RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-220277-25
raadkamernummer : 25-021893
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster],
geboren op [datum 1] 1999,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E. van de Rakt advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de klaagster.
Beslagene is [beslagene], geboren op [datum 2] 2002 te [plaats],
wonende te [adres].
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 10 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers en mr. E. van de Rakt als gemachtigd advocaat van klaagster gehoord.
Klaagster en de beslagene zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster aantoonbaar eigenaar is van het voertuig. Klaagster heeft een groot persoonlijk belang bij de teruggave van het voertuig. Zij heeft een andere auto maar wil deze verkopen. Klaagster is geen verdachte in deze zaak en had geen wetenschap dat haar voertuig gebruikt zou worden bij het plegen van een strafbaar feit. Namens klaagster is verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en het voertuig aan haar terug te geven.
De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend het voertuig verbeurd zal verklaren. Beslagene wordt verdacht van feiten welke strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet. Het einddossier is gereed en op grond daarvan is besloten beslagene te dagvaarden onder meer vanwege verdenkingen die zien op het vervaardigen en vervoeren van harddrugs. In het inbeslaggenomen voertuig zijn verdovende middelen aangetroffen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat klaagster, mede gelet op de zich in het dossier bevindende chatgesprekken, wist dat met het voertuig de Opiumwet werd overtreden. De officier van justitie verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.
2. De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op het voertuig is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Hier is sprake van een klaagster die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht en die niet de beslagene is. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden
aangemerkt en zo ja, of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de klaagster buiten redelijke twijfel als rechthebbende/eigenaar moet worden beschouwd.
Nu de rechtbank de klaagster als eigenaar aanmerkt, dient zij te onderzoeken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Dat is het geval als klaagster bekend was met het criminele gebruik van het voertuig of dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. In dat geval is er een strafvorderlijk belang en dient het beslag op het voertuig gehandhaafd te blijven.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een strafvorderlijk belang. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het thans beschikbare strafdossier naar voren komt dat in het voertuig, waar beslagene (de partner van klaagster) gebruik van maakte, verdovende middelen zijn aangetroffen, dat in de woning van klaagster eveneens verdovende middelen zijn aangetroffen en dat op grond van onderzoek aan de telefoons van beslagene het vermoeden is ontstaan dat beslagene betrokken is bij de handel in verdovende middelen. Klaagster is bij de politie gehoord en heeft verklaard dat zij het voertuig op advies van beslagene heeft gekocht, terwijl zijzelf gebruik maakt van een andere auto en dat het voertuig door beslagene wordt gebruikt terwijl hij geen rijbewijs heeft. Gelet op het vorenstaande en gelet op de chatgesprekken in het dossier had klaagster - summier toetsend - het criminele gebruik van het voertuig redelijkerwijs kunnen vermoeden, zodat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
3. Beslissing
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van
I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.