ECLI:NL:RBZWB:2026:1273

ECLI:NL:RBZWB:2026:1273

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 02-299312-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot afpersing en een diefstal voorafgegaan door geweld. Opgelegd is een gevangenisstraf van 500 dagen waarvan 488 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uur.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-299312-25

vonnis van de meervoudige kamer van 2 maart 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 op [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsvrouw mr. Y.I.B. Grosfeld, advocaat te Breda

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1: heeft geprobeerd een medewerkster van Trekpleister te dwingen om hem € 179,00 te geven door een mes te tonen en te zeggen dat hij geld nodig had en dat zij de kassa open moest maken;

2: € 179,00 heeft gestolen van Trekpleister en dat hij bij die diefstal een medewerker van Trekpleister heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van beide feiten kan komen gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte, de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte. Er is hierbij sprake van een voortgezette handeling.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 8 november 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld een personeelslid van de Trekpleister, zijnde [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan de Trekpleister aan [adres] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte bij de kassa een mes uit zijn jas heeft gepakt en dit heeft getoond aan die [slachtoffer] en daarbij meermalen heeft gezegd, zakelijk weergegeven: 'dat hij geld nodig had' en 'de kassalade open te maken', terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

op 8 november 2025 te [plaats] een geldbedrag van 179 euro, dat geheel of ten dele aan de Trekpleister aan [adres] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan door

bedreiging met geweld tegen een personeelslid van de Trekpleister, zijnde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, door een mes uit zijn, verdachtes, jas te pakken en dit te tonen aan die [slachtoffer] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 500 dagen waarvan 488 dagen voorwaardelijk. Zij verzoekt hierbij op te leggen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vordert zij een taakstraf van 180 uren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van ernstige feiten. Verdachte heeft om in zijn eigen behoefte aan drugs te voorzien een jonge medewerkster van Trekpleister de schrik van haar leven bezorgd. De impact op slachtoffers is de reden dat volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht doorgaans een gevangenisstraf van 2 jaren voor dit soort overvallen als uitgangspunt dient te worden genomen.

Verdachte heeft evenwel na zijn arrestatie direct verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en is eerlijk geweest. Dit heeft ervoor gezorgd dat de raadkamer van de rechtbank zijn voorlopige hechtenis al na 12 dagen heeft geschorst. Met deze schorsing kreeg verdachte een kans om zijn woning te behouden en om hulpverlening te accepteren. Uit het reclasseringsrapport begrijpt de rechtbank dat verdachte deze kans aanvankelijk onvoldoende heeft opgepakt. Dit neemt niet weg dat verdachte inmiddels beter meewerkt aan de schorsingsvoorwaarden. Verdachte heeft ter zitting inzicht getoond en uitgelegd waarom het hem aanvankelijk niet lukte om mee te werken aan de voorwaarden. Hij is inmiddels doordrongen van het feit dat hij hulp nodig heeft om niet meer terug te vallen in zijn verslavingsgedrag.

Eén van de doelen van het strafrecht is het voorkomen van herhaling. De reclassering is van mening dat verdachte hulp nodig heeft om te voorkomen dat hij in de toekomst wederom nieuwe strafbare feiten pleegt. Uit het strafblad van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte baat heeft bij een vaste basis en bij structuur. Dit heeft er eerder voor gezorgd dat verdachte na een eerdere detentie gedurende 10 jaren nauwelijks met justitie in aanraking is gekomen. Een langdurige gevangenisstraf zou betekenen dat verdachte zijn woning en daarmee zijn vaste basis verliest. Het risico op herhaling zou door het opleggen van een forse gevangenisstraf hoger worden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk. Anderzijds is de rechtbank ook van oordeel dat de gevorderde taakstraf te laag is in verhouding tot de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans worden opgelegd.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 500 dagen waarvan 488 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf worden de 12 dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering gebracht. Dit betekent dat verdachte voor nu niet terug hoeft naar de gevangenis, maar dat hem als waarschuwing een lange gevangenisstraf boven het hoofd hangt. Aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank de voorwaarden zoals hierna geformuleerd in de beslissing. Hiermee krijgt verdachte de hulp die hij nodig heeft. Het is nu aan verdachte om deze kans met beide handen aan te grijpen. Als hij bijvoorbeeld een nieuw strafbaar feit pleegt, niet meewerkt aan de hulpverlening of niet bereikbaar is voor de reclassering, dan riskeert hij alsnog voor lange tijd naar de gevangenis te moeten. Hiernaast legt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren op. De rechtbank kan voor dit ernstige feit niet volstaan met een andere of lichtere sanctie.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij Trekpleister vordert een schadevergoeding van € 774,40 voor feit 2.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van materiële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 640,00, gelet op de onderbouwing door middel van de overgelegde factuur. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van materiële schade voor het overige afwijzen. Uit de overgelegde factuur blijkt immers dat dit resterende bedrag bestaat uit btw. Nu Trekpleister een bedrijf is kan zij de btw van deze factuur verrekenen. Het gevorderde btw-bedrag is dan ook geen schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 5 februari 2026. Dit is immers de factuurdatum van de door Trekpleister gevorderde kosten.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling een gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 56, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de voortgezette handeling van

Feit 1: poging tot afpersing;

en

Feit 2: diefstal, voorafgegaan door bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 500 dagen, waarvan 488 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de afspraak;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige

verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Trekpleister van € 640,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 februari 2026 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Trekpleister, € 640,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 februari 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 6 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en

mr. R.T. Poort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 maart 2026.

Mr. Poort is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10. Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 8 november 2025 te [plaats]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

een personeelslid van de Trekpleister, zijnde [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte

van een geldbedrag van 179 euro, althans enig geldbedrag,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de Trekpleister

aan [adres] , in elk geval aan een ander dan de verdachte,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte,

bij de kassa een mes uit zijn, verdachtes, jas heeft gepakt en/of deze heeft getoond

aan die [slachtoffer] en daarbij meermalen, althaans eenmaal, heeft gezegd, zakelijk

weergegeven: 'dat hij geld nodig had' en/of 'de kassalade open te maken',

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 8 november 2025 te [plaats]

een geldbedrag van 179 euro, althans enig geldbedrag,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Trekpleister aan [adres]

, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen een personeelslid van de Trekpleister, zijnde I. van

Meer,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een mes uit

zijn, verdachtes, jas te pakken en/of deze te tonen aan die [slachtoffer] ;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?