RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-220277-25
raadkamernummer : 25-024507
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [datum] 2002 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E. van de Rakt advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 10 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers en mr. E. van de Rakt als gemachtigd advocaat van klager gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen doch niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Namens klager is aangevoerd dat op 31 juli 2025 zijn telefoon in beslag is genomen. Zijn identiteitsbewijs is niet in beslag genomen, dit deel van het klaagschrift wordt ingetrokken.
Klager is eigenaar van de telefoon. Klager wordt bezwaard door de inbeslagnemingen het voortduren daarvan. Klager heeft een zwaarwegend belang bij teruggave, aangezien hij niet kan inloggen op zijn DigiD. Dit belemmert hem in zijn dagelijks leven, omdat hijzijn DigiD onder andere nodig heeft voor zijn werk.
Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave. Indien de telefoon nog uitgelezen dient te worden, had dat op de weg van het openbaar ministerie gelegen om dat voortvarend te doen. De telefoon is al op 31 juli 2025 in beslag genomen. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen de gevraagde teruggave. Klager verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren en de telefoon aan hem terug te geven.
De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat klager verdacht wordt van betrokkenheid bij een hennepkwekerij waarbij mogelijk gebruik is gemaakt van de telefoon. Als dat zo blijkt te zijn, zal verbeurdverklaring van de telefoon worden verzocht. Tevens is het onderzoek aan de telefoon nog niet afgerond, zodat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. De officier van justitie verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.
2. De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op de telefoon is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De telefoon is in het kader van de waarheidsvinding in beslag genomen. Uit hetgeen door de officier van justitie in raadkamer naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat het onderzoek aan de telefoon nog niet is afgerond. Gelet hierop - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer en met inachtneming van het summiere karakter van de raadkamer - is de rechtbank van oordeel dat er nog een strafvorderlijk belang bestaat bij voortduring van het beslag. Gezien het tijdsbestek tussen de inbeslagname en het nog te verrichten onderzoek aan de telefoon kan naar het oordeel van de rechtbank thans niet worden gezegd dat er sprake is van een onredelijk lange termijn van inbeslagname. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier blijkt dat er foto’s van een hennepkwekerij op de telefoon zijn aangetroffen, zodat het ook niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de telefoon verbeurd zal verklaren.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen telefoon, zodat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J. Bergen, rechter,
in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.