RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 25-025384
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [datum] 1974 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. F.J. Poppelaars-Hoogenraad advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 7 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 10 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. P. Kuipers gehoord. De raadsvrouw van verzoeker heeft telefonisch haar standpunt toegelicht.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De raadsvrouw van verzoeker heeft aangevoerd dat op 20 augustus 2025 namens verzoeker een klaagschrift ex artikel 552a Sv is ingediend, omdat op 4 augustus 2025 onder verzoeker 4 gegevensdragers in beslag zijn genomen. Alvorens het klaagschrift in te dienen heeft de raadsvrouw op 20 augustus 2025 een e-mail verzonden naar het beslagloket met het verzoek de betreffende goederen te retourneren. Haar werd diezelfde dag medegedeeld dat het onderzoek nog niet was afgerond en dat zij over 4 weken weer contact kon opnemen. Hierna is het klaagschrift ingediend. Op 26 augustus 2025 heeft verzoeker de gegevensdragers teruggekregen, waarna het klaagschrift op 8 september 2025 is ingetrokken. Verzoeker heeft kosten van rechtsbijstand gemaakt en heeft daarom onderhavig verzoekschrift ingediend.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat de teruggave van de goederen niet is geschied wegens redenen genoemd in het klaagschrift, maar omdat het onderzoek was afgerond. De teruggave houdt geen verband met het ingediende klaagschrift. Het klaagschrift is volgens de officier van justitie pas op 6 oktober 2025 bij het openbaar ministerie bekend geworden.
Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat de raadsvrouw niet bij het beslagloket had moeten vragen om teruggave van de goederen, maar dat had moeten doen bij het openbaar ministerie. Nu er niet is gevraagd om teruggave aan het openbaar ministerie, is het klaagschrift prematuur ingediend.
2. De beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat het klaagschrift in behandeling was bij de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat verzoeker op 26 augustus 2025 ervan op de hoogte is gesteld dat de goederen kunnen worden opgehaald, waarna het klaagschrift is ingetrokken. De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv ook vergoeding gevraagd kan worden van de kosten van rechtsbijstand gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
De Hoge Raad heeft bij het invoeren van de mogelijkheid voor een schadevergoeding ex artikel 530 Wetboek van Strafvordering geoordeeld dat het intrekken van een klaagschrift, omdat het goed is teruggegeven gelijk is te stellen aan een gegrondverklaring. Er is immers een last tot teruggave gekomen en dat is het doel van de klaagschriftprocedure.
Naar het oordeel van de rechtbank doen de redenen die ten grondslag liggen aan de uiteindelijke teruggave daaraan niets af. Het verzoek is dan ook ontvankelijk.
De raadsvrouw heeft alvorens een klaagschrift in te dienen aantoonbaar geïnformeerd bij het beslagloket, een landelijk informatiepunt voor burgers namens onder meer het openbaar ministerie. Nu de raadsvrouw zich nader heeft laten informeren en als reactie kreeg dat het onderzoek nog niet was afgerond, is het ingediende klaagschrift niet prematuur te achten.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 894,61 is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate onderbouwd en het bedrag komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag daarom toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling van het verzoekschrift zal de rechtbank eenmaal het forfaitaire bedrag van € 340,00 toekennen, aangezien de raadsvrouw niet ter zitting is verschenen.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.234,61, bestaande uit:
- € 894,61 aan kosten van rechtsbijstand;
en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 1.234,61 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden TDNL onder vermelding van “ [verzoeker] /OM”.
Deze beslissing is op 24 februari 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.