ECLI:NL:RBZWB:2026:1741

ECLI:NL:RBZWB:2026:1741

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 02-225804-25 en 02-106783-25 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor medeplichtigheid aan het medeplegen van brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing, door als chauffeur op te treden. Zes auto’s zijn in vlammen opgegaan. Oplegging van 306 dagen gevangenisstraf, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met bijzondere voorwaarden. De duur van het voorarrest wordt hiervan afgetrokken. Daarnaast oplegging van een taakstraf van 240 uren.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-225804-25 en 02-106783-25 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsman mr. M.M. van Woensel, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, waardoor gevaar voor meerdere auto’s kon ontstaan, dan wel dat verdachte medeplichtig is geweest aan dit misdrijf.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, maar acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit. Voor het subsidiair ten laste gelegde feit voert de verdediging geen bewijsverweer.

Het oordeel van de rechtbank

Het primair ten laste gelegde feit

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daar zonder nadere motivering van wordt vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde feit

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.

Aangezien verdachte over dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, wordt voor de bewezenverklaring volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv:

- het proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2025 (pagina 66 tot en met 68 van het einddossier met zaakregistratienummer PL2000-2025077354 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 192);

- het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2025 (pagina 20 tot en met 28 van het hiervoor genoemde einddossier);

- de verklaring van verdachte ter zitting op 27 februari 2026.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat onbekend gebleven personen op

23 maart 2025 te Tilburg, tezamen en in vereniging opzettelijk brand hebben gesticht en een ontploffing teweeg hebben gebracht door een explosief en/of brandbaar materiaal aan te steken en naar een auto te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten meerdere (nabij geparkeerde) auto's te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 23 maart 2025 te Tilburg, opzettelijk behulpzaam is geweest door

- voornoemde onbekend gebleven personen te vervoeren naar de plaats des misdrijfs en

- in de nabijheid van de plaats des misdrijfs te blijven en

- de vlucht voor voornoemde onbekend gebleven personen mogelijk te maken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 311 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod met de mededaders. Hierop moet volgens de officier van justitie de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, volgens zijn berekening 111 dagen, in mindering worden gebracht, zodat verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 240 uren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt, omdat verdachte een groot persoonlijk belang heeft om niet terug naar de gevangenis te moeten. De verdediging kan zich voorstellen dat de rechtbank daarnaast over zou gaan tot oplegging van een forse taakstraf en een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij een proeftijd van twee jaar voldoende wordt geacht.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte is als chauffeur behulpzaam geweest bij het door anderen opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing, waardoor zes auto’s in vlammen zijn opgegaan. Verdachte heeft hierover verklaard dat hem op een familiefeest door onbekenden was gevraagd om hen voor € 1.000,- naar een locatie te brengen waar een auto in brand zou worden gestoken. Wetende wat er stond te gebeuren, heeft verdachte deze klus onmiddellijk aangenomen om – zoals hij zelf zegt – snel geld te kunnen verdienen. Deze € 1.000,- staat in schril contrast met de grote financiële schade en overlast die de brandstichting heeft veroorzaakt bij de auto-eigenaren als direct gedupeerden en bij de samenleving als geheel. Dit handelen getuigt niet alleen van een gebrek aan respect voor eigendommen van anderen, maar maakt ook inbreuk op het veiligheidsgevoel in het algemeen en van de auto-eigenaren in het bijzonder. Eén van deze eigenaren heeft ter zitting toegelicht dat hij tot op de dag van vandaag niet weet of zijn auto hier toevallig bij betrokken was of dat ‘de actie’ tegen hem persoonlijk was gericht en hij wellicht dus over zijn schouder moet blijven kijken.

Verdachte erkent dat hij destijds niet bij deze gevolgen heeft stilgestaan en uitsluitend zijn eigen financiële gewin voorop heeft gesteld. Op de zitting is gebleken dat verdachte inmiddels het kwalijke van zijn handelen inziet en daar verantwoordelijkheid voor neemt. Hij heeft ter zitting spijt betuigd.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 21 augustus 2025 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict. Er is dus geen sprake van recidive.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 3 november 2025, dat is aangevuld op 13 februari 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte inschat als laag. Sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in december 2025 is verdachte aan het werk, heeft hij contact met de gemeente om zijn financiën op orde te brengen en levert hij zijn bijdrage aan zijn gezin. Verdachte heeft zich gedurende die schorsing aan de afspraken met de reclassering en de andere geldende schorsingsvoorwaarden gehouden. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Ondanks het lage recidiverisico adviseert de reclassering om verdachte bij een voordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met bijzondere voorwaarden. De reclassering is namelijk van mening dat verdachte nog kan profiteren van reclasseringsinterventies door onder andere te werken aan bepaalde vaardigheden en dat het nog te vroeg is om alle bijzondere voorwaarden te laten vallen.

Ter zitting is gebleken dat verdachte bereid is om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte en de weg die hij in december 2025 na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is ingeslagen. Hij is bij zijn vriendin en haar dochter gaan wonen, werkt voltijds bij een poedercoatbedrijf, heeft naar eigen zeggen geen contact meer met zijn familie en werkt goed samen met de reclassering. Kortom, verdachte is al gestart met het op orde brengen van verschillende leefgebieden. Wanneer verdachte terug zou moeten naar de gevangenis zou dat de ingeslagen positieve weg onwenselijk doorkruisen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een taakstraf voor de duur van 240 uren. Dit in combinatie met een gevangenisstraf van 306 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, deelname aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, het vinden en/of behouden van dagbesteding en het meewerken aan de aflossing van schulden.

Deze voorwaardelijke straf en de bijbehorende bijzondere voorwaarden legt de rechtbank op, omdat een steuntje in de rug nodig lijkt om verdachte te behoeden voor nieuwe misstappen.

De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Het ogenschijnlijke gemak waarmee verdachte bij het bewezenverklaarde feit betrokken is geraakt, ziet de rechtbank als zorgwekkend. Daarom acht de rechtbank reclasseringstoezicht noodzakelijk voor een langere termijn dan gebruikelijk en wordt de proeftijd vastgesteld op drie jaar.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.984,62, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partij heeft hij deze schade geleden, doordat zijn auto door het bewezenverklaarde feit volledig in vlammen is opgegaan en hij hierdoor de volgende spullen is kwijtgeraakt die in zijn auto lagen: gereedschappen (€ 500,-), een bril (€ 1.770,-), een motorhelm (€ 432,70), motorschoenen (€ 101,95) en sneakers (€ 179,97). Ter onderbouwing van de gestelde schade heeft de benadeelde partij verschillende aankoopbewijzen, behoudens voor de gereedschappen, overgelegd.

De verdediging betwist niet dat deze spullen ten tijde van het bewezenverklaarde feit op 23 maart 2025 in de auto van de benadeelde partij lagen, maar betwist uitsluitend de hoogte van de gevorderde schade voor de bril en de sneakers.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit zoals hierboven onder 4.4 is omschreven. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van gereedschappen ter waarde van

€ 500,- acht de rechtbank geheel toewijsbaar. De verdediging heeft deze schadepost niet betwist.

Voor de overige schadeposten maakt de rechtbank gebruik van haar bevoegdheid om de schade te schatten, omdat de actuele waarde van de spullen op 23 maart 2025 niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, gezien de data waarop die spullen zijn gekocht. Deze schattingsbevoegdheid is neergelegd in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.

De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de bril acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.200,-. Uit het aankoopbewijs van de bril blijkt dat deze op 1 april 2023 is gekocht voor € 1.770,- en dat hierbij de term ‘veiligheidsbril’ is opgenomen. De verdediging betoogt dat de benadeelde partij deze bril daarom mogelijk zakelijk heeft gekocht. Ter zitting heeft de benadeelde partij desgevraagd meegedeeld dat hij een eenmanszaak heeft en dat het zomaar zou kunnen dat hij de bril zakelijk heeft gekocht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bedrag van € 298,69 aan betaalde btw (21%) voor de bril door de benadeelde partij is teruggevorderd via de Belastingdienst. Gelet op de vermindering van dit btw-bedrag en het feit dat deze bril op 23 maart 2025 bijna twee jaar oud was, schat de rechtbank de waarde daarvan op € 1.200,-.

De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de motorhelm acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 350,-. Uit het aankoopbewijs van de motorhelm blijkt dat deze op 15 juni 2023 voor € 432,70 is gekocht, waardoor de waarde op 23 maart 2025 door de rechtbank wordt geschat op € 350,-.

De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de motorschoenen acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 75,-. Uit het aankoopbewijs van de motorschoenen blijkt dat deze op 9 juli 2023 voor € 101,95 zijn gekocht, waardoor de waarde op 23 maart 2025 door de rechtbank wordt geschat op € 75,-.

De gevorderde schadevergoeding wegens het verlies van de sneakers acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 90,-. Uit het aankoopbewijs van de sneakers blijkt dat deze op 28 april 2022 voor € 179,97 zijn gekocht, waardoor de waarde op 23 maart 2025 door de rechtbank wordt geschat op € 90,-.

In totaal wijst de rechtbank dus een schadebedrag toe van € 2.215,-. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank wijst het overige deel van de gevorderde materiële schade af.

De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025, de datum waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke 40 uren taakstraf die aan verdachte zijn opgelegd bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 19 juni 2025.

De rechtbank stelt vast dat de proeftijd die gekoppeld is aan deze voorwaardelijke straf is ingegaan op 4 juli 2025. Het bewezenverklaarde feit dateert dus van vóór aanvang van de proeftijd. Daarom verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48, 49, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 306 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* meldplicht bij reclassering

verdachte meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering

Nederland, Ringbaan West 275 in Tilburg, telefoonnummer 088-8041504. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

verdachte neemt, indien de reclassering het nodig acht, actief deel aan de gedragsinterventie CoVa Plus of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

* dagbesteding

verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

* aflossing schulden

verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 2.215,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 2.215,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet-betaling 22 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02-106783-25;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 13 maart 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Tilburg

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft

gebracht, door een cobra 6 en/of een vuurwerkbom, althans een

explosief en/of brandbaar materiaal, aan te steken en/of

(vervolgens) op/naar een auto te gooien,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten

meerdere (nabij geparkeerde) auto's te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven persoon/personen op of omstreeks 23

maart 2025 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg

heeft/hebben gebracht door een cobra 6 en/of een vuurwerkbom,

althans een explosief en/of brandbaar materiaal, aan te steken en/of

(vervolgens) op/naar een auto te gooien,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten

meerdere (nabij geparkeerde) auto's te duchten was,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 23

maart 2025 te Tilburg,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- voornoemde onbekend gebleven personen te vervoeren naar de

plaats des misdrijfs en/of

- in de nabijheid van de plaats des misdrijfs te blijven en/of

- de vlucht voor voornoemde onbekend gebleven personen mogelijk te

maken;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht, art 48 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?