;