Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-389178-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw: mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een geldbedrag van € 119.003,50 heeft verduisterd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Op basis daarvan kan het door verdachte toegeëigende geldbedrag worden vastgesteld op € 108.219,30.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen, maar heeft wel opmerkingen geplaatst over de hoogte van het toegeëigende geldbedrag. Zij refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.
Verdachte was met ingang van 1 januari 2023 door zijn oom [aangever] (hierna aangever of [aangever] ) gemachtigd hem te helpen met zijn bankzaken en is daarom als mede-rekeninghouder aan diens en/of-rekening toegevoegd. In de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 september 2024 is er een bedrag van in totaal € 101.680,71 overgemaakt van de bankrekening van [aangever] naar de bankrekening van verdachte. Hiervan heeft verdachte
€ 1.364,- teruggestort op de bankrekening van [aangever] . Voorts is er in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 7.204,20 afgeschreven van de bankrekening van aangever voor het gebruik van zijn creditcard, is er een totaalbedrag van € 10.620,- euro gepind bij diverse geldmaatautomaten in Oosterhout en Breda en is er in meerdere winkels en tankstations een totaalbedrag van € 862,59 gepind.
Aangever heeft - kort samengevat - verklaard dat hij verdachte geen toestemming heeft gegeven om het geld van aangever voor eigen doeleinden te gebruiken. Aangever heeft ook geen lening verstrekt aan verdachte. Aangever pinde ongeveer wekelijks bescheiden contante geldbedragen bij een in de buurt van zijn woning gelegen geldautomaat, betaalde per pin bij een boekenwinkel voor zijn dagelijkse krant en bij Albert Heijn in Oosterhout. Verder kwam hij nergens.
Verdachte erkent dat hij ongeveer € 19.000,- van zijn oom heeft verduisterd, maar betwist de hoogte van het bedrag zoals ten laste is gelegd. Zo zou hij voor sommige geldopnames, betalingen bij tankstations en andere uitgaven toestemming van zijn oom hebben gekregen of waren deze uitgaven voor zijn oom bedoeld. Een deel van de overschrijvingen van aangever naar verdachte zou een aan verdachte verstrekte lening betreffen.
De rechtbank acht deze verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Bovendien wijkt zijn ter zitting afgelegde verklaring op belangrijke onderdelen af van hetgeen hij bij de politie heeft verklaard. Daarbij is aan verdachte herhaaldelijk de kans geboden zijn standpunten te onderbouwen, bijvoorbeeld met bescheiden. Verdachte heeft dit echter nagelaten. Voor zover er sprake zou zijn van een alternatief scenario is dit dus niet aannemelijk geworden, omdat elke onderbouwing onderbreekt.
De rechtbank zal bij de bewezenverklaring dan ook uitgaan van hetgeen aangever heeft verklaard. Deze verklaring wordt bovendien ondersteund door de in het dossier aanwezige bankafschriften en getuigenverklaringen.
Dit betekent dat verdachte een groter geldbedrag heeft verduisterd dan dat hij heeft bekend. De rechtbank acht bewezen dat verdachte € 108.219,30 heeft verduisterd. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:
girale stortingen:
- Een bedrag van € 101.680,71 is van de rekening van aangever naar de rekening van verdachte overgemaakt, waarvan € 1.364,- terug is geboekt naar de bankrekening van aangever. Verdachte heeft hiermee een bedrag van € 100.316,71 verduisterd.
contante opnames:
- Een bedrag van € 10.620,- is bij diverse geldautomaten contant opgenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de kleine geldopnames en de wekelijkse opname van
€ 70,- door aangever zelf zijn gedaan. De rechtbank heeft deze bedragen afgetrokken van het geheel aan contante opnames, waardoor een bedrag van
€ 7.040,- resteert.
pintransacties:
- Een bedrag van € 862,59 is middels pintransacties in onder meer winkels en tankstations betaald. Aangever heeft verklaard dat hij deze betalingen niet heeft gedaan, hij beschikte al tien jaar niet over een auto en verdachte heeft ook over deze pintransacties wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd.
creditcard:
- De creditcardbetalingen die zijn opgenomen in het ten laste gelegde bedrag zijn niet nader gespecifieerd en de rechtbank kan ook anderszins niet uit het dossier opmaken waar deze betrekking op hebben. De rechtbank acht verduistering van de met de creditcard van aangever betaalde bedragen dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.
Gelet op bovenstaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2023 tot en met 16 september 2024 een bedrag van in totaal € 108.219,30 dat aan aangever toebehoorde heeft verduisterd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
in de periode van 1 januari 2023 tot en met 16 september 2024 te Breda opzettelijk een geldbedrag ter hoogte van € 108.219,30 toebehorende aan [aangever] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als mede-rekeninghouder van een en/of-rekening, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de eis van de officier van justitie te matigen waarbij een maximale werkstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf als passend kunnen worden beschouwd.
Het oordeel van de rechtbank
[aangever] , de oom van verdachte, was bijna tachtig jaar en digitaal kwetsbaar. Hij stelde een groot vertrouwen in verdachte, zijn neef, en heeft zijn bankrekeningen mede op naam van verdachte gesteld: het was de bedoeling dat verdachte zijn oom zou kunnen helpen met zijn bankzaken. Verdachte heeft dat vertrouwen op nietsontziende wijze misbruikt. Vrijwel direct na de wijziging van de tenaamstelling is verdachte begonnen met het overboeken van grote bedragen van de rekening van aangever naar zijn eigen rekening. Daarbij heeft hij ruim anderhalf jaar lang keer op keer de keuze gemaakt om zichzelf te verrijken ten koste van zijn oom, voor in totaal ten minste € 108.219,30. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte dat geld vrijwel volledig in riskante cryptobeleggingen heeft geïnvesteerd en heeft verloren. Verdachte ontkent nog altijd dat hij een (crypto)verslavingsprobleem heeft en noemde het op zitting een buitensporige hobby.
Aangever had uiteindelijk door toedoen van verdachte niets meer. Hij kreeg te maken met deurwaarders, kon zijn dagelijkse krantje niet meer kopen, had geen geld meer om te eten en automatische incasso’s konden niet meer worden uitgevoerd. Daardoor dreigde aangever afgesloten te worden van energievoorzieningen en zijn huis te verliezen. Aangever zag er steeds slechter uit en zag het leven niet meer zitten. Het is aan de buren van aangever te danken geweest dat het uiteindelijk zo ver niet is gekomen. Zij hebben hem geld geleend om eten te kunnen kopen en zij hebben hulpverlening voor hem ingeschakeld. Aangever heeft niet kunnen genieten van zijn laatste levensfase. Hij is berooid en gedesillusioneerd gestorven voordat deze strafzaak tot een einde is gekomen.
Verdachte heeft zijn oom - en anderen - maandenlang aan het lijntje gehouden met onwaarheden en zelf gefabriceerde stukken, zoals een ‘leningovereenkomst’ en een ‘overboekingsbewijs’. Al die tijd wist hij dat zijn oom de rekeningen niet meer kon betalen.
Nadat zijn oom uiteindelijk aangifte had gedaan, heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd, kennelijk om de consequenties van zijn handelen te voorkomen of beperken.
De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude en heeft de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in het nadeel van verdachte meegewogen. Alleen een gevangenisstraf doet recht aan de ernst van het feit. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op het artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
verduistering
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid mr. A.C. Bles, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 5 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2023 tot en met 16
september 2024 te Breda althans in Nederland
opzettelijk
een geldbedrag ter hoogte van €119.003,50 althans een of meerdere geldbedragen,
in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of
anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten
als mede-rekeninghouder van een en/of-rekening,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht )