Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-230167-25
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 9 maart 2026
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1993,
wonende aan [adres] ,
raadsman: mr. M. Kalle, advocaat in Middelburg.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ook is de vordering van [benadeelde partij] behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort en feitelijk weergegeven komt de verdenking erop neer dat verdachte aangeefster heeft verkracht (feit 1) en aangerand (feit 2).
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft aangeefster opzettelijk verkracht en aangerand.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte is het lichaam van aangeefster niet seksueel binnengedrongen, zodat geen sprake is van verkrachting. Daarnaast mocht verdachte de signalen van aangeefster interpreteren als instemming met de seksuele handelingen die wel zijn verricht, waardoor hij niet wist of kon vermoeden dat bij haar daartoe de wil ontbrak.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich vaak kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte blijft dan alleen de verklaring van het vermeende slachtoffer over als wettig bewijsmiddel. Het bewijs dat een verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van een slachtoffer. Er moet steunbewijs zijn uit een andere bron dan die verklaring. Hierbij is voldoende dat de verklaring van een slachtoffer op bepaalde onderdelen steun vindt in dit bewijs. Andere onderdelen mogen uitsluitend op de verklaring van een slachtoffer berusten. Daarbij geldt dat tussen de verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband mag bestaan.
Verklaring aangeefster In de avond en nacht van 28 op 29 november 2024 is aangeefster met verdachte op stap geweest. Na het uitgaan zijn zij naar de woning van aangeefster in [plaats] gegaan. Verdachte mocht daar blijven slapen. Aanvankelijk zou hij op de bank slapen, maar verdachte vroeg of hij bij aangeefster in bed mocht slapen omdat hij last had van het licht. Aangeefster stemde daarmee in.
In bed begon verdachte aan aangeefster te zitten. Aangeefster reageerde met: ‘Nee, je hebt ook een relatie’ en ‘Hier heb ik geen zin in’. Vervolgens probeerde zij te slapen. Ongeveer tien minuten later zat verdachte aan de broek van aangeefster en trok hij deze naar beneden. Aangeefster zei meerdere keren: ‘Nee, hier heb ik geen zin in’. Verdachte reageerde daarop telkens met: ‘Sst, sst, sst’. Verdachte deed een broekspijp van aangeefster omlaag en trok haar benen uit elkaar. Ook toen zei aangeefster ‘nee’. Zij probeerde haar benen dicht te krijgen, maar verdachte duwde deze verder open.
Verdachte begon aangeefster oraal te bevredigen. Hij likte en zoende bij haar vagina. Aangeefster staakte vanaf dat moment haar verzet. Verdachte zoende verder haar borsten, beet in haar tepels en stopte haar vingers in zijn mond. Ook stopte hij eerst één en later twee vingers in haar vagina.
Uiteindelijk vroeg aangeefster via WhatsApp hulp aan haar vriendinnen. Een van hen, [persoon 1] , belde haar. Toen verdachte hoorde dat aangeefster aan het bellen was, liet hij haar los. Aangeefster liep vervolgens naar de woonkamer, waar verdachte korte tijd later ook naartoe kwam. Zij had rode ogen van het huilen. Aangeefster vroeg verdachte om weg te gaan, waarna hij de woning verliet.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster De verklaring van aangeefster is betrouwbaar en kan als bewijsmiddel worden gebruikt. Aangeefster heeft op twee momenten een verklaring afgelegd: tijdens het informatief zedengesprek op 30 november 2024 en bij haar aangifte op 24 december 2024. Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Zo heeft zij specifiek verklaard over de reactie van verdachte toen zij ‘nee’ zei, namelijk ‘sst, sst, sst’.
Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen inconsistenties in haar verklaring over het forensisch medisch onderzoek en over de pogingen van verdachte om haar te zoenen. Tijdens het informatief gesprek heeft aangeefster verklaard dat het forensisch medisch onderzoek niet te combineren was met haar werk. In het WhatsAppgesprek waarnaar de verdediging verwijst, schrijft aangeefster dat zij niet tegen de broer van verdachte heeft gezegd dat zij het onderzoek heeft afgewezen. Uit dat gesprek blijkt dus niet dat zij het onderzoek daadwerkelijk heeft geweigerd. De rechtbank merkt hierbij nog op dat een slachtoffer mag weigeren om mee te werken aan forensisch medisch onderzoek. Dat kan gevolgen hebben voor het bewijs, maar dat hoeft niet. Verder heeft aangeefster tijdens het informatief zedengesprek verklaard dat verdachte haar in bed eerst probeerde te zoenen. Dit strookt met haar aangifte, waarin zij heeft verklaard dat verdachte in bed eerst aan haar begon te zitten.
Steunbewijs
De verklaring van aangeefster vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal. De verklaring van aangeefster vindt allereerst grotendeels steun in de verklaring van verdachte zelf. Zo heeft verdachte verklaard dat hij vanwege het licht heeft gevraagd om bij aangeefster in bed te mogen slapen. Gelet daarop acht de rechtbank zijn verklaring dat zij op de bank al intiem waren niet aannemelijk. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de benen van aangeefster heeft vastgepakt om haar te kunnen beffen. Ook heeft hij bekend dat hij haar tepels, haar nek en haar borsten kuste. Daarnaast heeft verdachte verklaard over de gemoedstoestand waarin hij aangeefster in de woonkamer aantrof. Zij huilde. Verdachte schrok daarvan.
De verklaring van aangeefster vindt daarnaast steun in de WhatsApp-correspondentie met haar vriendinnen. Om 10:14 uur stuurt aangeefster ‘Sos’ naar haar vriendin [persoon 2] . Om 10:15/10:16 uur stuurt zij in een groepsgesprek ‘Sossssss’, ‘Please iemand wakker’ en ‘Heb hulp nodig’. Om 10:18 uur stuurt zij naar haar vriendin [persoon 1] : ‘Hij laat mijn benen niet los’. Om 10:19 uur belt [persoon 1] met aangeefster. Om 10:23 uur stuurt aangeefster naar [persoon 2] dat zij in de woonkamer zit, omdat [persoon 1] haar belde.
Tussenconclusie Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de feitelijke gedragingen als genoemd in de verklaring van aangeefster.
Opzetverkrachting (feit 1) en opzetaanranding (feit 2) Van opzetverkrachting en opzetaanranding is sprake als iemand seksuele handelingen met een ander verricht terwijl hij weet dat die ander dat niet wil. Het verschil is dat bij opzetverkrachting de seksuele handelingen (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Bij opzetaanranding is van binnendringen geen sprake. Van wetenschap dat de wil ontbreekt is sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen laat merken geen seksueel contact te willen en de initiator toch voortzet.
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij meerdere keren ‘nee’ heeft gezegd tegen verdachte. Dit waren duidelijke verbale signalen van aangeefster en uit de reactie van verdachte blijkt dat hij die signalen ook had begrepen. Verdachte wist dus dat aangeefster de seksuele handelingen niet wilde, maar ging toch door.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar vagina penetreerde met twee vingers. Daarmee is sprake van seksueel binnendringen. Zij heeft verder verklaard dat verdachte haar oraal heeft bevredigd door te likken en zoenen bij haar vagina. Op basis hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat de tong van verdachte in de vagina of tussen de schaamlippen is geweest. De politie had aangeefster op dit punt nadere vragen moeten stellen. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Verder heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar in de nek heeft gekust, bij haar borsten heeft gekust, haar vingers in zijn mond heeft gestopt en in haar tepels heeft gebeten. Dit zijn handelingen van seksuele aard. Aangeefster heeft niet verklaard dat verdachte aan haar tepels heeft gezogen. Ook van dit deel van de tenlastelegging zal de verdachte worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster met (vol) opzet heeft verkracht en aangerand.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1
op 29 november 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [benadeelde partij] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, hebbende verdachte zijn vingers in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak;
Feit 2
op 29 november 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [benadeelde partij] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het kussen van de nek en borsten van die [benadeelde partij] , en
- het likken van de vingers van die [benadeelde partij] , en
- het bijten in de tepels van die [benadeelde partij]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid
De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
5. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. Daarnaast vordert de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel houdt een contactverbod met aangeefster in en een gebiedsverbod voor de straat waar zij woont voor de duur van vier jaar. Daarbij vordert zij dat bij iedere overtreding van deze maatregel twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. Voor het geval de vrijheidsbeperkende maatregel niet wordt opgelegd, vordert de officier van justitie dat een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden worden gesteld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een gevangenisstraf van één dag gelet op het taakstrafverbod. Een gevangenisstraf is ontzettend ontwrichtend voor verdachte omdat hij zijn baan verliest en het contact met zijn dochter kwijtraakt.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft aangeefster opzettelijk verkracht door haar te vingeren. Daarnaast heeft hij haar opzettelijk aangerand door haar vingers te likken, haar nek en borsten te kussen en in haar tepels te bijten. Dit alles gebeurde in het huis van aangeefster, en specifiek in haar bed, een plek waar zij zich veilig zou moeten voelen maar waar zij zich maandenlang niet meer veilig voelde. Verdachte heeft zich alleen maar laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften. Hij heeft niet stilgestaan bij de gevolgen voor aangeefster. Hiermee heeft hij haar lichamelijke en seksuele integriteit ernstig geschonden. In het algemeen geldt dat seksueel grensoverschrijdend gedrag ernstige en langdurige gevolgen kan hebben voor slachtoffers. Gelet op de spreekrechtverklaring van aangeefster ter zitting en het feit dat zij professionele psychische hulp heeft gehad, is ook in deze zaak gebleken dat dit het geval is. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Strafblad Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank houdt daar rekening mee.
Advies van de reclassering De rechtbank houdt ook rekening met het advies van de reclassering. De reclassering schat het risico op herhaling van strafbaar (seksueel) gedrag als laag in. Verdachte heeft zijn leven op orde. Wel bestaan er enige zorgen over zijn traditionele opvattingen over de rolverdeling tussen man en vrouw. Daarbij valt op dat verdachte soms wat dwingend spreekt over zijn huidige vriendin. De reclassering schrijft dat dergelijke opvattingen genderongelijkheid versterken en dat vrouwen door strikte normen en machtsongelijkheid vaker slachtoffer worden van partnergeweld. Daarom vindt de reclassering belangrijk dat dit onderwerp bespreekbaar blijft. Daarnaast vindt de reclassering een delictanalyse wenselijk om de delictketen in kaart te brengen, mede omdat verdachte niet met de reclassering over de verdenking heeft willen spreken. De reclassering merkt daarbij op dat verdachte zich in eerste instantie heeft afgevraagd waarom aangeefster niet heeft gevochten, zeker als zij al eerder vervelende seksuele ervaringen heeft gehad. Al met al adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
Straf
Gelet op het voorgaande en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zal de rechtbank een gevangenisstraf van vijftien maanden opleggen, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De feiten zijn daarvoor te ernstig.
Het voorwaardelijke strafdeel dient om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden die de reclassering heeft geadviseerd. Als aanvullende bijzondere voorwaarde zal de rechtbank een contactverbod met aangeefster opnemen. Aangeefster heeft hierom verzocht en zowel verdachte als aangeefster hebben aangegeven elkaar te kunnen tegenkomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een locatieverbod op te nemen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
6. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 6.851,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schadevergoeding bestaat uit € 851,37 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden.
Medische kosten De benadeelde partij vordert een bedrag van € 643,47 als vergoeding voor medische kosten. De verdediging heeft deze kosten niet weersproken. De rechtbank zal dit bedrag daarom toewijzen.
Reiskosten De benadeelde partij vordert een bedrag van € 207,90 als vergoeding voor reiskosten. De verdediging heeft deze kosten niet weersproken. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
Smartengeld De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als zij op andere wijze in haar persoon is aangetast. De aard en de ernst van de normschendingen brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij is namelijk verkracht en aangerand.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 4.000,00 aan smartengeld billijk. Een hoger bedrag aan smartengeld vergt nader onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor de overige gevorderde maar niet toegewezen immateriële schadevergoeding. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente De benadeelde partij vordert de toegewezen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de strafbare feiten.
De rechtbank zal de toegewezen schadevergoeding als volgt vermeerderen met de wettelijke rente:
Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor overwogen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 241 en 243 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzetverkrachting;
feit 2: opzetaanranding;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33 (4337 EA) in Middelburg of via telefoonnummer 088 804 1505;*zich laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte werkt mee aan het opstellen van een delictanalyse en, indien dit positief wordt geïndiceerd, werkt verdachte mee aan behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met slachtoffer [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag] 2002;
- van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan benadeelde partij [benadeelde partij] van € 4.851,37, waarvan € 851,37 aan materiële schadevergoeding en € 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente
tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij] , € 4.851,37 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente
tot de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat bij niet betaling 48 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter,
en mr. L.W. Louwerse en mr. H. Skalonjic, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. Lequin, griffier,
en is uitgesproken op de openbare zitting van 9 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 28/29 november 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [benadeelde partij] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, hebbende verdachte zijn vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht zijn tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [benadeelde partij] , geduwd/gebracht terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak;
2.
hij op of omstreeks 28/29 november 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [benadeelde partij] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het kussen van de nek en/of borsten van die [benadeelde partij] , en/of
- het likken van de vinger(s) van die [benadeelde partij] , en/of
- het bijten in en/of zuigen aan de tepels van die [benadeelde partij]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak.