ECLI:NL:RBZWB:2026:1417

ECLI:NL:RBZWB:2026:1417

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer 02-375434-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Kennelijk leugenachtige verklaring, medeplegen woninginbraak, benadeelde partij n.o. immateriële schade woninginbraak.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-375434-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 maart 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] (Frankrijk),

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

verblijvende op het [adres 1] ,

raadsman mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2026 waarbij de officier van justitie mr. S. van der Wilt-Withfield en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

23 november 2024 al dan niet samen met anderen:

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, gelet op het verloop van de gebeurtenissen op

21 en 23 november 2024 waarbij een Ford Focus met het [kenteken] betrokken was en het feit dat verdachte een van de drie inzittenden van die auto was.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 2, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder was van de Ford die de schade heeft veroorzaakt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 bepleit verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde inbraakhandelingen, gelet op de rol van verdachte zoals door hem ter terechtzitting beschreven. Gelet op de omstandigheid dat uit niets blijkt van enige betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding van de inbraak dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Omdat verdachte niet de bestuurder was van het voertuig dat schade heeft toegebracht aan de landbouwgrond, dient verdachte eveneens vrijgesproken te worden van feit 2.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

- De feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit het dossier

Uit het dossier komt naar voren dat een speciaal onderzoeksteam van de politie in 2024 onderzoek deed naar mobiele dadergroepen waarbij een dadergroep uit Utrecht in beeld kwam. Deze dadergroep pleegde in verschillende samenstellingen diefstallen. Een prominent lid van de dadergroep, [betrokkene 1] , was een regelmatige gebruiker van een grijze Ford Focus met het [kenteken] . In verband met het onderzoek werd onder dit voertuig een baken geplaatst. Uit de gegevens van het baken kwam naar voren dat het voertuig op 21 november 2024 omstreeks 18:00 uur op de A20 in de richting van Rotterdam reed. In Capelle aan den IJssel en in Zuidland heeft de auto stilgestaan bij Chinese restaurants. Daarna reed het voertuig verder zuidwaarts via de A29. Bij een Shell-tankstation bij Numansdorp is het voertuig gestopt. Na deze stop is het voertuig doorgereden naar Chinees restaurant ‘ [restaurant] ’ te [plaats 3] , te weten het restaurant van [aangeefster] . Even later reed de Ford door naar [plaats 1] , waar werd stilgestaan in de [straat 1] . In deze straat woont het [gezin] .

Daarna reed het voertuig weer terug naar Chinees restaurant ‘ [restaurant] ’, waar een rondje rondom het restaurant werd gereden. Vervolgens is de Ford weer naar Utrecht teruggegaan en is daar geparkeerd op de [straat 2] , op loopafstand van de woning van [betrokkene 1] .

De camerabeelden van het Shell tankstation aan de A29 bij Numansdorp van die avond zijn opgevraagd. Daarop is te zien dat drie mannen uit de Ford Focus stappen en dat zij in de pompshop zijn. Eén van deze mannen is herkend als verdachte. De andere twee mannen zijn herkend als [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

Op 23 november 2024, omstreeks 15:00 uur, werd aan de hand van de bakengegevens gezien dat de Ford Focus vanaf de [straat 2] in Utrecht vertrok, een korte stop maakte in de wijk waarin ook de [straat 3] is gelegen, om daarna via de A27 zonder te stoppen naar [plaats 3] door te rijden. Gelet op de bevindingen van 21 november 2024 werd rekening gehouden met het scenario dat er een inbraak zou gaan plaatsvinden in de woning van de eigenaar van het Chinese restaurant ‘ [restaurant] ’. Er is door het speciale onderzoeksteam daarom vanaf 17:38 uur contact gelegd met de regionale politie, waarbij de locatiegegevens van de Ford Focus werden doorgegeven. Omstreeks 18:00 uur werd op basis van de bakengegevens gezien dat de Ford stilstond op locaties vlakbij de [adres 2] . Om 18:09 uur trof de regionale politie bij inspectie van de woning in de tuin een gesloten kluis aan. De kluis was niet volledig nat ondanks constante regenval, zodat het erop leek dat de kluis nog niet zo lang buiten stond. Er is toen besloten te gaan posten bij de woning. Om 18:15 uur werd gezien dat een grijze Ford Focus stopte ongeveer ter hoogte van [adres 2] , dat twee mannen uit de auto stapten en even later de auto op hoge snelheid vertrok. De politie constateerde toen dat de kluis weg was.

Uit de bakengegevens bleek dat de auto vervolgens enkele minuten had stilgestaan op de [straat 4] bij de kruising met de [straat 5] . Daar is later de kluis aangetroffen, open en leeg.

Een politie-eenheid is op basis van de bakengegevens naar een locatie gereden om de Ford te onderscheppen. Toen deze eenheid achter de Ford reed werd een stopteken gegeven. Daar werd niet aan voldaan. In [plaats 2] is de Ford het terrein op gereden van een boerenbedrijf gelegen aan [adres 3] . Daar reed het voertuig zich op een modderige landweg vast in de modder. Uit de auto stapten drie mannen die wegrenden van het voertuig. Eén van de mannen kon worden gepakt. Dit betrof verdachte. De andere twee mannen zijn ontkomen.

In de Ford zijn onder andere aangetroffen mutsen, handschoenen, een schroevendraaier, zaklampen en veel munten en bankbiljetten, alsmede een horloge van het merk Rado. Opvallend was dat er een grote hoeveelheid 2 euro munten in de auto werd aangetroffen. Ook in de jas van verdachte werd geld aangetroffen, een totaal van 56 euro in bankbiljetten en 2 euro munten.

De volgende ochtend heeft de eigenaar van het boerenbedrijf in de sloot, ter hoogte van de plaats waar de Ford tot stilstand was gekomen, een grote hoeveelheid geld gevonden. Dit betrof een totaalbedrag van € 17.185, - in verschillende coupures.

In totaal is € 20.829,06 teruggevonden.

- Waardering van de verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 23 november 2024 werd gevraagd om tegen betaling te helpen iets op te halen. Hij is met twee andere mannen, die hij niet kende, vanuit Utrecht in een auto naar de woning in [plaats 3] gereden. Hij is niet in de woning geweest, maar heeft samen met één van de twee mannen de kluis naar de auto gedragen en in de kofferbak gelegd. Toen ze wegreden met de kluis zat verdachte achterin de auto. Op de [straat 4] is de kluis opengemaakt, buiten de auto. Hij heeft niet gezien wat er in de kluis zat. Hij weet niks van al het geld dat in de auto lag. Hij kan zich niet herinneren hoe het geld dat na zijn aanhouding in zijn jaszak is aangetroffen, daar is terechtgekomen. Verder heeft hij verklaard dat hij niet één van de mannen op de camerabeelden van het tankstation is en dat hij nog nooit in Zeeland is geweest.

Omdat de rechtbank de beelden van het Shell-tankstation van 21 november 2024 relevant acht voor het bewijs in deze zaak, overweegt de rechtbank daarover als volgt. Verdachte is op deze beelden door een verbalisant herkend als één van de inzittenden van de eerdergenoemde Ford Focus. De rechtbank ziet geen grond om aan deze herkenning te twijfelen en slaat daarbij acht op de gelijkenis tussen de kort na aanhouding van verdachte genomen foto op de informatiestaat SKDB-persoon (ook te zien op pagina 40 van het proces-verbaal) en de stills van de camerabeelden van de pompshop, te weten foto 1 (de man links), foto 8 (de man rechts) en foto 17 (de man rechts), respectievelijk te zien op de pagina’s 171, 174 en 179 van het proces-verbaal. Het bovenstaande maakt dat de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij voor 23 november 2024 nooit in Zeeland is geweest, aanmerkt als leugenachtig.

Uit de hiervoor beschreven tijdlijn volgt dat de Ford Focus op 23 november 2024 rond 18:00 uur in de buurt van de woning is geweest waaruit de kluis is weggehaald. De politie kwam rond die tijd aan bij de woning maar zag niets verdachts. Negen minuten later trof de politie een kluis aan in de tuin van de woning.

Uit de verklaringen van aangeefster en van haar zoon komt naar voren dat hij als laatste tussen 17:15 uur en 17:30 uur de woning heeft verlaten en dat toen alles in de woning intact was. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat tot dat tijdstip de inbraak nog niet had plaatsgevonden. Verder is omschreven dat de kluis, toen die om 18:09 uur werd aangetroffen achter de woning, niet zo nat was als verwacht kon worden gelet op het regenachtige weer. Dit was kennelijk een zo opvallende omstandigheid dat de verbalisant die de kluis aantrof daarvan melding heeft gemaakt in zijn proces-verbaal van bevindingen. Dat duidt erop dat de inbraak heeft plaatsgevonden kort voordat de politie bij de woning arriveerde. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het door de verdediging aangedragen scenario dat de kluis al vóór vertrek van verdachten uit Utrecht zou zijn ontvreemd uit de woning.

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van verdachte dat hij niet gezien heeft wat er in de de kluis zat, dat hij niets weet van het geld in de auto en ook niet weet hoe het bij hem aangetroffen geld in zijn jaszak is beland, ook als leugenachtig moet worden aangemerkt. Het kan niet anders dan dat verdachte moet hebben geweten dat het geld in de auto afkomstig was uit de kluis, gelet op de volgende feiten en omstandigheden. Het in de auto aangetroffen geld kwam wat hoeveelheid, aard en samenstelling betreft overeen met het geld uit de kluis. Het werd in grote hoeveelheden aangetroffen, verspreid door de hele auto, buiten de auto langs de vluchtroute van verdachten en in de jaszak van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met een ander de kluis in de kofferbak van de auto heeft gelegd en dat deze kluis onderweg tijdens een stop is opengemaakt buiten de auto.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachtes verklaring over de gang van zaken die avond en zijn rol daarin kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. De discrepanties tussen de verklaring van verdachte en de onderzoeksbevindingen zijn van zodanige aard dat deze zich niet verdragen met een vergissing. De rechtbank acht de verklaring van verdachte als zodanig redengevend voor de bewezenverklaring.

- Overige bewijsoverwegingen

Uit de hierboven aangehaalde feiten en omstandigheden komt naar voren dat de inzittenden van de Ford Focus, waaronder verdachte, op 21 november 2024 bijzondere aandacht hadden voor Chinese restaurants, met name voor het Chinese restaurant ‘ [restaurant] ’ en voor de woning van de eigenaren van laatstgenoemd restaurant. De rechtbank overweegt dat dit lastig anders uit te leggen is dan dat dit een voorverkenning was voor de twee dagen later uitgevoerde woninginbraak waarbij de kluis werd buitgemaakt. Er was dus geen sprake van een gelegenheidsinbraak, maar van een goed voorbereide actie. De omstandigheid dat verdachte zowel tijdens deze voorverkenning als op de dag van de inbraak zelf met twee andere mannen samen was, duidt op een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de anderen gericht op de woninginbraak.

Gelet op de tijdlijn moet de inbraak in een kort tijdsbestek zijn gepleegd. Behalve de omstandigheid dat de woninginbraak twee dagen eerder goed is voorbereid, duidt ook de uitvoering ervan op een professionele aanpak. Alles vond plaats binnen korte tijd, waarin tevens de gestolen kluis werd geopend. Aangezien de kluis door verdachte en een mededader naar de auto is gebracht en in de auto is gezet, bestaat ook ten aanzien van dit onderdeel van de woninginbraak een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een mededader. Verder was verdachte in ieder geval bij het openen van de kluis aanwezig en is er geld afkomstig van de inbraak aangetroffen in zijn jas.

Verdachte heeft ontkend dat hij in de woning is geweest, maar er zijn wel schoensporen aangetroffen die qua maat en patroon passen bij de schoenen die hij droeg toen hij werd aangehouden. Of de schoensporen zijn gemaakt met de schoenen van verdachte kon niet worden vastgesteld. Ook als verdachte niet in de woning is geweest is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gelet op het voorgaande, als medepleger van de woninginbraak kan worden aangemerkt. De rechtbank acht feit 1 daarom wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals onder 4.4 weergegeven.

Feit 2

Omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 23 november 2024 de bestuurder van de Ford Focus was, ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene was die opzettelijk de schade aan de landbouwgrond heeft veroorzaakt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 23 november 2024 te [plaats 1]tezamen en in vereniging met anderen een kluis met inhoud (waaronder enig geld(bedrag)), die aan [aangeefster] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk omhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, alsmede een geldboete van € 8.000,- bij niet betaling te vervangen door 65 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte kan worden aangemerkt als een first offender. Verdachte heeft een baan en een jong gezin. Vanwege deze persoonlijke omstandigheden heeft de verdediging bepleit een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest. Verzocht is tevens om in strafverlagende zin rekening te houden met verdachtes proceshouding, nu hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn aandeel.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is samen met anderen betrokken geweest bij een woninginbraak waarbij een kluis met daarin veel geld is buitgemaakt. De woninginbraak was professioneel georganiseerd en uitgevoerd. Verdachte is immers twee dagen eerder met twee anderen vanuit Utrecht naar Zeeland gekomen om (de omgeving rondom) de woning en het restaurant van de bewoners te bekijken. De inbraak zelf werd vlot uitgevoerd en de buit was groot. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich enkel en alleen heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich niet heeft bekommerd om de slachtoffers. Vermogensdelicten als deze bezorgen de gedupeerden immers aanzienlijke (financiële) schade en overlast. Daarnaast maakt een woninginbraak een forse inbreuk op de privacy en de persoonlijke levenssfeer van de bewoners. Met het afleggen van een kennelijk leugenachtige verklaring heeft verdachte juist geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn rol bij dit feit, zodat van strafverlaging vanwege zijn proceshouding geen sprake kan zijn.

Uit het strafblad van verdachte van 6 januari 2026 blijkt dat hij naast dit feit alleen met justitie in aanraking is geweest in 2015, welke zaak destijds is geseponeerd.

Gelet op de hierboven beschreven ernst van het feit en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een geldboete.

7. Het beslag

Verbeurdverklaring

Alle voorwerpen op de beslaglijst, met uitzondering van het horloge van het merk Rado en de usb-stick, worden verbeurdverklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan.

Teruggave

Ten aanzien van het in beslag genomen horloge van het merk Rado wordt een last gegeven tot teruggave aan aangeefster zijnde deze degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Bewaren ten behoeve van de rechthebbende

Ten aanzien van de in beslag genomen usb-stick wordt de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende, omdat geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

Feit 1 – benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 15.900,- voor feit 1, waarvan € 12.900,- voor geleden materiële schade en € 3.000,- geleden immateriële schade.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring in de vordering voor wat betreft de materiële schade, nu er conservatoir beslag rust op het geld dat in het onderzoek is teruggevonden. Aangaande de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij ook voor deze schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

- Materiële schade

De benadeelde partij heeft in het schadeformulier aangegeven hoe hoog de materiële schade was en dat de verzekering een deel van deze schade heeft vergoed. Onduidelijk is echter op welke gestolen voorwerpen deze door het verzekering uitgekeerde schadebedrag ziet en op welke voorwerpen het resterende schadebedrag in de vordering nu nog ziet. Ook is onduidelijk welke waarde deze resterende voorwerpen vertegenwoordigen en of rekening is of moet worden gehouden met afschrijving indien deze voorwerpen geen geld betreffen. Verder onderzoek om deze onduidelijkheden op te helderen zou betekenen dat de strafzaak moet worden heropend en op een later moment weer op zitting moet worden gepland om dit onderdeel van de procedure verder te behandelen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit gedeelte van de vordering daarom een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- Immateriële schade

Bij de beoordeling van dit deel van de vordering is het volgende beoordelingskader van belang. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dat is onder meer het geval bij een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

In onderhavige zaak kan het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven niet worden vastgesteld. In de rechtspraak wordt terughoudend omgegaan met het aannemen van een aantasting ‘op andere wijze’ op basis van de aard en ernst van de normschending in het geval er sprake is van een woninginbraak. De rechtbank stelt daarbij vast dat de benadeelde partij ten tijde van de woninginbraak niet aanwezig was in de woning. Hoewel de rechtbank niet wil afdoen aan de – hiervoor ook in de strafmotivering tot uitdrukking gebrachte - gevolgen voor de benadeelde partij ziet de rechtbank onvoldoende grond om in onderhavige zaak tot toewijzing van immateriële schadevergoeding over te gaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Desgewenst kan de benadeelde partij de vordering aanbrengen bij de burgerlijk rechter.

- Overweging ten overvloede

Zoals opgenomen onder paragraaf 4.3.2 gaat de rechtbank ervan uit dat het in dit onderzoek in beslag genomen geldbedrag van € 20.829,06 afkomstig is van de woninginbraak en derhalve toebehoort aan de benadeelde partij, tevens aangeefster. Dit geldbedrag is gedurende het onderzoek niet aan haar geretourneerd, maar daarop is conservatoir beslag gelegd tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Nu de door de benadeelde partij ingediende vordering tot vergoeding van de materiële schade niet kon worden toegewezen en het conservatoir beslag derhalve niet zal worden aangewend tot verhaal in verband met een op te leggen schadevergoedingsmaatregel (en evenmin tot verhaal van een op te leggen geldboete), ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat het geldbedrag waar het conservatoir beslag op rust aan de benadeelde partij/aangeefster wordt geretourneerd.

Feit 2 – benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 500,- vanwege geleden materiële schade als gevolg van feit 2.

Het standpunt van de verdediging

Vanwege de bepleite vrijspraak voor feit 2 heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- Feit 1

- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële en immateriële schade en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- Feit 2

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3 tot en met 6 en 14 tot en met 19;

- gelast de teruggave aan [aangeefster] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten 1 STK Horloge, Rado, voorwerpnummer PL2000-2024301955-G2798250;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten 1 STK USB-stick (memorykaart), voorwerpnummer PL2000-2024301995-G2798283.

Dit vonnis is gewezen door N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, en mr. J. Bergen en

mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 4 maart 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaats 1]tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een kluis met inhoud (waaronder enig geld(bedrag)), in elk geval enig(e) goed(eren),dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander dan aan verdachteen/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk omhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/dieweg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebrachtdoor middel van braak, verbreking en/of inklimming;( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek vanStrafrecht )

2hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaats 2]tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenopzettelijk en wederrechtelijk een stuk landbouwgrond (met gezaaide bloemen), inelk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aaneen ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakten/of weggemaakt( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Bergen
  • mr. L.W. Boogert

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?