RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11959800 \ VV EXPL 25-99
Vonnis in kort geding van 12 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. P.E.A.M. Gerritse.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;- producties 11 en 12 van [eiseres] ;- producties 1 tot en met 19 van [gedaagde];- de mondelinge behandeling van 29 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;- de spreekaantekeningen van [gedaagde].
2. De feiten
[eiseres] is eigenaar van het pand aan [adres 1] te [plaats] .
[eiseres] verhuurt aan [gedaagde] met ingang van 1 november 2023 de bedrijfsruimte aan [adres 2] te [plaats] (hierna: het gehuurde). Het betreft een huurovereenkomst ex artikel 7:230a BW.
Bij deurwaardersexploot van 26 maart 2025 heeft [eiseres] de huur opgezegd tegen 31 oktober 2025, met gelijktijdige aanzegging tot ontruiming.
Op 8 december 2025 heeft [gedaagde] een verzoekschrift tot verlenging van de ontruimingstermijn ingediend bij deze rechtbank.
3. Het geschil
[eiseres] vordert samengevat - uitvoerbaar bij voorraad ontruiming van het gehuurde aan [adres 2] te [plaats] op straffe van een dwangsom.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In artikel 1.3 van de overeenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend mag worden gebruikt overeenkomstig de bedrijfsactiviteiten van de huurder. Artikel 8.1 van de overeenkomst verbiedt expliciet de opslag van brandbare of gevaarlijke stoffen. Desondanks gebruikt [gedaagde] het gehuurde als opslagplaats voor lakken, oliën, pigmenten en reinigingsproducten. De opslag is wanordelijk, zonder ventilatie, lekbakken of brandblusmiddelen. De wijze van opslag is in strijd met de PGS 15-voorschriften en vormt een direct brand- en explosiegevaar. [gedaagde] handelt in strijdt met de veiligheidsvoorschriften en daarmee in strijd met de huurovereenkomst en hij gedraagt zich aldus evenmin als goed huurder. De aanwezigheid van brandbare en zelfontbrandingsgevoelige stoffen vormen een onrechtmatige gevaarzetting in de zin van artikel 6:162 BW. Ondanks meerdere waarschuwingen heeft [gedaagde] geen maatregelen genomen. De aangetroffen stoffen zijn ontvlambaar en deels zelfontbrandingsgevoelig. Het risico op brand, explosie en verlies van verzekeringsdekking maakt de situatie onhoudbaar en spoedeisend. De kans op schade en het verlies van verzekeringsdekking zijn zodanig dat van [eiseres] redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij de afloop van een bodemprocedure afwacht. [eiseres] vreest ook dat [gedaagde] niet tijdig en vrijwillig zal ontruimen na 31 december 2025.
[gedaagde] betwist dat zij in strijd met de veiligheidsvoorschriften handelt. Daarnaast betwist zij dat de PGS-richtlijn op haar bedrijfsactiviteiten van toepassing is. [gedaagde] verhandelt ecologische producten zoals natuurlijke en plantaardige onderhouds- en reinigingsmiddelen ten behoeve van houten vloeren en wanden zoals parketvloeren. Deze stoffen (oliën, wassen) zijn vanuit hun aard al niet zelfstandig ontvlambaar of zelfontbrandingsgevoelig. Dit alles was [eiseres] bekend ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst. Er zijn geen inspectierapporten, deskundige onderzoeken of objectieve gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] in strijd met veiligheidsvoorschriften handelt. Ook zijn er geen van overheidswege gedane aanzeggingen of gedane verzoeken tot handhaving. Er worden slechts gedateerde verklaringen van niet ter zake deskundigen en foto’s van aangetroffen stoffen in het geding gebracht. [gedaagde] wil haar bedrijfsactiviteiten voortzetten in het gehuurde. Zij heeft inmiddels een verzoekschrift tot verlenging van de ontruimingstermijn ingediend. [eiseres] heeft haar stellingen niet onderbouwd waaruit blijkt dat de aanwezigheid of het gebruik van de middelen onmiddellijke en onherstelbare schade veroorzaakt aan het gehuurde. Daarom dienen de vorderingen van [eiseres] te worden afgewezen, aldus [gedaagde].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
[gedaagde] betwist in de eerste plaats dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. [eiseres] stelt dat zij wel degelijk een spoedeisend belang heeft, aangezien [gedaagde] de veiligheidsvoorschriften niet in acht neemt, waardoor de veiligheid van haar bedrijfspand niet gewaarborgd kan worden. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiseres] daarmee is gegeven.
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een huurovereenkomst die betrekking heeft op een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:230a BW. Niet in geschil is voorts dat de huurovereenkomst rechtsgeldig door [eiseres] is opgezegd en aldus is geëindigd en dat de ontruiming is aangezegd. Tevens staat vast dat [gedaagde] in beginsel ontruimings-bescherming geniet gedurende twee maanden na het tijdstip waartegen ontruiming is aangezegd. De kantonrechter is ambtshalve bekend met een door [gedaagde] ingediend verzoekschrift van 8 december 2025 tot verlenging van de ontruimingstermijn. Op grond van artikel 7:230a lid 3 BW schorst de indiening van een verzoekschrift om de ontruimingstermijn te verlengen de verplichting tot ontruiming totdat op het verzoek is beslist.
Nu de ontruiming is aangezegd tegen 31 oktober 2025 en [gedaagde] tijdig (binnen twee maanden), te weten op 8 december 2025, een verzoekschrift om de ontruimingstermijn te verlengen heeft ingediend, is de verplichting tot ontruiming van rechtswege geschorst. De vordering van [eiseres] is als gevolg hiervan in strijd met de wet en kan om die reden in beginsel niet worden toegewezen. Dit is slechts anders indien het beroep op ontruimingsbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is een strenge toets. Dat hiervan in het onderhavige geval sprake is, is voorshands niet gebleken. Dat sprake is van een gevaarlijke situatie in het gehuurde is door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd met objectieve gegevens. Gebleken is dat de stellingen van [eiseres] gebaseerd zijn op basis van eigen inschattingen en waarnemingen. Een oordeel van een deskundige over de aanwezigheid van brandbare en zelfontbrandingsgevoelige stoffen ontbreekt, evenals een deskundig oordeel over de wijze van opslag van genoemde goederen in verband met de PGS-richtlijn. Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat het bedrijfspand wel verzekerd is. Op basis van de door [eiseres] overgelegde stukken en het door [gedaagde] gevoerde verweer is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] veiligheidsvoorschriften niet naleeft. Aldus heeft [eiseres] onvoldoende aangevoerd om tot het oordeel te kunnen komen dat het beroep van [gedaagde] op ontruimingsbescherming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vordering wordt om die reden afgewezen.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
814,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
949,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.