Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-229691-25
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op [locatie] ,
raadsvrouw mr. W. van Nunen, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair onder feit 1 ten laste gelegde poging tot brandstichting heeft gepleegd. Bij verdachte bestond het voornemen om brand te stichten en dit voornemen heeft zich geuit in een begin van uitvoering. Gelet op de omstandigheid dat benzine een zeer ontvlambare vloeistof betreft die dampen afgeeft, kan het enkel uitgieten van benzine als een begin van uitvoering worden gezien. Een handeling ter voltooiing van het delict hoeft niet door verdachte zelf te worden verricht, maar kan ook een van buiten komende oorzaak betreffen. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans aanvaard dat brand zou kunnen uitbreken, te meer nu verdachte het geuite voornemen kracht heeft bijgezet door een aansteker te gooien en/of een brandende sigaret in zijn mond te hebben. Van vrijwillige terugtred is geen sprake.
Ook de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging met brandstichting kan worden bewezen. Verdachte heeft een brandbare vloeistof in de woning gesprenkeld en geroepen dat hij de boel in de fik zou steken. Bij aangeefster kon hierdoor de redelijke vrees worden opgewekt dat verdachte daadwerkelijk brand zou stichten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 primair en subsidiair en dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken. Het handelen van verdachte kan niet worden gekwalificeerd als een poging tot brandstichting, omdat niet vast is komen te staan dat client daadwerkelijk van plan was het huis in brand te steken. De verklaringen van aangeefster zijn op dit punt wisselend, tegenstrijdig en daardoor ongeloofwaardig. Niet kan worden vastgesteld dat de sigarettenpeuk en aansteker op de foto’s van verdachte zijn. Indien een poging tot brandstichting wordt bewezen, dan is sprake van vrijwillige terugtred doordat verdachte uit eigen beweging is vertrokken zonder over te gaan tot het aansteken van de benzine. Evenmin kan worden bewezen dat sprake was van voorbereidingshandelingen, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte een aansteker en jerrycan met benzine voorhanden heeft gehad met als doel brand te stichten.
De verdediging bepleit eveneens vrijspraak voor de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging. Niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gezegd “de enige die ons nog kan redden is de politie" en onaannemelijk is dat aangeefster moet hebben gedacht dat verdachte haar daadwerkelijk iets aan zou doen, gelet op haar verklaring dat verdachte zei dat hij haar niets aan wilde doen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Feitenvaststelling
Op grond van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is op 29 augustus 2025 naar de woning van aangeefster in [plaats] gereden. Eerder die dag hadden zij samen in de auto gezeten, was verdachte gestopt op de dijk en had hij gedreigd zelfmoord te plegen. Toen hij bij de woning van aangeefster aankwam, kwam hij binnen met een jerrycan met daarin benzine. Hij heeft een deel van de benzine in de gang van de woning van aangeefster uitgegoten, waarbij zij aanwezig was.
Dat verdachte ook benzine in de woonkamer en keuken heeft uitgegoten, kan de rechtbank niet vaststellen nu dit enkel door aangeefster wordt verklaard. Vast staat wel dat er ook benzine in de woonkamer en keuken is terechtgekomen. De rechtbank kan evenmin vaststellen of verdachte een (ontstoken) sigaret in zijn mond had en een aansteker in zijn hand heeft genomen. De verklaring van aangeefster daarover is wisselend en op onderdelen tegenstrijdig. Zo heeft zij bij haar eerste verklaring op 29 augustus 2025 verklaard dat verdachte een sigaret in zijn mond had, maar dat ze niet wist of die aan of uit was. Over een aansteker heeft zij toen niet gesproken. Uit bevindingen van de politie blijkt dat zij diezelfde dag tegen een verbalisant heeft gezegd dat verdachte de benzine aan wilde steken met een aansteker, maar dat zij dit kon voorkomen. Uit de aanvullende verklaring die aangeefster op 11 februari 2026 bij de politie heeft afgelegd, volgt dat zij heeft verklaard dat verdachte een brandende sigaret in zijn mond had en dat verdachte een aansteker op de grond in de woonkamer gooide en dat er een vlammetje uitkwam. Gelet op de wisselende verklaringen, kan de rechtbank onvoldoende vaststellen of verdachte handelingen heeft verricht met een (al dan niet brandende) sigaret en/of een aansteker. De omstandigheid dat er blijkens de aan het dossier toegevoegde foto’s een sigarettenpeuk in de gang en een aansteker in de woonkamer zijn aangetroffen, maakt dat niet anders. De verklaring van aangeefster dat verdachte heeft geroepen ‘de enige die ons nog kan redden is de politie’ wordt niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat verdachte dit heeft geroepen.
Primair: poging tot brandstichting?
Gelet op het voorgaande staat vast dat verdachte een van de in de tenlastelegging opgenomen handelingen heeft verricht, namelijk het uitgieten van een jerrycan met benzine in de gang. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze handeling kan worden gekwalificeerd als een poging tot brandstichting.
Uit de wet volgt dat een poging tot misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval en algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.Uit vaste rechtspraak volgt dat een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
De rechtbank is van oordeel dat alleen het uitgieten van benzine, zonder dat kan worden vastgesteld dat door verdachte een concrete poging is gedaan om deze aan te steken, op zichzelf geen gedraging is die naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden gezien als gericht op voltooiing van een brandstichting. In dat geval kan het bijvoorbeeld ook blijven bij het dreigen met brandstichting. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte uiteindelijk zelf is weggegaan uit de woning en dat hij volgens aangeefster zou hebben geroepen dat hij haar niets aan wilde doen. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Subsidiair: voorbereidingshandelingen voor brandstichting?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte middelen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van brandstichting.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het subsidiair ten laste gelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen (hierna: de middelen) bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen (afzonderlijk dan wel gezamenlijk), naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Daarbij is vereist dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte een jerrycan met benzine voorhanden heeft gehad. Dat verdachte ook een aansteker voorhanden heeft gehad, wordt door hem niet ontkend. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij rookt en om die reden een aansteker in zijn zak had, maar dat hij hier verder niets mee heeft gedaan en dat deze door de politie bij zijn aanhouding in beslag is genomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte handelingen heeft verricht met de aansteker.
Onder genoemde omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat de aansteker die verdachte voorhanden heeft gehad bestemd was tot het begaan van brandstichting. Ten aanzien van de jerrycan met benzine kan dat evenmin worden vastgesteld, nu op grond van het dossier niet is vast komen te staan dat verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin - had op het begaan van brandstichting. Contra-indicaties daarvoor zijn dat verdachte de woning uiteindelijk heeft verlaten en hij volgens aangeefster zou hebben geroepen dat hij haar niets aan wilde doen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte de middelen voorhanden heeft gehad teneinde deze te gebruiken voor brandstichting. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Feit 2
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte benzine heeft uitgegoten in de gang in de woning van aangeefster. Dat hij daarbij heeft gezegd “De enige die ons nog kan redden is de politie” en dat hij hierbij een aansteker in zijn hand heeft genomen, acht de rechtbank niet bewezen, omdat de verklaring van aangeefster hierover wisselend is en het dossier hiervoor verder onvoldoende steunbewijs bevat.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat het uitgieten van benzine in een woning in aanwezigheid van aangeefster als een bedreiging met brandstichting moet worden beschouwd, omdat hierdoor de redelijke vrees bij aangeefster kon ontstaan dat brand zou worden gesticht. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
2op 29 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland [aangeefster] heeft bedreigd met brandstichting, hebbende hij, verdachte, een jerrycan met benzine uitgegoten in de gang van de woning alwaar die [aangeefster] aanwezig was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 155 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie weegt bij zijn eis mee dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen straf op te leggen van langere duur dan het reeds ondergane voorarrest. Gelet op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, is een (voorwaardelijke) straf van langere duur niet passend. Gelet op de omstandigheid dat verdachte een first offender is ondanks de aanwezige problematiek, is het recidiverisico beperkt en zijn de geadviseerde bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht niet nodig.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting door benzine in de woning van aangeefster uit te gieten. Hij heeft hierdoor gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij haar. Zij was bang dat verdachte daadwerkelijk brand zou stichten.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van [de psycholoog] van 4 december 2025. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, van narcistische en borderline kenmerken in de persoonlijkheid en van een partner-relatieprobleem. Deze beïnvloedden verdachte ten tijde van het feit. In de jaren voorafgaand aan het feit werd verdachte van alle kanten overvraagd en waren de eisen en verwachtingen die aan hem werden gesteld veel te hoog, waardoor hij veel spanningen had, somber en angstig werd en er enkele (rand)psychotische overschrijdingen waren. Toen er relatieproblemen ontstonden, liepen de spanningen zeer hoog op. Mogelijk in een poging om zijn spanningen te dempen ging betrokkene steeds meer blowen, maar hierdoor verslechterde zijn psychische conditie nog meer en werden (rand-)psychotische symptomen verder opgewekt. Verdachte was ten tijde van het feit emotioneel sterk ontregeld, mogelijk ook psychiatrisch. Hij was zeer sterk in de ban van zijn emoties, waardoor hij in combinatie met de lage intellectuele vaardigheden de gevolgen van zijn handelen niet goed heeft kunnen overzien. Ingeschat wordt dat de doorwerking van de stoornissen bij het feit aanzienlijk is geweest. Geadviseerd wordt het feit in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De kans op onvoorspelbaar en grensoverschrijdend gedrag wordt ingeschat als matig tot hoog. Als verdachte opnieuw wordt overvraagd, zal de kans op verdere ontregelingen oplopen. Geadviseerd wordt om aan verdachte een ambulant behandeltraject (psycholoog, psychiater) en een sociaal-maatschappelijk ondersteuningstraject op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. De behandeling en begeleiding kunnen worden ondergebracht bij een lokale forensische polikliniek met een behandelaanbod voor mensen met LVB-problematiek.
De rechtbank volgt de conclusie van de psycholoog over de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en neemt deze over.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 2 februari 2026. Hieruit volgt dat niet kan worden gesproken van een delictpatroon. De reclassering ziet als risico verhogende factoren met name het psychisch/psychosociaal functioneren, het middelengebruik en de relatie van verdachte. Volgens de reclassering zijn met name enig gebrek aan inzicht in de eigen problematiek en verantwoordelijkheidsgevoel om voor anderen te moeten zorgen (financieel en praktisch) factoren die kunnen leiden tot overschatting (van zichzelf en door anderen) en daarmee tot overvraging. Voorafgaand aan zijn aanhouding blowde verdachte regelmatig en ondanks dat verdachte zegt dit nu niet meer te doen, wordt eventueel gebruik als risicofactor gezien. Dit kan een luxerend effect hebben op de reeds vastgestelde psychische kwetsbaarheid van verdachte. Het al dan niet voortzetten van de relatie zal goed begeleid moeten worden, evenals het realiseren van eigen huisvesting en inkomen. Positief is dat verdachte hulp heeft gevraagd bij praktische zaken, maar de inschatting is dat hij extra gemotiveerd zal moeten worden om zich (meer structureel) inhoudelijk in te zetten voor voorwaarden gericht op gedragsverandering en het vergroten van inzicht in de aanwezige problematiek. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld op de korte termijn, maar als gemiddeld-hoog op de langere termijn als geen praktische en psychische hulpverlening wordt ingezet. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling door Forensische Zorg Zeeland, Humanitas Homerus of een soortgelijke zorgverlener, controles om het middelengebruik te beheersen en begeleiding door Maatschappelijk Justitiële Dienstverlening of Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, met reclasseringstoezicht.
Strafmaat
Gelet op de aard en ernst van het feit, de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, het beperkte strafblad en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uur passend en geboden, met aftrek van voorarrest naar rato van 2 uur per dag. Hoewel de rechtbank de meerwaarde ziet van de door de psycholoog en de reclassering geadviseerde hulp voor verdachte, zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen. Gelet op de omstandigheid dat verdachte 96 dagen in voorarrest heeft doorgebracht en de straf daarmee ruimschoots heeft ondergaan, ziet de rechtbank hiervoor geen ruimte.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2: bedreiging met brandstichting;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 30 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter,
en mr. J. Bergen en L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 4 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [plaats] , gemeenteSchouwen-Duivelandter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkbrand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning eninboedel gelegen aan [adres] en/of de aangrenzende woningenen/of inboedels van die woning aan [adres] te duchten was
en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander,te weten [aangeefster] en/of [persoon] en/of één of meer andere inbovengenoemde woning(en) aanwezige perso(o)n(en) te duchten was,
hebbende hij, verdachte, (terwijl hij een (ontstoken) sigaret in zijn mondhad) een jerrycan met benzine, althans een dergelijke brandbare stof,uitgegoten in de keuken en/of de gang en/of de woonkamer vanbovengenoemde woning en/of (hierbij) die aanwezige [aangeefster] dewoorden toegevoegd 'De enige die ons nog kan redden is de politie'en/of (hierbij) een aansteker in zijn hand genomen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboekvan Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [plaats] , gemeenteSchouwen-Duiveland,ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijkeomschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te wetenbrandstichting,opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof,en/of een aansteker bestemd tot het begaan van dat misdrijf,heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/ofvoorhanden heeft gehad;
( art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [plaats] , gemeenteSchouwen-Duiveland[aangeefster] heeft bedreigdmet brandstichting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of metzware mishandeling,hebbende hij, verdachte, (terwijl hij een (ontstoken) sigaret in zijn mondhad) een jerrycan met benzine, althans een dergelijke brandbare stof,uitgegoten in de keuken en/of de gang en/of de woonkamer van dewoning alwaar die [aangeefster] aanwezig was en/of (hierbij) die [aangeefster] dewoorden toegevoegd 'De enige die ons nog kan redden is de politie'en/of (hierbij) een aansteker in zijn hand genomen, althans woordenen/of (een) da(a)d(en) van gelijke dreigende aard en/of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )