Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-234898-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S. van der Wilt-Withfield en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zo hard op de kaak van [aangever] heeft geslagen dat die kaak gebroken is, ten laste gelegd in twee verschillende juridische varianten.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Er is sprake van zwaar lichamelijk letsel en van opzet op het toebrengen daarvan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit en van zwaar lichamelijk letsel zodat een eenvoudige mishandeling resteert.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
- Is sprake van zwaar lichamelijk letsel?
Uit het dossier en uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding komt aangaande het letsel van aangever het volgende naar voren. De vuistslag die verdachte op aangevers kaak heeft gegeven heeft tot gevolg gehad dat zijn kaak op twee plaatsen is gebroken, te weten de onderkaak rechts en de kop van het kaakgewricht links. Er heeft op 19 augustus 2025 een operatie onder narcose plaatsgevonden waarbij aan de onderkaak rechts een plaatje is geplaatst om de fractuur te laten helen, en er onder en boven beugels met elastieken zijn geplaatst voor de breuk van de kaakkop. Daarna volgden diverse controles. Na de operatie heeft aangever twee weken niet kunnen werken en heeft hij veel pijn gehad. Daarna heeft hij drie weken halve dagen gewerkt. Ook heeft hij vijf weken vloeibaar moeten eten en vervolgens nog twee weken zacht voedsel alvorens hij weer normaal mocht gaan eten. Op 13 oktober 2025 zijn de beugels verwijderd en op 23 januari 2026 het plaatje. Dit laatste was zo pijnlijk dat hij daarna een dag niet kon werken. Door de spanning op de kaak heeft aangever kaak- en nekklachten gekregen waarvoor hij behandelingen bij een fysiotherapeut ondergaat. Daarnaast heeft aangever op 9 februari 2026 de kaakchirurg bezocht omdat hij last heeft van het ‘knappen’ van de kaakgewrichten; klachten die volgens de kaakchirurg passen bij semi-permanente discusluxatie van het kaakgewricht. Ten slotte is sprake van paresthesie, een stoornis in de gevoelssensatie van de huid, waarvan uit algemeen toegankelijke bron (internet) naar voren komt dat onduidelijk is hoe lang die stoornis duurt en dat het mogelijk is dat de klachten blijvend zijn.
Gelet op het voorgaande is er dus nog geen eindsituatie bereikt.
Gelet op de combinatie van de aard van het letsel, de noodzakelijke operatieve ingreep, het behandelvervolg van de breuken in de kaak, de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, het wekenlang niet normaal kunnen eten, de diverse gevolgklachten (klapkaak, nekklachten en paresthesie) en de omstandigheid dat na zes maanden nog geen medische eindsituatie is bereikt, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zwaar lichamelijk letsel.
- Is sprake van opzet op zwaar lichamelijk letsel?
Verdachte heeft verklaard dat hij aangever op zijn kaak heeft geslagen, dat hij niet hard sloeg en dat het niet zijn bedoeling was. De rechtbank begrijpt dat verdachte met dat laatste heeft bedoeld dat het niet zijn bedoeling was om aangever dit letsel toe te brengen. Aangever heeft verklaard dat hij – na eerdere confrontaties die avond met verdachte – van verdachte was weggelopen en op een muurtje ging zitten en dat verdachte naar hem toe kwam. Aangever stond op van het muurtje en toen verdachte recht voor hem stond, sloeg verdachte hem met gebalde vuist op zijn linkerkaak, aldus aangever. Ook een anonieme getuige heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte aangever een vuistslag op zijn kaak gaf.
De rechtbank is van oordeel dat uit het bovenstaande niet volgt dat bij verdachte sprake was van vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal daarom beoordelen of sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Het dossier bevat over de omstandigheden niet meer informatie dan hierboven uit de verklaringen van aangever, verdachte en de anonieme getuige naar voren is gekomen. Er wordt niets verklaard over de kracht waarmee werd geslagen of over andere omstandigheden die van belang zouden kunnen zijn bij de beoordeling of sprake was van voorwaardelijke opzet. Uit de aard van het letsel zou kunnen worden afgeleid dat zeker met enige kracht is geslagen, maar of dat zodanig krachtig was dat daarmee de aanmerkelijke kans bestond dat zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, is onduidelijk. Het dossier bevat een geluidsfragment van een deurbelcamera van die nacht rond 02:14 uur. Hierover is door een verbalisant gerelateerd dat twee seconden vanaf de start van het fragment een geluid is te horen dat hij omschrijft als een harde knal en dat hij een persoon heel hard 'ah' hoort roepen. De rechtbank overweegt dat op het genoemde tijdstip inderdaad een geluid te horen is, maar kan dit niet typeren als een harde knal en evenmin is duidelijk of dit het geluid van een vuistslag is. Op grond van de beelden en het geluid is niet vast te stellen met welke kracht verdachte heeft geslagen.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het primair ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Subsidiair
op 17 augustus 2025 te [plaats] , [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] tegen de kaak te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen wegens het primair tenlastegelegde:
- een gevangenisstraf van één dag,
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met uitzondering van het contactverbod, en
- een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.
In de strafeis heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de inhoud van het reclasseringsrapport. Omdat geen sprake is van (opzet op het toebrengen van) zwaar lichamelijk letsel dient een taakstraf als uitgangspunt te worden genomen.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
Verdachte heeft tijdens een dorpsevenement, zonder duidelijke reden en onder invloed van alcohol, aanhoudend de confrontatie gezocht met aangever en aangestuurd op een conflict. Nadat aangever wederom van verdachte was weggelopen, is verdachte naar hem toe gegaan en heeft hij aangever een vuistslag op zijn kaak gegeven. Verdachte heeft door zijn manier van handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Aangever heeft als gevolg van dit geweld twee fracturen opgelopen aan zijn kaak, waardoor hij geopereerd moest worden. Als gevolg van dit letsel aan zijn kaak zijn ook klachten ontstaan aan de tanden en de nek en ervaart aangever gevoelloosheid in de lip en kaak. Ook heeft hij sinds de behandelingen last van een klapkaak. Voor al deze klachten wordt aangever nog steeds behandeld, zodat een half jaar na het incident nog geen sprake is van een medische eindsituatie.
Het geweldsincident vond plaats op de openbare weg. Dit soort geweld veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij hen die daarvan getuige zijn.
De persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte van 6 januari 2026 blijkt dat hij niet eerder in contact is geweest met justitie.
Reclassering Nederland heeft in het adviesrapport van 27 januari 2026 onder meer het volgende naar voren gebracht. Verdachte is bekend met ODD (oppositioneel-opstandige gedragsstoornis), hetgeen zich uit in verhoogde reactiviteit in spanningsvolle situaties en in impulsiviteit. In het psychosociaal functioneren ziet de reclassering dan ook het grootste risico op recidive. De overige leefgebieden zijn stabiel, aldus de reclassering. In verband met het recidiverisico acht de reclassering het relevant dat verdachte het slachtoffer willekeurig heeft gekozen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld.
De reclassering heeft geconstateerd dat verdachte meewerkend is en dat hij verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan. Hij heeft een excuusbrief aan aangever geschreven. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:
Een meldplicht bij de reclassering
Deelname aan de gedragsinterventie agressiebeheersing
Een contactverbod met aangever
Meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wil meewerken aan deze voorwaarden.
Strafoplegging
Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan waar de officier van justitie in de strafeis vanuit is gegaan en gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zal de rechtbank geen gevangenisstraf opleggen, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk. Vanwege de ernst van het feit en gezien het adviesrapport van de reclassering acht de rechtbank een werkstraf van 120 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank acht het, gelet op hetgeen de reclassering over de persoon van verdachte naar voren heeft gebracht, noodzakelijk dat daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd met uitzondering van het contactverbod. De noodzaak daarvan is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 9.612,69, waarvan
€ 612,69 voor geleden materiële schade en € 9.000,- voor geleden immateriële schade.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vordering betreffende materiële schade niet betwist, met uitzondering van de gevorderde 50 euro in verband met een aan vrienden verstrekte voucher voor dat bedrag.
Gelet op de rollen van verdachte en aangever in het incident is de verdediging van mening dat toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- billijk is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen is dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
- Materiële schade
De door de benadeelde gevorderde vergoeding voor materiële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 562,69. Het toegewezen schadebedrag staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Dit is naar het oordeel van de rechtbank anders voor het gevorderde schadebedrag van 50 euro samenhangend met de aanschaf van een voucher die de benadeelde partij heeft gegeven aan zijn vrienden die hem die nacht hebben geholpen.
De rechtbank is van oordeel dat daarvoor voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering.
- Immateriële schade
De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van deze schadevergoeding aangevoerd welk letsel het bewezenverklaarde feit heeft veroorzaakt en welke behandeling en vervolgklachten dat tot gevolg heeft gehad, en in verband daarmee verwezen naar de zogenaamde Rotterdamse Schaal betreffende dat type letsel. Naar de rechtbank begrijpt vindt de vordering van de benadeelde partij aldus grondslag in het bepaalde van artikel 6:106 lid 1 en aanhef onder b van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in de persoon is aangetast.
Gelet op de onderbouwing van de vordering betreffende het letsel, de behandeling en de vervolgklachten, in relatie tot de genoemde bedragen voor dergelijk letsel in de Rotterdamse schaal en in aanmerking genomen dat nog geen sprake is van een medische eindsituatie, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. De rechtbank zal de vordering aangaande de immateriële schade daarom in zijn geheel toewijzen.
- Totaal
De rechtbank zal de vordering gelet op het voorgaande toewijzen tot een bedrag van
€ 9.562,69
- Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen per datum van het vonnis.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Subsidiair: Mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, subsidiair 60 (zestig) dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 (veertig) uren, subsidiair 20 (twintig) dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd persoonlijk of telefonisch meldt om een afspraak te maken bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33, 4337 EA te Middelburg, telefoonnummer 088-8041505. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie I-Respect van de
reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van € 9.562,69 (negenduizendvijfhonderdtweeënzestig euro en negenenzestig cent), waarvan € 562,69 (vijfhonderdtweeënzestig euro en negenenzestig cent) aan materiële schade en € 9.000,- (negenduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de datum van het vonnis, te weten 4 maart 2026;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangever] € 9.562,69 (negenduizendvijfhonderdtweeënzestig euro en negenenzestig cent) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 72 (tweeënzeventig) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter,
en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 4 maart 2026.
De voorzitter /oudste rechter /jongste rechter /griffier is /zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te tekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te [plaats] , althans inNederland, aan een ander, te weten [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letselheeft toegebracht, door die [aangever] (meermalen) tegen de kaak, althans tegen hetgezicht/hoofd, te slaan en/of te stompen en/of te stoten;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te [plaats] , althans inNederland, [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] (meermalen) tegen de kaak,althans tegen het gezicht/hoofd, te slaan en/of te stompen en/of te stoten, terwijlhet feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )