Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-251280-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven op het [adres 1] ,
raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 5 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een hamer en met zijn vuist meermalen in het gezicht en/of op het lichaam van aangever te slaan. Subsidiair is dit tenlastegelegd als mishandeling.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor het primair tenlastegelegde, nu verdachte bewust niet met de hamer in het gezicht van aangever heeft geslagen, maar alleen op de schenen. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaat dat op 5 augustus 2024 de voertuigen waar verdachte en aangever in reden op een rotonde bijna met elkaar in botsing zijn gekomen. Verdachte is naar aanleiding hiervan aangever gevolgd naar het huis van diens moeder aan [adres 2] .
Daar aangekomen kreeg de vriendin van verdachte door geweld van aangever een bloedneus. Hierna heeft verdachte zijn auto met vriendin erin een eindje verderop neergezet en is met een hamer in de hand richting van aangever gelopen. Vervolgens heeft er een geweldsincident plaatsgevonden tussen verdachte en aangever.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht en zo ja, of dit kan worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling.
Verdachte betwist niet dat hij op aangever is afgelopen, hem met zijn vuist en klap in zijn gezicht heeft gegeven en hem op zijn schenen heeft geslagen met de hamer. Hij stelt daarbij aangever bewust niet met de hamer in zijn gezicht te hebben geslagen. Tegenover deze verklaring van verdachte staan de verklaringen van aangever en getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte aangever met zijn vuist en meermalen met een hamer heeft geslagen. Ten aanzien van het slaan met de hamer in het gezicht van aangever, verklaart aangever dat hij op de grond lag en op verschillende plekken met de hamer is geslagen. Hij verklaart daarbij dat hij geraakt werd door de hamer bij zijn linkeroog. [getuige 3] verklaart dat verdachte ook in de richting van het hoofd van aangever sloeg en getuige [getuige 1] verklaart dat het hoofd van aangever daadwerkelijk geraakt werd. De rechtbank ziet geen reden de twijfelen aan de verklaringen van aangever en de getuigen, mede gezien het geconstateerde letsel in het gezicht, op de benen en de arm van aangever, en is van oordeel dat verdachte met een vuist in het gezicht van aangever heeft geslagen en in ieder geval een keer met een hamer in het gezicht en meerdere keren met de hamer op de schenen van aangever heeft geslagen.
Beoordeeld moet worden of verdachte zich met dit handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Daarvoor is op zijn minst voorwaardelijk opzet vereist. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is. Het slaan met een metalen hamer tegen het hoofd is van dien aard dat dit de aanmerkelijke kans met zich brengt dat zwaar lichamelijk letsel optreedt. Verdachte wordt geacht zich hiervan bewust te zijn geweest. Door toch genoemd geweld uit te oefenen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedragingen zouden kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
De rechtbank acht daarom de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 5 augustus 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [benadeelde]- meermaals met een hamer in het gezicht en/of op de schenen en/of benen van die [benadeelde] heeft geslagen en- eenmaal met een vuist op het oog en/of in het gezicht, van die [benadeelde] heeft geslagen;terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat bespreking van het noodweerexces- dan wel putatief noodweer-verweer geen bespreking behoeft, nu dit verweer in het kader van het subsidiair tenlastegelegde is gevoerd.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 63 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd, en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert hij een taakstraf van 100 uur op te leggen, te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
Indien de bepleitte vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet wordt gevolgd, verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet daarop verzoekt de verdediging een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en voor het overige enkel een voorwaardelijke straf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Op 5 augustus 2024 heeft een verkeersruzie geleid tot een geweldsincident. Verdachte wilde verhaal halen bij aangever, waarna verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangever meermalen met een hamer en met zijn vuist op zijn gezicht en/of lichaam te slaan. Dit, terwijl aangever op de grond lag. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat aangever nog steeds gevoelens van angst ervaart. Hiervoor is hij onder behandeling van een psycholoog, bij wie hij onder andere EMDR-therapie ondergaat. Bovendien heeft het geweld zich op klaarlichte dag en op de openbare weg afgespeeld en zijn diverse personen daarvan getuige geweest. Een dergelijk incident veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in 2018 een strafbeschikking van de officier van justitie heeft gekregen voor het plegen van een mishandeling. De rechtbank verbindt hier strafverzwarende zin geen consequenties aan gezien de ouderdom van de zaak.
De rechtbank houdt wel rekening met het reclasseringsadvies van 5 februari 2026. Daaruit volgt dat verdachte is opgegroeid in een ongezond pedagogisch klimaat en er veelal alleen voor stond. Het raakte hem om deze reden diep dat aangever zijn vriendin sloeg, die zijn enige dierbare is. Dit leidde tot een woedeaanval, waarbij hij zowel met zijn vuist als met een hamer aangever heeft geslagen. Verdachte heeft in het schorsingstoezicht succesvol een agressietraining gevolgd en is inmiddels begonnen met de vervolgtraining. Ook wil hij de behandeling door Fivoor in verband met agressieregulatie hervatten. Hoewel de reclassering de kans op algemene recidive als laag inschat, acht zij de kans op geweld/letsel gemiddeld. De reclassering acht voortzetting van het toezicht geïndiceerd om verdachte te blijven monitoren en ondersteunen. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
De straf
De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met straffen in soortgelijke zaken, met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de rechtbanken en hoven (LOVS) en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Alles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Zij zal verdachte een gevangenisstraf opleggen van 63 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd, en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen van 100 uur, bij niet verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 3.500,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op verdachte een verminderde schadevergoedingsplicht rust, omdat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan benadeelde kan worden toegerekend (eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank is van oordeel dat benadeelde is begonnen met het geweld door de vriendin van verdachte te slaan. Daarna heeft verdachte hevig geweld toegepast tegen benadeelde, maar door met het geweld te beginnen blijft een deel van de schade voor rekening van benadeelde. Gelet daarop acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,00. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 5 augustus 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
poging tot zware mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 63 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen, nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Langendijk 34 Breda, nadat hij telefonisch een afspraak heeft gemaakt via 088-8041505;
* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de vervolggedragsinterventie i-Respect van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor te Breda of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 2.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter,
En mr. W.A.H.A Schnitzler-Strijbos en mr. P.A.M. Wijffels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 maart 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [plaats]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoongenaamd [benadeelde]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengenmet dat opzet die [benadeelde]- meermaals, althans eenmaal, met een hamer in het gezicht, op de schenen en/ofbenen, althans op het lichaam van die [benadeelde] heeft geslagen en/of- meermaals, althans eenmaal, met een vuist op het oog en/of in het gezicht,althans op het lichaam van die [benadeelde] heeft geslagen;terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [plaats]een persoon genaamd [benadeelde]heeft mishandelddoor die [benadeelde]- meermaals, althans eenmaal, met een hamer in het gezicht, op de schenen en/ofbenen, althans op het lichaam van die [benadeelde] te slaan en/of- meermaals, althans eenmaal, met een vuist op het oog en/of in het gezicht,althans het lichaam van die [benadeelde] te slaan;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )