Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.009491.25
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman: mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. C. Wiegant en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op 7 januari 2025 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling;
feit 2: op 8 november 2024 [slachtoffer 3] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling;
feit 3: zich op 24 juli 2024 schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift jegens [slachtoffer 4] ;
feit 4: zich op 31 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift jegens [slachtoffer 3] ;
feit 5: op 26 maart 2025 medewerkers van en betrokkenen bij de [basisschool] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling dan wel dat verdachte heeft geprobeerd hen te dwingen iets te doen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de aangiftes, getuigenverklaringen en de (gedeeltelijk) bekennende verklaring van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring van feit 1 en 2 aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 3 en feit 4. Hoewel verdachte diverse aantijgingen heeft gedaan, wordt er niet voldaan aan het bestanddeel ‘ruchtbaarheid geven aan’. Daarnaast is er geen sprake van ‘rationeel smaadgedrag’ en dient het gedrag te worden bezien vanuit de psychische ontregeling van verdachte. Zodoende dient verdachte te worden vrijgesproken van deze feiten. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 5, met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de medewerkers en betrokkenen van de basisschool. Van dit gedeelte moet verdachte worden vrijgesproken. Daarnaast dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 5, voor zover de verdenking ziet op de bedreiging van de basisschool.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 – bedreiging van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1]
Nu verdachte het ten laste gelegde feit ter zitting heeft bekend en door zijn raadsman hiervoor geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen:
- de aangifte van [slachtoffer 6] namens [slachtoffer 1] van 8 januari 2025;
- de aangifte van [slachtoffer 2] van 20 januari 2025;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 20 februari 2026.
Feit 2 – bedreiging van [slachtoffer 3]
Nu verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend bij de politie en door zijn raadsman hiervoor geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen:
- de aangifte van [slachtoffer 3] van 8 november 2024;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 20 februari 2026.
Feiten 3 en 4 – smaadschrift jegens [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 24 juli 2024 een e-mailbericht heeft verzonden aan diverse instanties, bestaande uit onder meer GGZ West-Noord-Brabant, Brabantslandschap, BIG-register en Grenspark. De inhoud van dit e-mailbericht komt er, kort gezegd, op neer dat [slachtoffer 4] de gevangenis in gaat wegens een poging moord op verdachte.
Tevens volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte op 31 augustus 2024 een e-mailbericht heeft gestuurd aan verschillende personen en instanties met daarin, kort gezegd, de uitlating dat [slachtoffer 3] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering, diefstal, computervredebreuk, vernieling en het doen van een valse aangifte.
Voor de conclusie dat er met deze uitlatingen sprake is van ‘smaadschrift’ moet aan een aantal vereisten worden voldaan, waaronder het vereiste “ruchtbaarheid geven”.
Ruchtbaarheid geven
Vereist is dat vast komt te staan dat verdachte de kennelijke bedoeling heeft gehad om aan het door hem ten laste gelegde feit ruchtbaarheid te geven. Onder “ruchtbaarheid geven” als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig publiek is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake, gelet op de wijze waarop verdachte de uitlatingen heeft gedaan en de veelheid aan personen en instanties aan wie hij de uitlatingen heeft meegedeeld. De e-mailberichten heeft hij naar een grote groep derden gestuurd. Volgens de verdediging werden de e-mailberichten verzonden aan zorginstellingen die bekend waren met de psychische problematiek van verdachte, dan wel aan professionele partijen die geen enkele negatieve connotatie zouden kunnen leggen in de eer van een persoon, zonder de aantijging uit een rechterlijke uitspraak te vernemen. De rechtbank stelt echter vast dat verdachte zich bij het versturen van dergelijke e-mailberichten niet heeft beperkt tot direct betrokkenen. Verdachte heeft zijn e-mailberichten gestuurd naar een dermate grote groep personen en instanties dat daarmee feitelijk sprake is van het ter kennis brengen aan een breed publiek. Bovendien had verdachte door het sturen van deze e-mailberichten naar algemene mailadressen van instanties ook geen zicht op wie de e-mailberichten (konden) lezen.
De rechtbank gaat niet mee in de opmerking van de raadsman dat de uitlatingen zo absurd zouden zijn dat niemand het gelooft. De uitlatingen bevatten duidelijk te onderkennen concrete gedragingen en wijzen daarbij in de richting van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] .
Uit de inhoud van de uitlatingen en de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het opzet van verdachte gericht is geweest op de aanranding van de eer en goede naam van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.
Feit 5 – bedreiging [basisschool] en [slachtoffer 5]
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 26 maart 2025 belde verdachte naar [basisschool] . Hij eiste een persconferentie bij BN de Stem om iedereen te informeren en als dat niet zou gebeuren voegde hij het volgende toe: “Jullie kennen toch wel de naam [naam 1] uit [plaats] , dat zegt jullie wel wat toch?”. Gedurende het telefoongesprek heeft verdachte de naam van [naam 1] meermaals genoemd.
Verder volgt uit de verklaring van [slachtoffer 5] , maatwerkfunctionaris van de gemeente Bergen op Zoom, dat verdachte haar een bericht had verstuurd waarin hij [naam 1] noemde. In de door [slachtoffer 5] aangeleverde screenshots van de gesprekken met verdachte staat het volgende: “Regel vandaag een persconferentie over wat voor verschrikkelijks mij is aangedaan. Remember [naam 1] . Ik bel nu een basisschool of ik daar moet slaan." Verdachte heeft dit ter zitting ook bekend.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of deze uitlatingen gezien moeten worden als een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in artikel 285 Sr. Van belang daarbij is of de redelijke vrees kan ontstaan dat door verdachte een misdrijf zou worden gepleegd dat tegen het leven van de bedreigden is gericht. Daarvoor is niet vereist dat er werkelijk vrees is opgewekt bij de bedreigden. Voldoende is dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.
De rechtbank stelt vast dat de naam [naam 1] herhaaldelijk door verdachte is genoemd. Door deze naam op zo’n specifieke wijze te noemen, in de omgeving waar hij destijds is vermoord, kan het niet anders dan dat verdachte daarmee vrees wilde aanjagen bij degenen tot wie hij zich richtte. Verdachte is zich dan ook bewust geweest van de gevolgen die het noemen van deze naam met zich meebrengt.
De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder en de wijze waarop verdachte zijn uitlatingen heeft gedaan, op dat moment bij de betrokkenen objectief gezien een reële angst kon ontstaan dat verdachte zijn dreigementen zou uitvoeren. De rechtbank acht derhalve de ten laste gelegde bedreigingen bewezen.
Op grond van bovenstaande acht de rechtbank het onder 5 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Voor zover de tenlastelegging ziet op het derde gedachtestreepje te weten ‘En nu gaat u vandaag onze volledige, maar criminele eenzijdige, WhatsApp communicatie aan de burgemeester tonen!!! Ik wil rechtvaardigheid en ik ga winnen’, zal verdachte daarvan worden vrijgesproken, nu deze uitlating niet als een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr kan worden aangemerkt.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op meerdere tijdstippen op 7 januari 2025 te Bergen op Zoom, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- ten overstaan van " [medewerker GGZ 1] " (medewerker GGZ), die [slachtoffer 1] via een telefoongesprek dreigend de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft toegevoegd "Ik kom naar jullie toe met een mes naar meneer [slachtoffer 1] " en
- ten overstaan van " [medewerker GGZ 2] " (medewerker GGZ), die [slachtoffer 1] via een (Whatsapp)bericht dreigend de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft toegevoegd "Als politie Team Recherche niet binnen 20 min. belt ga ik met een mes naar [slachtoffer 1] !!!" en
- ten overstaan van " [medewerker GGZ 3] " (medewerker GGZ), die [slachtoffer 1] via een voicemailbericht dreigend de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft toegevoegd: "Ik heb [slachtoffer 1] weer gebeld. Of psychose of schizofrenie spectrum is. Hij geeft geen antwoord. Of ik, met een mes, met een taxi, naar de GGZ moet, om wraak te nemen." en
- die [slachtoffer 2] telefonisch de woorden "Dan kom ik jou ook neersteken met mijn mes, [slachtoffer 2] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen;
feit 2
op 8 november 2024 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- ten overstaan van " [medewerker ziekenhuis] " (medewerker Jeroen Bosch Ziekenhuis), die [slachtoffer 3] via een telefoongesprek dreigend de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen - zakelijk weergegeven - "dat hij [slachtoffer 3] ging vermoorden en ook haar kinderen, ouders en de rest van de familie";
feit 3
op 24 juli 2024 te Roosendaal, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid door
- een mail te sturen -zakelijk weergegeven- aan diverse mailadressen van GGZ WNB en Brabantslandschap en BIG-register en IGJ en Grenspark en V&VN-SPV, en hen -zakelijk weergegeven- mede te delen dat die [slachtoffer 4] de gevangenis in gaat voor poging moord op hem, verdachte,
feit 4
op 31 augustus 2024 te Roosendaal, opzettelijk, de eer of de goede naam van [slachtoffer 3] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door
- een mail te sturen -zakelijk weergegeven- aan de Procureur-Generaal van de Hoge Raad en de Hoge Raad en Langstraat Media en Inspectie J&V en het Openbaar Ministerie en Kansrijk Elshout en Zorg- en Veiligheidshuis de Markiezaten en Mensenrechten.nl en de Rechtspraak en Huisartsencooperatie West-Brabant en hen -zakelijk weergegeven- mede te delen dat die [slachtoffer 3] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en diefstal en computervredebreuk en vernieling en het doen van valse aangifte
feit 5
op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 26 maart 2025 te Bergen op Zoom, medewerkers en alle betrokkenen van/bij de [basisschool] en [slachtoffer 5] (medewerker van de gemeente Bergen op Zoom) meermalen, althans eenmaal heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die medewerkers van de [basisschool] en/of die [slachtoffer 5] via telefoon en/of meerdere WhatsApp berichten dreigend de woorden toe te voegen:
- " Regel vandaag een persconferentie bij BN de Stem om iedereen te informeren... en als niet gebeurt, jullie kennen toch wel de naam [naam 1] uit [plaats] , dat zegt jullie wel wat toch? en
- " Regel vandaag een persconferentie over wat voor verschrikkelijks mij is aangedaan. Remember [naam 1] . Ik bel nu een basisschool of ik daar moet staan.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
De strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. Hij stelt dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de feiten niet aan verdachte toe te rekenen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van [psychiater] en [GZ-psycholoog] van 28 november 2025 en de reclasseringsrapportage van 2 februari 2026.
Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis en autismespectrumstoornis. Ook hebben beiden gerapporteerd dat beide stoornissen ten tijde van het plegen van de feiten aanwezig waren. Als gevolg van zijn stoornissen is verdachte volledig gepreoccupeerd met onrecht dat hem en anderen zou worden aangedaan en dat maakt hem toenemend wanhopig. Dit thema beheerste zijn leven volledig. Verdachte is volstrekt overtuigd van de correctheid van zijn zienswijze en meent dat de tenlastelegging leugenachtig is. Daarnaast was het voor hem ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet mogelijk om vanuit zijn vrije wil gedragskeuzes te maken. Beide gedragsdeskundigen adviseren daarom om verdachte de ten laste gelegde feiten niet toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een gemotiveerde onderbouwing. De conclusies van de gedragsdeskundigen over de toerekenbaarheid van de feiten neemt de rechtbank daarom over. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte ontoerekeningsvatbaar verklaren voor de door hem gepleegde feiten en verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ontslag van alle rechtsvervolging, met oplegging aan verdachte van de maatregel ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel) en wijst daarbij op de onder 5.2.3 vermelde deskundigenrapportages. De officier van justitie vordert voorts deze tbs-maatregel te maximeren tot vier jaren. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte de maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft nadrukkelijk verzocht geen tbs-maatregel aan verdachte op te leggen. Mocht de rechtbank deze maatregel toch opleggen, dan dient deze gemaximeerd te worden tot 4 jaar.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen en tweemaal aan smaadschrift. Al deze strafbare feiten komen voort uit machteloosheid en frustratie, maar ook uit de psychische stoornissen van verdachte. Hoewel verdachte enkel woordelijke bedreigingen heeft geuit, bestaat de vrees dat hij op enig moment wel daad bij woord zal voegen. Daarnaast heeft verdachte verschillende uitlatingen, geadresseerd aan diverse personen en instanties, gedaan die niet alleen beledigend zijn voor de slachtoffers, ook zijn de slachtoffers door de verspreiding van die berichten bij het publiek in een ongunstig daglicht gesteld. Hierdoor zijn zij in hun eer en goede naam aangetast. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen dan ook kwalijk.
In deze zaak komt de rechtbank aan het opleggen van een straf niet toe, omdat de rechtbank met de officier van justitie van oordeel is dat verdachte vanwege zijn toestand in het kader van zijn stoornissen geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Een dader die geen verwijt kan worden gemaakt van het handelen kan niet worden bestraft voor dat handelen. Dit doet echter niet af aan de ernst van hetgeen zich heeft voorgedaan.
De vraag is aan de orde of aan verdachte de tbs-maatregel moet worden opgelegd en zo ja, in welke vorm.
Gedragsdeskundigen over recidiverisico
Zowel de psychiater als de psycholoog schatten het risico op recidive in als hoog tot zeer hoog. Verdachte is gediagnosticeerd met autisme en een andere gespecificeerde schizofrenie spectrum of andere psychotische stoornis. Verdachte is chronisch psychotisch en handelt vanuit een psychotische, niet realistische, belevingswereld. Beide stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het gedrag van verdachte werd volledig bepaald vanuit de stoornissen, waardoor hij niet in staat was de strafbaarheid van zijn gedrag in te zien. Wanneer deze stoornissen niet behandeld worden zal verdachte tot (strafrechtelijk) grensoverschrijdend gedrag blijven komen.
Gedragsdeskundigen over behandelkader
Gezien de langdurige, therapieresistente wanen, terugkerende psychotische klachten, het structurele gebrek aan probleeminzicht, terugkerend en oplopend grensoverschrijdend gedrag van verdachte en het falen van herhaalde (vrijwillige en gedwongen) civiele zorgtrajecten, is een gesloten, minimaal hoog beveiligde klinische behandeling onder dwang noodzakelijk. Binnen een dergelijk kader kan gericht gewerkt worden aan verdermedicamenteus beleid, psycho-educatie en behandeling gericht op zijn autismespectrumstoornis, psychotische problematiek, coping- en emotieregulatie, het bevorderen van ziekte-inzicht en gedragsbeheersing. Deze behandeling is enkel te realiseren binnen het juridisch kader van een tbs-oplegging met dwangverpleging.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 2 februari 2026, waaruit kan worden afgeleid dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. De reclassering adviseert dan ook negatief over tbs met voorwaarden en sluit zich aan bij de adviezen van de gedragsdeskundigen. Daarnaast adviseert de reclassering om bij een veroordeling een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen, omdat het verdachte ontbreekt aan ziektebesef en probleeminzicht en dit in de toekomst een belemmering kan vormen voor zijn houding ten aanzien van behandeling en begeleiding.
Tbs-maatregel
De rechtbank verenigt zich met de conclusies en het advies van de deskundigen en de reclassering en maakt deze tot de hare. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en ook nog steeds bestaat. Uit de rapportages leidt de rechtbank ook af dat die stoornis een hoog tot zeer hoog recidiverisico met zich brengt en dat langdurige en intensieve behandeling van verdachte noodzakelijk is om het recidiverisico te verminderen.
Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan, omdat ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de feiten onder 1, 2 en 5 (primair) misdrijven betreffen als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist bovendien het opleggen van de tbs-maatregel. Daartoe is wat de deskundigen naar voren hebben gebracht over de stoornissen van verdachte en hoe die hebben bijgedragen aan de feiten, redengevend. Het risico op herhaling is groot en het is daarom onverantwoord om verdachte onbehandeld te laten terugkeren in de maatschappij.
Ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit wordt voldaan. De deskundigen hebben gemotiveerd uiteengezet waarom een civielrechtelijk kader (op basis van artikel 2.3 Wet forensische zorg in combinatie met de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) en het kader van bijzondere voorwaarden niet volstaan om het hoge recidiverisico naar aanvaardbare proporties terug te brengen. Voor de laatst genoemde optie (behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden) geldt daarbij dat deze juridisch sowieso geen optie is bij een ontslag van alle rechtsvervolging. Zodoende resteert enkel de oplegging van een tbs-maatregel. De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek van verdachte het benodigde beveiligingsniveau, en zijn gebrek aan ziektebesef en zieke-inzicht dwangverpleging noodzakelijk. De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en bevelen dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Duur van de tbs-maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr, gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaren niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (een zogenoemd geweldsmisdrijf).
Bedreiging kan niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat kan onder omstandigheden anders zijn. Uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie kan worden afgeleid dat daarbij sprake dient te zijn van fysiek gedrag met een zekere geweldscomponent die gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.
In deze zaak zijn er enkel verbale en schriftelijke bedreigingen geuit. Van fysiek geweld door verdachte is in deze zaak geen sprake. Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake was van een misdrijf dat gericht was tegen, of gevaar veroorzaakte voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, Sr. Hieruit volgt dat er in de onderhavige zaak sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling en dat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar niet te boven mag gaan.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank is van oordeel dat het voorkomen van recidive in deze zaak van groot belang is. Hieraan kan oplegging van een maatregel tot vrijheidsbeperking en gedragsbeïnvloeding als bedoeld in artikel 38z Sr bijdragen. Deze maatregel houdt in dat de verdachte zich na de tbs-maatregel aan vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen dient te houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht van de reclassering, zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. De tbs-maatregel wordt gelast en de oplegging van de maatregel is in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. Ook na afloop van de tbs-maatregel kan de noodzaak voor die maatregel nog bestaan, zeker nu de deskundigen stellen dat een langdurige behandeling noodzakelijk is en sprake is van een gemaximeerde tbs. De rechtbank zal de maatregel daarom opleggen.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 1.000, - voor feiten 2 en 4.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank volledig toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werd gepleegd, te weten 31 augustus 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
[basisschool]
De benadeelde partij [basisschool] vordert een schadevergoeding van € 1.829,90 voor feit 5.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde vergoeding van materiële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 471,90, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering van materiële schade voor het overige afwijzen, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 38z, 57, 261 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3: smaadschrift;
feit 4: smaadschrift;
feit 5 primair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte niet strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Maatregel
- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;
- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 3]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 1.000, -, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , € 1.000, - te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[basisschool]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [basisschool] van € 471,90 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [basisschool] , € 471,90 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 4 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en mr. P.A.M. Wijffels en mr. J.F.C. Janssen[jw.sys.1.bijzitter2_strafzitting], rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis[jw.sys.1.griffier_strafzitting], griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 maart 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 7 januari 2024 te Bergen op
Zoom, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- ten overstaan van " [medewerker GGZ 1] " (medewerker GGZ), die [slachtoffer 1] via een
telefoongesprek dreigend de volgende woorden, althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking, heeft toegevoegd "Ik kom naar jullie toe met een mes
naar meneer [slachtoffer 1] " en/of
- ten overstaan van " [medewerker GGZ 2] " (medewerker GGZ), die [slachtoffer 1] via een
(Whatsapp)bericht dreigend de volgende woorden,althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking, heeft toegevoegd "Als politie Team Recherche niet
binnen 20 min. belt ga ik met een mes naar [slachtoffer 1]
!!!" en/of
- ten overstaan van " [medewerker GGZ 3] " (medewerker GGZ), die [slachtoffer 1] via een
voicemailbericht dreigend de volgende woorden, , althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking, heeft toegevoegd: "Ik heb [slachtoffer 1] weer
gebeld. Of psychose of schizofrenie spectrum is. Hij geeft geen antwoord. Of ik, met
een mes, met een taxi, naar de GGZ moet, om wraak te nemen." en/of
- die [slachtoffer 2] telefonisch de woorden "Dan kom ik jou ook neersteken met mijn mes,
[slachtoffer 2] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom
[slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- ten overstaan van " [medewerker ziekenhuis] " (medewerker Jeroen Bosch Ziekenhuis), die
[slachtoffer 3] via een telefoongesprek dreigend de volgende woorden, althans woorden
van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen - zakelijk weergegeven - "dat
hij [slachtoffer 3] ging vermoorden en ook haar kinderen, ouders en de rest van de
familie";
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Roosendaal, althans in Nederland, opzettelijk,
de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 4] heeft aangerand,
door tenlastelegging van een bepaald feit,
met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,
door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld
of aangeslagen en/of
door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht,
door
- een mail te sturen -zakelijk weergegeven- aan diverse mailadressen van GGZ WNB
en/of Brabantslandschap en/of BIG-register en/of IGJ en/of Grenspark en/of
V&VN-SPV, en hen -zakelijk weergegeven- mede te delen dat die [slachtoffer 4] de
gevangenis in gaat voor poging moord op hem ,verdachte,
(art 261 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
4
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Roosendaal, althans in Nederland,
opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 3] heeft aangerand,
door tenlastelegging van een bepaald feit,
met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,
door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld
of aangeslagen en/of
door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht,
door
- een mail te sturen -zakelijk weergegeven- aan de Procureur-Generaal van de Hoge
Raad en/of de Hoge Raad en/of Langstraat Media en/of Inspectie J&V en/of het
Openbaar Ministerie en/of Kansrijk Elshout en/of Zorg- en Veiligheidshuis de
Markiezaten en/of Mensenrechten.nl en/of de Rechspraak en/of
Huisartsencooperatie West-Brabant en hen -zakelijk weergegeven- mede te delen
dat die [slachtoffer 3] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en/of diefstal en/of
computervredebreuk en/of vernieling en/of het doen van valse aangifte
(art 261 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
5
hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 26 maart 2025 te Bergen op
Zoom, een of meer medewerkers en/of alle betrokkenen van/bij de [basisschool]
en/of [slachtoffer 5] (medewerker van de gemeente
Bergen op Zoom) meermalen, althans eenmaal heeft bedreigd met enig misdrijf
tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die medewerkers van de [basisschool] en/of die
[slachtoffer 5] via telefoon en/of meerdere WhatsApp berichten dreigend de woorden
toe te voegen:
- " Regel vandaag een persconferentie bij BN de Stem om iedereen te informeren...
en als niet gebeurt, jullie kennen toch wel de naam [naam 1] uit
[plaats] , dat zegt jullie wel wat toch? en/of
- " En nu gaat u vandaag onze volledige, maar criminele eenzijdige, WhatsApp
communicatie aan de burgemeester tonen!!! Ik wil rechtvaardigheid en ik ga
winnen!"
- " Regel vandaag een persconferentie over wat voor verschrikkelijks mij is
aangedaan. Remember [naam 1] . Ik bel nu een basisschool of ik daar moet
staan.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 26 maart 2025 te Bergen op
Zoom, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om een ander, te weten een of
meer medewerkers van de [basisschool] en/of [slachtoffer 5]
(medewerker van de gemeente Bergen op Zoom) meermalen, althans
eenmaal door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met
geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen
derden, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten aan die medewerkers van
de basisschool en/of die [slachtoffer 5]
- via WhatsApp en/of telefonisch een of meer berichten heeft overgebracht,
waaronder
- " Regel vandaag een persconferentie bij BN de Stem om iedereen te informeren...
en als niet gebeurt, jullie kennen toch wel de naam [naam 1] uit
[plaats] , dat zegt jullie wel wat toch? en/of
- " En nu gaat u vandaag onze volledige, maar criminele eenzijdige, WhatsApp
communicatie aan de burgemeester tonen!!! Ik wil rechtvaardigheid en ik ga
winnen!"
- " Regel vandaag een persconferentie over wat voor verschrikkelijks mij is
aangedaan. Remember [naam 1] . Ik bel nu een basisschool of ik daar moet
slaan.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)