ECLI:NL:RBZWB:2026:1383

ECLI:NL:RBZWB:2026:1383

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer C/02/442862 / JE RK 25-2205
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/442862 / JE RK 25-2205

Datum uitspraak: 29 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 december 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

[persoon 1] , namens de GI via een beeldbelverbinding.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 juli 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 juli 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 31 januari 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

Namens de GI is ter onderbouwing van het verzoek schriftelijk - samengevat - aangevoerd dat in de afgelopen periode is gewerkt aan de doelen van de ondertoezichtstelling, te weten:

[minderjarige] ontwikkelt zich goed en dit wordt gevolgd door de GI;

[minderjarige] verblijft in een veilige en stabiele thuissituatie waarin hij kan rekenen op

een volwassene die hem voorziet in de fysieke en emotionele zorg die een kind

nodig heeft;

3. [minderjarige] heeft een onbelast contact met beide ouders en met [de broer] ;

4. indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat [persoon 2] daadwerkelijk de biologische vader

is, wordt onderzocht op welke wijze er contact tussen [persoon 2] en [minderjarige] mogelijk en

wenselijk is;

5. de moeder gaat de behandeling bij [hulpverlening] aan; de GI volgt haar inzet en

voortgang, met als doel te bekijken of het contact met [minderjarige] uitgebreid kan

worden en of een mogelijke thuisplaatsing bij de moeder haalbaar is.

Door de overname van Team Veiligheid en een wisseling van pleegzorgwerker lukte het niet om nog een evaluatie te plannen voor het einde van het jaar. Wel is als zodanig besproken dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zijn ontwikkeling positief en conform zijn leeftijd verloopt. Het consultatie bureau en de pleegouders merken geen bijzonderheden op. In de omgangsverslagen zijn positieve signalen te lezen over

[minderjarige] ’s hechtingsontwikkeling, zoals het laten troosten door zowel de moeder als de pleegouders. Alle seinen lijken op groen te staan voor een hereniging in een ouderschaps-beoordeling. Daarom heeft de GI besloten dat de omgang uitgebreid dient te worden en dit de komende tijd iedere week te laten plaatsvinden voor anderhalf uur, zolang [minderjarige] dit aan kan.

Hoewel de moeder definitief afstand heeft genomen van de vermoedelijke vader van [minderjarige] , blijft de GI zich grote zorgen maken over [minderjarige] ’s veiligheid. Onduidelijk is of de moeder voldoende in staat is om de vermoedelijke vader van [minderjarige] op afstand te houden. Gebleken is dat de vermoedelijke vader nog regelmatig voor de woning van moeder gesignaleerd wordt en dat hij haar blijft stalken en hij aan haar intimiderende chanterende en bedreigend berichten stuurt. Gezien wordt dat de moeder daarmee worstelt. Dit heeft ervoor gezorgd dat zij, na eerst ondersteuning te hebben gevraagd van haar WMO begeleider, uiteindelijk heeft besloten op 4 december 2025 daarvan aangifte te doen.

Namens de GI is ter zitting mondeling aanvullend opgemerkt dat gebleken is dat de moeder na het geven van een schriftelijke aanwijzing op 29 november 2024 een ommekeer heeft weten te maken, wat bewonderingswaardig is. Zij volgt - overeenkomstig de aanwijzing - via [hulpverlening] behandeling, bestaande uit verschillende (groeps)therapieën. Tevens heeft de moeder, volgens planning, per 9 december 2025 de overstap gemaakt naar de afdeling ouder en kind. Er is ook een plan gemaakt voor de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast heeft de moeder gewerkt aan de verdere ontwikkeling van haar zorgtaken, waarbij zij heeft kunnen profiteren van de door haar opgedane ervaringen bij het pleeggezin. Al deze factoren hebben ertoe bijdragen dat [minderjarige] vanaf 13 januari 2026 heeft kunnen aansluiten bij de moeder op de afdeling ouder en kind van [hulpverlening] . Naar het zich op dit moment laat aanzien verloopt het traject voorspoedig. Dit neemt niet weg dat er nog een evaluatie gaat plaats vinden, te weten op 6 februari 2026. Verder zullen de pleegouders, zij het op afstand, betrokken blijven en zal [minderjarige] periodiek een weekend bij hen verblijven. Ten slotte wijzen alle signalen erop dat de moeder haar relatie met de vermoedelijke vader van [minderjarige] definitief heeft beëindigd.

De GI concludeert dat de moeder in de afgelopen maanden keihard aan haar persoonlijke situatie heeft gewerkt. Ook heeft zij de overstap weten te maken naar de afdeling ouder en kind, maakt ook [minderjarige] daar inmiddels deel van uit en is er ook duidelijk-heid over de toekomstige rol van de pleegouders. Uitgaande van de actuele omstandigheden, zoals hiervóór beschreven en toegelicht, ziet de GI geen aanleiding voor een verdere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin. Dit laat onverlet dat de GI alsnog afziet van een intrekking van haar verzoek. Dit in de eerste plaats rekening houdend met de afloopdatum en omdat zij in elk geval wenst dat haar besluit om niet langer een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken door de kinderrechter naar juridische maatstaven wordt getoetst.

3. De beoordeling

De kinderrechter stelt vast op basis van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting dat daaruit is gebleken van voldoende actuele gegevens die, ondanks dat deze van prille datum zijn, er van overtuigen dat de moeder in de afgelopen periode concrete positieve stappen heeft weten te maken. Vast is komen te staan dat de moeder bij [hulpverlening] de overstap heeft weten te maken naar de afdeling ouder en kind en dat intussen ook [minderjarige] bij dit traject is aangesloten en dat dit traject tot dusver positief verloopt. Daarnaast heeft de moeder gewerkt aan het verder ontwikkelen van haar zorgtaken en -capaciteiten en wordt ervan uit gegaan dat zij de relatie met de vermoedelijke vader van [minderjarige] definitief heeft verbroken. Verder is duidelijk geworden dat de pleegouders op afstand in het leven van [minderjarige] een rol van betekenis zullen blijven vervullen.

De kinderrechter is op grond van voormelde feiten en omstandigheden van oordeel dat aan de wettelijke vereisten, als bedoeld in artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin niet langer wordt voldaan. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen. Wel wijst de kinderrechter erop dat op de GI nog steeds de taak rust om haar besluit om niet langer een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken aan de Raad voor de Kinderbescherming dient te worden voorgelegd.

4. De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 10 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand