Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-055313-23; 01-099434-23
Beslissing van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
verblijvende in [locatie] ,
hierna: betrokkene,
raadsman mr. A.J. Sprey, advocaat te Amsterdam.
1. Inleiding
Bij vonnis van deze rechtbank van 19 februari 2024 is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van betrokkene gelast met voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De tbs is gelast ter zake van poging tot zware mishandeling.
De termijn van de tbs is aangevangen op 29 februari 2024.
2. Procesverloop
De rechtbank heeft op 19 januari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met voorwaarden met twee jaar. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 behandeld. De officier van justitie mr. L.J. den Braber is gehoord. Tevens is betrokkene op verzoek via een videoverbinding gehoord. Hij werd vanuit de zittingszaal bijgestaan door zijn raadsman. Voorts is als deskundige gehoord de heer [persoon 1] , toezichthouder van betrokkene.
3. Adviezen
Advies reclassering
De reclassering adviseert in het rapport van 18 december 2025 de tbs met voorwaarden te verlengen met twee jaar. Gedurende de afgelopen twee jaar is het niet mogelijk gebleken om de recidiverisico’s te verminderen. Het tegenovergestelde is gebleken toen betrokkene op
4 december 2025 een medewerker van [kliniek] heeft mishandeld, waarvan aangifte is gedaan. Ondanks alle (behandel)interventies van [kliniek] en het hoge beveiligingsniveau waarbinnen betrokkene verblijft, lukt het niet om de risico's te verminderen. Gezien het hoger beroep dat tegen de oplegging van de onderhavige tbs-maatregel momenteel nog loopt, kan de reclassering niet anders adviseren dan de maatregel met twee jaar te verlengen. Het wordt niet nodig geacht de voorwaarden aan te passen. Wel zal er met het DIZ/IFZ gekeken moeten worden naar een geschikte vervolgplek, omdat de behandeling bij [kliniek] reeds is beëindigd.
Ter zitting heeft deskundige [persoon 1] daaraan nog het volgende toegevoegd.
Alle pogingen die zijn gedaan om het gevaar en het recidiverisico te verminderen, hebben nog geen effect gehad. Er gebeuren nog steeds incidenten waarbij betrokkene ontregelt, zoals bij de mishandeling die eind vorig jaar plaatsvond. De kwetsbaarheid van betrokkene wordt onderkend, maar het is niet gelukt de risico’s naar beneden te halen. Betrokkene is voor een vervolgplek aangemeld bij het DIZ. Hij is voorafgaand aan zijn gevangenneming bij elke kliniek in Nederland aangemeld en telkens afgewezen. Enerzijds vanwege de incidenten en de complexe problematiek van betrokkene en anderzijds vanwege het hoger beroep dat nog loopt. Na de gevangenneming van betrokkene zijn er geen pogingen meer gedaan om voor hem een kliniek te vinden. Het DIZ wacht nu de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep af.
Advies psychiater
Uit het rapport van psychiater [persoon 2] van 27 oktober 2025 blijkt dat de diagnostiek van verdachte uiteenloopt, in die zin dat de kwetsbaarheden van verdachte op hoofdlijnen weliswaar overeenkomen, maar anders worden gewogen. De kliniek ziet ASS-problematiek als voorliggend, terwijl de rapporteurs in het hoger beroep de schizofreniestoornis als primair probleem zien. De psychiater constateert in het onderhavige rapport dat er aanwijzingen zijn voor een ontwikkelingsstoornis, met name ASS, maar dat deze niet heel ernstig wordt ingeschat. Er zijn duidelijke aanwijzingen voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis, samenhangend met zijn moeizame jeugd met affectieve en pedagogische onmacht. Daarnaast is sprake van middelenproblematiek vanaf zijn adolescentie en met psychotische ontregelingen onder invloed van slechte omstandigheden, stress en ook middelen. In diagnostische zin concludeert zij dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken, lichte ASS-problematiek, een geschiedenis van fors cannabisgebruik en van psychosegevoeligheid.
Het risico op het plegen van soortgelijke strafbare feiten is in de huidige omstandigheden matig en wordt ingeschat als hoog op de langere termijn als iedere vorm van begeleiding of ondersteuning zou worden losgelaten. Op basis van de behandelvoorgeschiedenis en de kwetsbaarheden van betrokkene is duidelijk dat behandeling, begeleiding en ondersteuning voorlopig nodig zullen zijn om ontsporingen te voorkomen. De belangrijkste stap in het risicomanagement is het komen tot overeenstemming met betrokkene over wat er met hem aan de hand is, wat de risicofactoren zijn en hoe dit behandeld moet worden. Het zal daarbij in ieder geval moeten gaan over de psychosegevoeligheid en de rol van medicatie, over abstinentie van middelen en over het versterken van beschermende factoren in de zin van opleiding, werk, wonen en sociaal netwerk. De psychiater adviseert om de maatregel met twee jaar te verlengen. Er is nog sprake van een stoornis en van een hoog risico op nieuwe geweldsdelicten. De behandeling verkeert in een impasse en het is niet te verwachten dat binnen één jaar de behandeling zodanig gevorderd is dat de maatregel beëindigd kan worden. Voorgesteld wordt om betrokkene nog eenmaal de kans te geven om op een nieuwe plek, samen met de reclassering en met nieuwe behandelaars, te kijken of tot overeenstemming gekomen kan worden over een behandeling. Als dat lukt, is er een sterke voorkeur voor het voortzetten van het huidige kader van tbs met voorwaarden. Als het niet lukt om tot overeenstemming te komen, heeft het langer doorgaan in het kader van een tbs met voorwaarden geen zin en leidt dit alleen tot een nog grotere vertraging in het traject.
4. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is ter zitting bij de vordering de tbs met voorwaarden met twee jaar te verlengen gebleven.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op 26 januari 2026 is de gevangenneming van betrokkene bevolen in een andere strafzaak, waardoor op dit moment de termijn van de tbs niet loopt. Op grond van artikel 6:6:11 van het Wetboek van Strafvordering kan een vordering tot verlenging van de tbs niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zal eindigen, worden ingediend. Nu de termijn van de tbs op dit moment niet loopt, is onbekend wanneer de tbs door tijdsverloop zal eindigen.
Subsidiair heeft de verdediging afwijzing van de vordering bepleit. Betrokkene heeft een duidelijke wens tot beëindiging van de tbs. Hij is het zeer oneens met de rapportages en heeft behoefte aan meer zelfstandigheid en een eigen plek.
5. Beoordeling
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
Een vordering tot verlenging van de tbs dient niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zal eindigen te worden ingediend. In deze zaak zou de tbs zonder voorziening op 28 februari 2026 eindigen. De vordering van de officier van justitie is ingediend op 19 januari 2026. De vordering van de officier van justitie was op dat moment dus binnen de daartoe geldende termijn ingediend.
Vervolgens is op 26 januari 2026 de gevangenneming van verdachte bevolen. Deze vorm van vrijheidsbeneming heeft tot gevolg dat de termijn van de tbs wordt opgeschort. Dat maakt het voorgaande echter niet anders. Het openbaar ministerie was ontvankelijk in de vordering ten tijde van het indienen daarvan en daarmee is aan de wettelijke vereisten voldaan.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vordering.
Beslissing op de vordering
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de tbs met voorwaarden eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op de adviezen van de reclassering en de psychiater wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de tbs verlengd moet worden met een termijn van twee jaar wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de tbs met een termijn van een jaar.
Uit de rapporten en hetgeen door de deskundige naar voren is gebracht blijkt dat het tot nu toe nog niet is gelukt om het recidiverisico te verminderen en stappen te maken in de behandeling van betrokkene. Op dit moment is zelfs geen kliniek voor betrokkene beschikbaar. Dit alles maakt dat een verlenging van de tbs van twee jaar zeker nog nodig is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken en zal de maatregel met twee jaar verlengen.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de tbs met voorwaarden van betrokkene moet worden verlengd met twee jaar.
6. Beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Deze beslissing is genomen door mr. R. de Jong, voorzitter,
en mr. D.H. Hamburger en mr. J.P.E. Mullers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 maart 2026.
Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om deze beslissing mede te ondertekenen.