Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-228112-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 2002,
wonende op het [woonadres] te [geboorteplaats] (Frankrijk),
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. F. Bajrami, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de verdediging, waarnemend raadsman mr. T. Polat, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen 4,95 kilo MDMA en 995,5 gram 2-MMC heeft uitgevoerd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen 4,95 kilo MDMA heeft uitgevoerd. Verdachte moet vrijgesproken worden ten aanzien van de uitvoer van 2-MMC, nu daar door het NFI geen nader onderzoek naar is gedaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat verdachte vrijgesproken moet worden, omdat in het vooronderzoek sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) die moeten leiden tot bewijsuitsluiting.
Er is allereerst een misbruik van bevoegdheden geweest, nu de verkeerscontrole in de zin van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is ingezet ten behoeve van de opsporing. Ook is de cautie te laat aan verdachte en [medeverdachte] gegeven en heeft er vervolgens een onrechtmatige doorzoeking van het voertuig plaatsgevonden. Er was immers geen verdenking die tot een doorzoeking op grond van artikel 96b Sv mocht leiden. Tot slot is er te laat een tolk ingeschakeld, waardoor beide verdachten niet konden begrijpen wat hun rechten en plichten waren.
Door deze onrechtmatigheden zijn verdachten in hun belangen geschaad en is hun recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna EVRM) in aanzienlijke mate geschonden.
Wanneer het bij de doorzoeking verkregen bewijsmateriaal wordt uitgesloten, is er geen bewijs voor het tenlastegelegde feit en dient er vrijspraak te volgen.
Indien de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting komt, dient er toch nog een vrijspraak te volgen. Verdachte en [medeverdachte] hadden geen wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de kofferbak van de auto.
Voorts is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te stellen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .
Tot slot deelt de verdediging het standpunt van de officier van justitie dat verdachte vrijgesproken moet worden ten aanzien van de tenlastegelegde hoeveelheid 2-MMC, nu daar geen nader onderzoek naar is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat verdachte en [medeverdachte] op 25 augustus 2025 op de A16 ter hoogte van Zevenbergschen Hoek in de gemeente Moerdijk in een personenauto met Frans kenteken rijden. Na een volgteken van de politie te hebben gekregen, volgen zij de politiemotor een uitvoegstrook op om vervolgens over het puntstuk weer de rijbaan op te rijden. Als ze door een politieauto met sirenes en zwaailichten worden gevolgd, stoppen ze alsnog. Hierna volgt een controle door de politie.
Als blijkt dat verdachte en [medeverdachte] softdrugs bij zich hebben, volgt een doorzoeking van de auto. Daarbij worden in de kofferbak kristallen en pillen aangetroffen. Na onderzoek blijkt dit onder andere 4,95 kilogram MDMA te zijn.
Deels vrijspraak
Bij de doorzoeking is ook ongeveer een kilo aan witte kristallen in de kofferbak van de auto aangetroffen, waarbij het op grond van een indicatieve test om 2-MMC zou gaan. Nu daar echter, anders dan bij hierboven genoemde pillen en kristallen, geen nader onderzoek door het NFI naar is gedaan, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
(On)rechtmatig verkregen bewijs
Gelet op het door de verdediging gevoerde verweer dient de rechtbank eerst de rechtmatigheid van het verkregen bewijs te beoordelen. Zij stelt daarbij voorop dat de toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen verdachte ter zake de aan hem ten laste gelegde feiten. Indien sprake is van zo’n vormverzuim, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg in aanmerking komt, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijk-verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De rechtbank kan ook volstaan met het constateren van het vormverzuim zonder daar enig rechtsgevolg aan te verbinden. Bij de beoordeling dient de rechtbank het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt in acht te nemen.
Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verbalisanten hun controlebevoegdheid op grond van 160 WVW hebben misbruikt om opsporingshandelingen te verrichten. Het is aan verbalisanten ter plaatse of zij al dan niet overgaan tot controle van (de bestuurder van) een voertuig op grond van artikel 160 WVW. Daarvoor is geen specifieke aanleiding vereist. Ook is niet gebleken dat er een ander doel was bij het geven van het volgteken dan het uitvoeren van een verkeerscontrole. Gelet op de reactie van verdachten op het volgteken, is door de verbalisanten daarna niet alleen het rijbewijs van de bestuurder, maar ook het identiteitsbewijs van beide verdachten gecontroleerd. Dat er sprake is geweest van een onrechtmatige identiteitscontrole, of het onrechtmatig gebruiken van bevoegdheden op basis van de Wegenverkeerswet is niet gebleken. Ook de vraag waar verdachte en [medeverdachte] vandaan kwamen kan als een controlehandeling gezien worden. Er wordt op dat moment door [medeverdachte] geantwoord “Amsterdam” en verdachte roept “coffeeshop”. Aan verdachte en [medeverdachte] wordt vervolgens gevraagd of zij marihuana bij zich hebben. Vóór het stellen van die vraag had aan verdachte en [medeverdachte] onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank evenwel de cautie gegeven moeten worden, hadden zij op het recht van consultatiebijstand gewezen moeten worden en had de bijstand van een tolk in de Franse taal al op dat moment georganiseerd moeten worden. Verbalisanten hebben dit alles echter pas later, na het doorzoeken van de auto, gedaan en dit levert naar het oordeel van de rechtbank een onherstelbaar vormverzuim op.
De vraag is of hier door de rechtbank een rechtsgevolg aan verbonden moet worden. De rechtbank stelt vast dat verdachte en [medeverdachte] door de vraagstelling van de verbalisanten aanleiding hebben gezien om de softdrugs die zij bij zich hadden af te geven. De rechtbank merkt echter ook op dat zij ten aanzien van deze softdrugs niet vervolgd worden, waardoor zij in zoverre niet in enig rechtens te respecteren belang zijn geschaad. Dat wil zeggen dat zij geen nadeel hebben ondervonden van een handeling, besluit of vormverzuim. Met de constatering dat er sprake is geweest van een vormverzuim kan daarom worden volstaan.
Vervolgens vindt de doorzoeking van de auto plaats. De rechtbank is van oordeel dat deze doorzoeking rechtmatig is geweest. De rechtbank stelt daarbij vast dat verdachte reed in een auto op weg naar Frankrijk, toen de politie een controle wilde uitvoeren op grond van de Wegenverkeerswet 1994. Uit het handelen van verdachte en [medeverdachte] nadat zij een duidelijk volgteken hadden gekregen van de politie, te weten het eerst volgen naar een uitvoegstrook en dan, toen de vóór verdachten rijdende politiemotor definitief de afrit had genomen, plotseling weer over het puntstuk de rijbaan opschieten, hebben de verbalisanten kunnen concluderen dat verdachte en [medeverdachte] kennelijk probeerden te ontkomen aan een controle door de politie. Dit vluchtgedrag, in combinatie met het feit dat verdachte en [medeverdachte] in een auto op weg naar Frankrijk waren en dat door verdachte “coffeeshop” was geroepen, deed vermoeden dat zij daadwerkelijk (soft)drugs bij zich hadden, en maakt dat sprake was van een gerechtvaardigde verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid Sv. Op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv waren de verbalisanten dan ook bevoegd de auto waarin verdachte en [medeverdachte] reden te doorzoeken.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de doorzoeking geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en is bewijsuitsluiting niet aan de orde. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs indien er wel sprake was geweest van een onrechtmatige doorzoeking, daarvan niet het gevolg is dat het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden en ook niet dat sprake is van een zodanig ernstige schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. Verdachte en [medeverdachte] zijn ook hier niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad. Het ontdekken van een strafbaar feit is immers volgens vaste jurisprudentie geen rechtens te respecteren nadeel. Dit houdt in dat zelfs in die situatie er geen reden zou zijn geweest voor het verbinden van een rechtsgevolg aan dat verzuim.
Wetenschap en opzet
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of bij verdachte en [medeverdachte] sprake was van wetenschap van de verdovende middelen en of deze middelen zich in de machtssfeer van verdachte en [medeverdachte] bevonden. Verdachte zat als bestuurder in de auto en [medeverdachte] was de bijrijder van de auto waarin zij stil zijn gehouden. Uit het dossier blijkt dat zij met de auto van Marseille naar Amsterdam zijn gereden, zij meerdere dagen die auto onder zich hadden en vervolgens daarmee zijn teruggereden richting Marseille . In deze omstandigheden geldt als uitgangspunt dat zij geacht worden te weten welke goederen zich in de auto bevinden en dat deze goederen zich in hun machtssfeer hebben bevonden. Dit is anders als er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit voortvloeit dat dit in dit specifieke geval anders is. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat zij niet bekend waren met de in de auto aanwezige verdovende middelen en dat zij in de val zijn gelokt door ene [persoon] , die de verdovende middelen buiten hun weten om in de kofferbak van de auto gestopt moet hebben, ongeloofwaardig. Weliswaar blijkt uit het dossier dat [persoon] een bestaand persoon is, maar uit het dossier blijkt ook dat er kort voor het aanspreken van verdachte en [medeverdachte] door de politie via verschillende telefoonapps contact is geweest tussen verdachten en [persoon] . Uit onderzoek van de telefoon van verdachte blijkt namelijk dat “ [alias 1] ”, waarvan zowel de politie als verdachten denken dat het die [persoon] is, eerst via de app Snapchat contact onderhoudt met [medeverdachte] en verdachte en hen aanwijzingen geeft dat zij achter hem moeten rijden en niet te dichtbij om het mogelijk te maken om te waarschuwen voor politie. Vervolgens wordt aan [medeverdachte] een opdracht gegeven om snel een Signal account op zijn telefoon aan te maken, waarna via deze app contact is tussen “ [alias 2] ” en [medeverdachte] . “ [alias 2] ” zou hier volgens de politie ook die [persoon] betreffen. Via de Signal app wordt ook weer over de politie gesproken en wordt door “ [alias 2] ” aangegeven dat hij verdachte “500” zal geven als zij in België stoppen. Tot slot is er een Signal groep chat waar ene “ [alias 3] ” aansluit en ook aanwijzingen geeft. Ook wordt gevraagd of zij ‘het’ hebben, waarop [medeverdachte] bevestigend antwoordt. Het gesprek wordt dan beëindigd met “Ze worden gepakt” en “Ze worden gecontroleerd”.
Gelet op deze gesprekken stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte] in één auto reden, ene [persoon] daarvóór in een andere auto reed om in de gaten te houden of er politie was en dat een vierde persoon “ [alias 3] ” op de hoogte was van de rit. Ook was sprake van een toezegging dat er € 500,- zou worden betaald wanneer zij in België zouden zijn. Gelet op de inhoud van de gesprekken en het hiervoor genoemde vluchtgedrag van verdachte en [medeverdachte] , gaat de rechtbank ervan uit dat deze gesprekken zien op de aanwezigheid van harddrugs in de auto waarin verdachte en [medeverdachte] reden en dat zij in België zouden worden betaald voor het over de grens brengen van de drugs. Een aannemelijke andere verklaring is niet gegeven.
Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat personen een hoeveelheid verdovende middelen van een zeer aanzienlijke waarde zomaar in een auto achterlaten zonder dat de bestuurder en in dit geval ook een bijrijder hiervan op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar van de verdovende middelen een groot risico op het verliezen ervan opleveren.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte en [medeverdachte] wisten van de aanwezigheid van de MDMA in de kofferbak van de auto en dat deze zich daarmee ook in hun machtssfeer bevond. Gelet op het vorenstaande was er ook sprake van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van ongeveer 4,95 kilogram MDMA.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 25 augustus 2025 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,
- ongeveer 4,95 kilogram van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbaar feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring wordt voorgesteld een lagere gevangenisstraf dan geëist op te leggen al dan niet met een voorwaardelijk deel als stok achter de deur.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van ongeveer 4,95 kilogram MDMA. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de internationale handel in verdovende middelen in stand gehouden en kunnen de uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in- en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat MDMA een stof is die verslavend werkt en schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Daarnaast gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, waardoor de boven- en onderwereld steeds meer met elkaar vermengd raken. Bovendien is de handel in harddrugs regelmatig de oorzaak van geweldsexplosies, waarmee ook onschuldige en nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd.
Door zijn handelen heeft verdachte hieraan een bijdrage geleverd en de rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Het voorgaande is ook de reden dat er op het vervoeren, het buiten het grondgebied van Nederland brengen en het in voorraad hebben van harddrugs zware straffen zijn gesteld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte in Nederland een blanco strafblad heeft.
Zij houdt bij de strafoplegging rekening met de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor de uitvoer van harddrugs met een gewicht van 4 tot 5 kilogram geldt daarbij als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 36 tot 38 maanden. De rechtbank is ook gelet daarop van oordeel dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van verdachte. Ook wordt er rekening mee gehouden dat verdachte en [medeverdachte] niet de eigenaar van de verdovende middelen lijken te zijn. Zij zouden immers betaald krijgen als zij de verdovende middelen over de grens zouden vervoeren.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2: 10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter,
en mr. L.W. Louwerse en mr. R.T. Poort, rechters,
in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 maart 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 25 augustus 2025 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk,
in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5
van de Opiumwet,
- ongeveer 4,95 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
MDMA en/of
- ongeveer 995,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
2-MMC,
zijnde MDMA en/of 2-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I en/of 1A, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )